Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23/24 september 2017

                      25ste zondag door het jaar.[1]

 

Een verrassende God

 

GEBED

 

Barmhartige God, uw goedheid gaat uit naar alle mensen: de trouwe vrienden van het begin maar ook de werkers van het laatste uur. Gij hebt ze allen lief: zo wonderbaar zijn uw wegen. Wij bidden dat wij uw boodschap brengen aan wie ver is of dichtbij, dat wij dankbaar zijn voor al het goede onder de mensen en vreugde vinden in uw uitverkiezing. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Ze begrepen niets meer van hun God. De Israëlieten tot wie de profeet Jesaja zich richt in onze eerste lezing, zaten in ballingschap, maar er gloorde hoop aan de horizon. Nog maar korte tijd en een nieuwe machthebber zou hun de kans geven terug te keren naar Jeruzalem en de tot een ruïne vervallen tempel weer op te bouwen. Zij hadden eigenlijk alle hoop al opgegeven en gedacht dat alles voorgoed voorbij was. Zij hadden tientallen jaren tevoren alles verloren: huis en haard, stad en tempel. Zoals talloze Syriërs nu, op de vlucht voor een vernietigende binnenlandse oorlog en vele jeugdige Eritreeërs, gevlucht voor een militaire dictatuur, die heel hun leven in de greep wil houden.

 

De Israëlieten in ballingschap moesten leven zonder alle zichtbare tekenen van hun oude godsdienst. De stad en de tempel in puin. Waar is God? Ze begrepen weinig of niets van hun God. Ze moesten leven zonder de oude gebouwen van steen en zonder het gebouw van een godsdienstige samenleving die samen optrok naar de tempel, het gebed; die samen een religieuze manier van leven in stand hield. De enige (en misschien wel mooiste) tempel die God nog bezat was die van het hart van zijn mensen, het levende lichaam van zijn gelovigen. De glorie van God is de levende mens.

 

Sommigen vergelijken de toestand van de Israëlieten in ballingschap met de situatie van de kerk, van de gelovigen in onze tijd. Het grootste deel van het godsdienstige leven is onzichtbaar geworden. Kerken worden aan de eredienst onttrokken, staan leeg, worden gesloopt of krijgen een andere functie. Onze oude Rita wordt misschien een hotel. De godsdienstige way of life is steeds minder zichtbaar. Wij hoeven als christengelovigen niet letterlijk in ballingschap, wij zijn veilig in ons land, maar innerlijk, godsdienstig zijn we misschien wel in ballingschap. Probeer er maar eens eerlijk voor uit te komen dat je gelovig bent, dat je iets met de kerk hebt. We behoren tot een zeer kleine minderheid van kerkgaande, praktiserende gelovigen. Wat zou God met ons, met zijn kerk vóór hebben?

 

Onze geloofsvoorgangers in de tijd van Jesaja worstelden ook met die vraag. Jesaja, de profeet, de voorganger, was met zijn gelovigen in ballingschap gegaan. Wat zegt hij tegen die tobbende medegelovigen, in naam van God? “Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen zijn niet uw wegen, maar zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten”.

Anders gezegd: God kun je niet bezitten, doorgronden, begrijpen. Hij ontsnapt aan de rechtzinnigheid, de rechtlijnigheid en de vrijzinnigheid van de tempel, de kerk en de moskee. Soms mogen wij Hem misschien even ervaren, maar wij mogen God niet opsluiten in onze menselijke, soms kleinmenselijke, burgerlijke gedachten. Wij mensen hebben de neiging God voor te schrijven hoe Hij moet handelen, wat eerlijk is; wat wij, goeden, verdienen, waarop wij recht hebben en waarmee de in onze ogen slechte mensen gestraft moeten worden. Dan wordt God inderdaad een projectie van onszelf. Dan komt alles wat van God gezegd wordt van beneden.

 

Maar Jesaja zegt: het gaat ons te boven. Wij begrijpen uiteindelijk niets van God. Ook de hoogste leerstellige, kerkelijke autoriteiten hebben Hem niet in de hand. God is naar onze gemiddelde maatstaven niet redelijk, rationeel, verstandig, niet keurig afgemeten. Zijn gedachten zijn niet onze gedachten. Hij is een altijd verrassende God. De bisschop, het parochiebestuur, de pastores, de vrijwilligers kunnen het kerkelijke leven nog zo goed organiseren of de toekomst nog zo goed proberen voor te bereiden, het loopt at the end of the day toch anders.

 

God is een verrassende God. Dat hadden die gelovigen tot wie Jesaja zich richt ondervonden. Zij, zoals de Syriërs en Eritreeërs vandaag huis en haard verlaten, hadden stad en tempel verloren en dachten: het is voorgoed voorbij.

Vele gelovigen denken dat u ook. Niet weinige diakens, priesters en ik kan u verklappen: zelfs niet weinige bisschoppen denken zo. Het is voorbij. Zoals toen: de tempel, het gebouw van het geloof ligt in puin. En u? En ik? Soms dacht ik ook zo.

Maar God verrast ons. Steeds opnieuw, op onverwachte manier meldt Hij zich, zich volstrekt niet storend aan kerkelijk beleidsdocumenten en overijverige kerkbestuurders. God gaat zijn goddelijke gang.

 

Dat lezen wij ook in het heilig evangelie van vandaag. Jezus, die in wezen in Persoon de grootste verrassing van God is tot geluk en redding van de mensen, - Jezus vertelt ons zijn gelijkenis over de God die onze kleine, begrijpelijke, kleinmenselijke gedachten te boven gaat. Die werkers van het eerst uur hebben natuurlijk gewoon gelijk. Zij hebben het hardst en het langst gewerkt. Wij horen de dienst uit te maken in de wijngaard van de Heer, in de kerkgemeenschap. Wij zijn de oudste vrijwilligers, het is onze kerk. ‘Wat denken die nieuwelingen wel niet. Laat ze netjes achter in de rij aansluiten’. Maar de Heer van wijngaard gaat zijn eigen goddelijke gang. “Of bent u kwaad, omdat Ik goed ben?”

 

Wij mogen het beleven in onze dagen. Er komen mensen in de wijngaard die we niet verwacht hadden en ze vullen onze rijen en bewonen onze kerk. De werkers van het elfde uur. De wijngaard zal bloeien door de verrassende God die mensen blijft uitnodigen, in zijn dienst neemt en hen van harte beloont. Zo zij het. Amen.

 

pastor N. van der Peet

--------------------------------------------------------

[1] Jesaja 55, 6-9; Filippenzenbrief 1, 20c-24.27a; Matteüs 20, 1-16a