Preek

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                      8/9 december 2018, tweede zondag van de Advent.[1]

 

Een Naam die bevrijdt

 

GEBED

 

God, doe ons met verlangen uitzien naar de ontmoeting met uw Zoon.

Laat het bezig zijn in deze wereld ons niet verhinderen Hem tegemoet te gaan, maar geef ons de wijsheid die ons verenigt met Christus, onze Heer.

Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

Deze week kon je op het televisiescherm een zeldzaam tafereel bekijken. In één kerkbank zag je vijf Amerikaanse presidenten. Het overlijden van een oud-president, de vader van één van die vijf, had hen naar de kerk gevoerd, afgelopen woensdag. Grote namen, mensen die in hun persoon, in hun beleid en karakter, de geschiedenis van het machtigste land ter wereld symboliseren.

Het was naar mijn indruk niet een heel gemakkelijk treffen van deze mannen (ja het is nog steeds ‘a man’s world’) en hun echtgenotes. Sommige gaven elkaar een aarzelende hand, anderen knikten vormelijk en beleefd, een enkeling keek strak voor zich uit. De groten der aarde, we kennen ze bij name en soms weten we nog in welke jaren zij de wereld regeerden. Wij kijken naar hen op of wij protesteren tegen hen, sommige doen dit zelfs met grof geweld, zoals veel Fransen deze weken tegen hun machtige president.

 

Op deze tweede adventszondag worden de groten der aarde genoemd van Jezus’ tijd. Eerst de grote Tiberius, de Romeinse keizer en daarna Pontius Pilatus, de landvoogd in Israël in naam van de keizer. Zijn naam en persoon is zelfs in onze geloofsbelijdenis terechtgekomen. “Hij, Jezus, heeft geleden onder Pontius Pilatus…” De rechter van Jezus, afgebeeld ook op onze eerste kruiswegstatie. Zo’n bestuurder, zo’n heerser aan wie niets blijft kleven. Hij waste zijn handen in onschuld. ‘Ik ben maar gestuurd. Dat is nu eenmaal mijn werk, mijn taak. Ik had dit liever niet gewild, maar ja, zo liggen nu eenmaal de verhoudingen.’

De naam van Herodes valt, de vorstelijke familie van de zetbazen. Voor het staatsbelang was alles toegestaan, zelfs kindermoord, zullen wij drie dagen na kerstmis horen, de moord van onnozele, onschuldige kinderen, die toen en de eeuwen door geofferd worden, toen in de straten van Bethlehem en Juda, nu in de straten en de huizen van Jemen, niet door het zwaard omgebracht nu, maar uitgehongerd door een oorlog die ook westerse, zogenaamde beschaafde landen gaande houden.

En dan Filippus, Lysanias en tenslotte de hoge geestelijkheid: Annas en Kajafas. Ook die beide hogepriesters gaan we op Goede Vrijdag weer tegenkomen, in het proces om Jezus.

 

In die wereld van grote namen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharias, die in de woestijn verbleef.

In de woestijn, in the middle of nowhere, is een mens die een woord hoort. Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek. De Jordaan, de smalle rivier, was de grens. Het woord van God begint niet opnieuw in de paleizen van de vorsten of de hoge zalen van de hogepriesters, maar in het grensgebied, aan de rand van de samenleving, in de marge.

Zeker, wij kijken naar de regering, naar het parlement, naar de koning; wij zien op naar presidenten, naar het Vaticaan, de paus of de bisschop. Zouden zij met nieuwe inspiratie en  beleid komen, zodat er vrede komt, rust; zodat onze planeet wordt gered van de opwarming, verwoesting van natuur en ondergang? Moeten wij het van de machtigen verwachten? Volgens de heilige Schrift begint het in de afzondering van woestijn; waar je het niet zou verwachten.

 

Johannes preekt in de woestijn een doopsel van bekering tot vergeving van zonden. Wij horen deze woorden in de advent. Wij worden opgeroepen tot bekering en uitgenodigd tot de vergeving van zonden.

Zonden betekent: alles wat tussen mij en God instaat; alles wat tussen mij en mijn medemens instaat; alles wat het contact met God en uw naaste verstoort, verzuurt, verpest. De liturgie van de advent nodigt ons uit daar iets aan te doen; om ons om te keren, te bekeren, om het uit te praten, je uit te spreken voor God in de biecht, in het gesprek met elkaar, je partner, je kinderen of ouders, een verwaarloosde vriend. Of de buren, of de vreemdelingen die je niet begrijpt of voor wie je bang geworden bent, aangevuurd door harde woorden in de media.

 

 De advent is een tijd van stille vreugde, van blijde verwachting, samen met Maria. Maar vandaag horen wij: het is ook een tijd van bekering. Johannes komt niet met macht en grote woorden. Zijn woord, zijn persoon zijn maar heel kwetsbaar. Het nieuwe begin komt niet uit het paleis, het geweld op de straat, het klerikalisme van de tempel, maar uit de woestijn, aan de grens, uit de mond van de zoon van een onbeduidende priester, die gebroken heeft met een burgerlijk bestaan, een zonderling zonder diploma’s en referenties. We worden opgeroepen door een man zonder pretenties. Hij verkondigt: heel de mensheid zal Gods redding zien. Redding is mogelijk voor de wereld, heel de mensheid.

De advent houdt die hoop en verwachting levend, de adventsactie doet moedige pogingen door over redding en gerechtigheid groot te denken en klein te doen, dat wil zeggen: door concrete, behapbare hulp kun je een begin maken met redding.

 

Paulus schrijft: “moge jouw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt”.

Moge de advent ons dat brengen. Rijke liefde voor God en voor elkaar. Weer leren onderscheiden waar het op aankomt, wat echt van waarde is in je leven en onszelf en elkaar bevrijden van bijzaken, van het geroep en het nepnieuws van grote monden en machtigen.

 

Opdat Christus kan komen, geboren kan worden, aan het woord kan komen in ons leven, in ons hart, in onze beslissingen.

Geen grote namen hoeven wij te verwachten, te eren, maar de heilige, bevrijdende Naam van Jezus, tot lof en eer van God. Amen.

 

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------------

[1] Baruch 5, 1-9; psalm 126; Filippenzenbrief 1, 3-6. 8-11; Lucas 3, 1-6