Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 17/18 februari 2018

                        Eerste zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

Een woestijn vol van engelen

 

Gebed

 

Almachtige God, doe ons in deze veertigdagentijd dieper doordringen in het mysterie van de verlossing. Geef dat wij deze gunstige tijd weten te gebruiken en niet voorbijgaan aan uw genade in ons dagelijks leven. Door onze Heer Jezus Christus…

 

Verkondiging

 

De apostel Petrus hoorden wij het verhaal van Noach, zijn ark en het water uitleggen.

Petrus geeft een bijzondere bijbeluitleg. Jezus, de Rechtvaardige die gestorven is voor de onrechtvaardigen, gedood naar het vlees, ten leven gewekt naar de geest, is heengegaan en is gaan prediken voor de geesten in de kerker, zeg maar het dodenrijk, nedergedaald ter helle, zeggen wij. Hij heeft ze opgezocht die arme zondaars (zoals de Vlamingen zeggen in het Weesgegroet: ‘bid voor ons, arme zondaars, nu en in het uur van onze dood’. Een Vlaamse collega zei me laatst: jullie Hollanders zijn rijke zondaars, wij Vlamingen, arme zondaars; maar dit geheel terzijde, neemt u mij niet kwalijk). Jezus zoekt die arme zondaars uit Noachs tijd op. Dat is toch wel heel barmhartig. Hij heeft niet gedacht: eigen schuld dikke bult. Hadden jullie maar naar Noach moeten luisteren en je leven moeten beteren. Zij hadden integendeel Noach een beetje uitgelachen, moeten we veronderstellen. ‘Waarom zou je een ark timmeren? We hebben toch een fijn leventje? We eten, drinken, nemen het ervan. Houd toch op met dat gezeur over een wereld die zal vergaan als we zo doorgaan.’

 

Vandaag aan de dag heb je ze ook. Terwijl de poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt, de oceaan een plastic soep aan het worden is, roepen zij: ‘Wat is er nu helemaal aan de hand? Laten we produceren en consumeren en het ervan nemen, want morgen zijn we allemaal dood.’

 

Hoe win je die mensen? Met nog meer wetenschappelijke rapporten en onomstotelijke bewijzen; met lange, felle discussies?

Jezus die de ondergang heeft meegemaakt, gedood naar het vlees, ten leven gewekt naar de geest, zoekt de spotters, de zondaars, die niet wilden luisteren, op. Hij pepert ze hun ongelijk en ondergang niet in. God wil de dood van de zondaar niet, lezen we ergens in de bijbel, maar dat hij zich betert, bekeert en leeft. Hij herinnert Zich niet het kwaad van onze jeugd, maar denkt aan ons met erbarmen. Hij geeft hen en ons nog een kans.

 

Acht personen waren er gered, de familie van Noach. Zij bleven behouden te midden van het water. “Dit was een voorafbeelding van het doopwater waardoor gij nu gered wordt”. Dobberend op het water met heel die levende have aan vogels en viervoeters (de vissen hadden het gemakkelijk, er was water genoeg) bleven Noach met de zijnen behouden, in zijn ark, waaraan hij eindeloos lang had getimmerd.

 

Het zal u niet verbazen dat veel grote geestelijke schrijvers de ark als een voorafbeelding hebben gezien van de kerk. Een beetje geaffecteerde, zeergeleerde dominee preekte vroeger, om zijn gelovigen op te wekken naar de kerk te komen en om ze een beetje bang te maken: als je buiten de kerk bleef zou je ten onder gaan in de golven van deze zondige wereld: “In de Ark, in de Kark”.

 

Wel een mooi beeld: de kerk als een ark, een schip waardoor je behouden blijft in de stormen van jouw leven; waar je naar binnen kunt, welkom bent, jouw tweede huis in deze wereld, beeld ook van het uiteindelijke, eeuwige vaderhuis, waar ruimte is voor velen, zoals in de ark van Noach ruimte was voor vogels van alle pluimage. Behouden te midden van het water. In de bijbel betekent water, de zee: onzekerheid, onvoorspelbaarheid, ons niet te voorspellen mensenlot. Door het water van de doop, zegt Petrus in zijn brief aan ons vandaag, door het doopsel heb je een verbintenis met God: de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus, die ten hemel is opgestegen. We leven hier op aarde met al zijn onzekerheid, maar we hebben al een band met Jezus, die ons al is voorgegaan naar de Vader. We zijn al veilig, we zullen niet ten onder gaan in het onzekere water. De regenboog staat in de wolken. Wees maar niet bang.

 

We vieren de eerste zondag van de veertigdagentijd. Veertig Dagen. Jezus heeft veertig dagen doorgebracht in de woestijn. Hij ging na zijn doop in de Jordaan linea recta naar de woestijn. Marcus schrijft: ‘Terstond dreef de Geest Hem naar de woestijn’. Er is geen tijd te verliezen. Hij ging niet op eigen houtje. ‘Ik wil eens lekker rustig op retraite’. Nee, de Geest dreef Hem. De Geest heeft vat op Hem gekregen.

 

Nu wij. Ook wij zijn al gedoopt, althans bijna iedereen. Enkelen van ons zullen op Pasen gedoopt worden. We zijn gedoopt. Ooit. De meesten niet lang na hun geboorte. Lang geleden. Denken we er wel eens aan? Wij krijgen deze veertig dagen om er weer iets mee te gaan doen. Om de Geest een kans te geven ons in beweging te zetten. Om beproefd te worden. Te midden van de wilde dieren leeft Jezus daar. Gevaar overal. Paniekverhalen genoeg. Maar er zijn engelen die Hem hun diensten bewezen. Gelukkig is de woestijn vol van engelen, ook vandaag. Mensen als goede boodschappers, engelen van mensen die u en mij beschermen, helpen, troosten, vasthouden. Veertig dagen om beproefd te worden, onze zegeningen te tellen, openstaan voor de Geest, die ons zal helpen met Jezus op te staan, het rijk Gods, dat nabij is, binnen te gaan, eraan te werken, eraan te bouwen. Zoals Noach geduldig timmerde aan zijn ark, aan de gemeenschap van de kerk. Amen.

 

N. van der Peet

 

-----------------------------------------------------

[1] Genesis 9, 8-15; psalm 25; 1Petrus 3, 18-22; Marcus 1, 12-15