Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 18/19 november 2017

                      33ste zondag door het jaar[1]

 

 

Alles toevertrouwd

 

GEBED

 

Heer onze God, geef dat wij vreugde vinden in onze toewijding aan U. Want dan alleen zal ons geluk volkomen zijn en duurzaam, als wij U dienen die de oorsprong zijt van alle goed. Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

 

Het evangelie van de toevertrouwde talenten.

Ik zie ons nog zitten tijdens de jaarlijkse heilige Mis bij de opening van het schooljaar. Wij waren middelbare scholieren en overgegaan naar de tweede klas. De kerk was overvol. Heel de school moest naar de Mis. Wij waren immers een katholieke school, gesticht door de paters augustijnen. Eén van hen was de celebrant. Het evangelie was dat van vandaag: de talenten. Wij moesten van geluk spreken. Onze lieve Heer had ons talenten toevertrouwd. De één had er vijf, de ander twee. Een derde één. Wij zaten schichtig om ons heen te kijken: wie van ons had er vijf, wie twee, wie één? En ik? Hád ik er wel een? Wat deed je ermee? Of verspilde ik m’n talent? Een zware last werd ons door de stevig prekende pater-leraar op de schouders gelegd. Je moest woekeren met je talent. Alles eruit halen. Het was je allemaal zomaar gegeven: de mogelijkheid om naar deze geweldige school te gaan, je ouders die zoveel voor je over hadden, de overheid met haar studietoelage. Ik vond die heilige Mis de meest beklemmende van het jaar. Met afhangende schouders verlieten we de kerk. Zouden wij het wel kunnen waarmaken?

 

Wie wordt er bedoeld met die ene man die zijn ene talent in de aarde wegstopte? Ik vond hem eerlijk gezegd (durf ik na al die jaren opbiechten) wel verstandig. Geen risico’s op de beurs of bij de bank. Veilig weggestopt dat talent. Eigenlijk zit dat ook wel een beetje in mij en misschien ook wel in u: op safe spelen, geen rare sprongen. Laten we houden wat we hebben.

 

Waarom krijgt hij zo’n hard verwijt?

Wij denken nu dat hiermee gelovigen werden bedoeld die geen enkel avontuur wilden, alle risico’s wilden vermijden, alles nauwkeurig bij het oude wilden laten voor hun geloof, hun geloofsgemeenschap, de jarenlang vertrouwde verhoudingen. Men denkt dan vooral aan de Sadduceeën. Zij vormden een belangrijke stroming in het joodse geloof van Jezus’ dagen: zeer geleerde, welvarende gelovigen met veel invloed in de godsdienst, die niets wilden weten van verandering, bekering, samenwerking met minder gevormde, minder invloedrijke gelovigen. Zij stopten hun religieuze talent om zo te zeggen in de grond. Zij lijken wel op sommige groepen van gelovigen in onze wereldkerk die moeite hebben met de vele ontwikkelingen die paus Franciscus heeft losgemaakt. Ze worden onzeker. Ook niet weinig priesters hebben er last van. Zij voelen zich bekritiseerd. Ze hadden zo’n duidelijke positie en nu komen er zoveel kritische opvattingen: dat zij zich niet moeten opsluiten in hun comfortzone, maar naar buiten moeten gaan, nieuwe wegen moeten zoeken om het geloof te beleven, te verkondigen.

 

Maar we moeten niet zozeer naar anderen wijzen, maar ook onszelf nagaan. Zou er in mijn geloofspraktiijk niet een tandje bij kunnen: in mijn trouw aan mijn kerkbezoek, mijn inspanning voor de parochie, voor mijn naasten, de zieken, de eenzamen? In de eerste lezing uit het boek van de Spreuken wordt die vrouw ten voorbeeld gesteld. Zij moet geprezen worden, staat er, omdat zij de Heer vreest. Dat betekent niet zozeer dat zij angst heeft voor God, maar dat zij ruimte maakt in haar leven voor de Heer en zijn gemeenschap, met een ruim hart.

 

“Een man riep bij zijn vertrek naar het buitenland zijn dienaars bij zich om hun zijn bezit toe te vertrouwen”. Die man, de Heer heeft ons zijn bezit toevertrouwd.

Jezus heeft al het zijne aan ons gegeven: zijn liefde, zijn geloof, zijn hoop, zijn genezing, de troost die Hij de mensen gaf, zijn oproep tot bekering, zijn sacramenten, ja zelfs zijn eigen leven; in de laatste avond heeft Hij gezegd: ‘dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, doet dit tot mijn gedachtenis. Als jullie hierin falen dan ben Ik vergeten. Dan is alles voor niets geweest. Als jullie het niet doen, wie zal dan de zieken bezoeken en zalven, de zonden vergeven, het brood breken, de hongerigen voeden en de dorstigen laven?

Als je jezelf als gemeenschap opsluit in je veilige mening en woning dan gebeurt er niets. Dan wordt het talent niet verdubbeld, maar dan zul je het uiteindelijk kwijt raken. “Neem hem dus dat talent af en geef het aan wie de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden…maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft”.

Dat vond ik altijd harde woorden. Maar het klopt. Als je niet durft, als de kerkgemeenschap zichzelf niet geeft, zich niet kwetsbaar maakt, het avontuur zoekt, zal alles haar door de vingers glippen en is er geen toekomst.

 

Christen-zijn, kerk-zijn is dus een hachelijke onderneming. De Heer vraagt ons ons talent in te zetten, er een schep bovenop te doen, vertrouwen te hebben in nieuwe winst, verdubbeling van de talenten van het geloof, de hoop en de liefde. Zo moge het worden. Amen.

 

N. van der Peet

 

-----------------------------------------------

[1] Spreuken 31passim; 1 Tess. 5, 1-6; Matteüs 25, 14-30