Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 8 april 2018,

                        tweede zondag van Pasen.

                        Handelingen 4, 32 - 35; 1 Johannes 5, 1-6; Johannes 20, 19 - 31

 

Geloof op sterven na dood

 

GEBED

 

God, uw barmhartigheid duurt langer dan de tijd, en terwijl wij Pasen blijven vieren, bevestigt U het geloof van het volk dat geheiligd werd. Laat de genade groeien die wij van U ontvangen hebben. Laat allen de diepe zin verstaan van het doopsel dat hen gezuiverd heeft, van de Geest die hen opnieuw tot leven heeft gewekt, en van het bloed dat vergoten werd voor hun bevrijding.

 

VERKONDIGING

 

U kent vast wel Stephen Hawking, misschien wel de grootste geleerde van onze tijd, die 14 maart is overleden, 76 jaar oud. Zijn unieke leven werd getekend door een vreselijke spierziekte. Wij kennen hem allen als die verwrongen mens die gekluisterd was aan zijn rolstoel, gevangen in zijn totaal verlamde lichaam. Uit duizenden herkende je het blikken geluid van de kunstmatige stem die hij door middel van een ingenieuze computer tot klinken bracht; waarmee hij zijn duizelingwekkende inzichten over zwarte gaten en het heelal, of beter gezegd over de meerdere universums, aan de wereld meedeelde. Een gekweld, hulpeloos, bewegingloos lichaam waarin een volkomen vrije geest schuilging. Op Paaszaterdag, de dag waarop wij neerzitten bij het stille graf van Jezus - de dag tussen wanhoop en hoop, tussen vertwijfeling en geloof - is hij vlak naast de stoffelijke resten van Isaac Newton, bijgezet in de Westminster Abbey in Londen: een eer die alleen de allergrootste Britten te deel valt. Bijgezet in een kerk. Het is ironisch te noemen dat de stoffelijke resten van een man, die zijn leven lang gespot heeft met elke vorm van religie, in een kerk zijn laatste rustplaats hebben gevonden.

 

Hawking zou je de moderne belichaming van de apostel Tomas kunnen noemen. Hij was een sublieme twijfelaar. Elke gedachte, elke mogelijkheid, elke theorie mocht pas serieus genomen worden als deze uitentreuren was onderzocht, van alle kanten beklopt, betast en bekeken. De beleving en de belijdenis van de godsdienst paste niet in zijn mindset. Wat hem er niet van weerhield zich te laten benoemen tot lid van de pauselijke academie van wetenschappen en zich aan te dienen in het Vaticaan voor ontmoetingen met achtereenvolgende pausen, die hem hoffelijk en liefdevol hebben ontvangen.

 

In zijn verlamde, geteisterde lichaam en door zijn vragende persoonlijkheid liet hij iets zien van de beide hoofdpersonen in het evangelie van deze tweede zondag van Pasen: de verrezen Jezus en de zogenaamd ongelovige Tomas, een van de twaalf apostelen. Evenals de opgestane, de aan zijn leerlingen verschijnende Heer, droeg hij de sporen van zwaar lichamelijk, dodelijk lijden in zijn lichaam. Wat hem ook aan de Verrezene deed denken was de triomf van de geest over dit lichamelijk lijden.

En zoals gezegd, wat hem verbond met Tomas was zijn onophoudelijk vragen en onderzoeken, het ongeloof dat zich nauwelijks laat vermurwen.

 

Wij kennen allemaal de verleiding van het ongeloof van Tomas, vooral als wij heftig geconfronteerd worden met het lijden van onschuldige mensen, jonge kinderen met name die slachtoffer zijn van oorlog en terrorisme, van ziekte en honger. Stelt dit alles ons geloof niet op de proef? Het lijkt een grote tegenspraak, maar kan het ongeloof van Tomas ons niet ook helpen, omdat het ons bevrijdt, ons zuivert van valse godsbeelden en leert ons zijn ware gezicht te ontdekken: het gezicht van een God die in Christus de wonden van de gebroken mensheid op zich neemt. Ooit schreef paus Benedictus deze gedachte op: “Tomas heeft van Christus het geloof gekregen dat de schok van lijden en dood heeft doorstaan en bevestigd is in zijn ontmoeting met de Verrezene. Tomas’ geloof was op sterven na dood, maar is nieuw leven ingeblazen dankzij het aanraken van Christus’ wonden die Hij niet verhulde, maar openlijk toonde en ons nog dagelijks laat zien in het lijden van iedere mens”.

 

De ontmoeting tussen de verrezen Jezus in de avond van de Paaszondag met de apostel Tomas is niet alleen iets van 2000 jaar geleden in de bovenzaal van Jeruzalem. Die ontmoeting vindt plaats in vele zalen van zieken- en verpleeghuizen, aan talloze ziek- en sterfbedden, onder de handen van mensen die de lijdende lichamen van hun medemensen wassen, verplegen, verzorgen en zalven. Zo openbaart Jezus Zich aan ons. Hij vraagt ons niet weg te kijken, het lijden niet te ontkennen, maar Hem liefdevol, medelijdend, teder aan te raken, zoals Tomas uiteindelijk deed. Deze vragende, tastende leerling van Jezus heeft geleidelijk zijn godsbeeld bijgesteld. Tomas liet Zich raken door een lijdende God, die Zich laat aanraken, die uw en mijn wonden mee draagt: een gebroken Lichaam, dat dadelijk in de tekenen van Brood en Beker weer wordt  opgeheven en ons wordt aangereikt; tot Wie wij, zoals na elke consecratie, mogen fluisteren: “Mijn Heer en mijn God”. Moge Stephen Hawking en alle lijdende zoekers Hem uiteindelijk oog in oog aanschouwen en getroost worden door ook hun Heer en God. Amen. 

 

N. van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Paaszondag 1 april 2018[1]

 

Alleen liefde maakt ziende

 

In de voorbije laatste dagen van de Goede Week voelde ik me af en toe bijzonder verrast door een tweetal reclamespotjes op de radio. (Nog steeds houd ik van de radio, méér nog dan van de televisie. De radio blijft een beetje op afstand, vraagt maar de aandacht van één zintuig en neemt je niet geheel in beslag.) Welnu, die spotjes. De eerste is geproduceerd door de Remonstrantse broederschap, een klein kerkgenootschap, de geestelijke nazaten van de meer vrijzinnige protestanten uit de zestiende eeuw, die niets wilden weten van de strenge gereformeerde rechtzinnigheid. Dat is te horen in het spotje. Je hoort steeds de vriendelijke stem van één van de niet zo heel vele remonstrantse dominees die ons land telt. Vanouds heeft hier te lande die stoere protestantse orthodoxie de overhand gehad. De reclamedominees nodigen ons in keurig, zelfs enigszins deftig uitgesproken Nederlands uit naar één van hun kerken te komen om daar de paas-preek te komen beluisteren en pasen te vieren.

 

Wat is de inhoud van het paasfeest waartoe zij ons oproepen? Dat geloof bij jou begint. Opstaan, nieuw leven, een nieuw begin. Geloof begint bij jou. Geloof, godsdienst als mensenwerk.

Direct na dit spotje volgde afgelopen dagen het tweede: en wel dat gedurende Goede Vrijdag en Pasen de fashion-outlet, een enorme kledinghandel, de gehele dag is geopend.

Na het eerste spotje werd ik steeds een beetje beschouwend, rustig; toen de inhoud van het tweede tot mij doordrong landde ik met een harde klap terug op aarde. Geloof begint bij jou, kom goedkope kleren kopen in Almere. Het eerste zoekt ons geestelijk op te dressen, het tweede wil ons helpen onze lichamelijke naaktheid te bedekken.

 

Het geloof, het paasfeest begint bij jou. In geen van beide reclameboodschappen een verwijzing naar God en zelfs niet naar Jezus, die bij het christelijk Paasfeest toch echt in het middelpunt staat. Hoe zou zoiets als de gedachte aan verrijzen uit de dood en dat de dood het einde niet is, in mij kunnen opkomen, bij mij kunnen beginnen?

Terugziend op deze reclamecampagne van één van onze geliefde zusterkerken beken ik u, dat ik eigenlijk wat meer sympathie heb voor de modehandelaar in Almere, die zeven dagen per week geopend is en geen Goede Vrijdag houdt noch stille zevende dag, paaszaterdag. Die wil ons gewoon zonder omwegen een product verkopen. Die speelt handig in op de mens, op Adam, die zich verborgen heeft in de tuin, zijn naaktheid wil bedekken, veiligheid zoekt, beschutting, bescherming, die nood heeft aan verlossing, een nieuwe tuin, waar hij zich weer durft te laten zien.

 

Een nieuwe tuin was het, een volledig nieuw graf was het, waar Jezus was neergelegd, in de avond van Goede Vrijdag. Wat was die wereld grauw, gewelddadig geworden. Wat een bitter lijden en hoe was Hij daar gestorven aan het kruis. In de plechtige avonddienst van Goede Vrijdag sluiten wij af bij het graf. Jozef van Arimathea was zo onder de indruk van Jezus dat hij, rijk man die alles voor elkaar had, maar in het besef dat hij maar een sterfelijk mens was alvast voor zichzelf een graf had gekocht, dit afstond om Jezus in de begraven.

 

Na die onmogelijk lange sabbat van leegte en gemis, van ontreddering en rouw, de stille zaterdag, kwam Maria Magdalena op de eerste dag van de week vroeg in de morgen - het was nog donker - bij het graf en zag dat de steen was weggerold. Tot zover hebben de remonstranten gelijk, zeker. Geloof begint in die zin bij u en mij. Je moet je huis uitkomen, je moet in beweging komen, gaat zoeken. Wat had zij te zoeken, want bewoog haar die dag na de sabbath, de stille zaterdag, déze dag, naar die nieuwe tuin, dat nieuwe graf te gaan? Wat verwachtte zij? Of verwachtte zij helemaal niets meer? Hield zij het soms niet meer uit in haar huis? Zij bleef niet thuis zitten, zij liet het er niet bij zitten. En dan ziet zij het graf, een rotsgraf was het, openstaan. Het kon het Lichaam van Jezus maar even vasthouden.

 

Maria Magdalena haalt er de twee belangrijkste apostelen bij.

Johannes, de meest geliefde leerling. Hij had bij het kruis gestaan, samen met Maria, de Moeder van Jezus. Volgens het evangelie van Johannes was de kruisiging een soort verheffing. Koninklijk hing Jezus daar, om als een hogepriester zijn leven te geven voor de mensen. ‘Vrouw, zie daar uw zoon. Zoon, zie daar uw Moeder’. Zijn eerste geloofsgemeenschap had de stervende Jezus gesticht vanaf het Kruis, Golgotha. Het lijden, de dood van Jezus droeg op de executieplaats al vrucht. Geen zinloos lijden. Volgens het evangelie verandert zijn lijden alles.

Over Johannes horen wij vanmorgen: “Toen ging ook de andere leerling binnen; hij zag en geloofde.”

Petrus, die Jezus driemaal had geloochend - het hanengekraai deed zijn oren nog pijn - Petrus heeft alleen maar - waarschijnlijk verbaasd, verbijsterd - het lege graf bekeken, als was het een plaats delict.

 

Het lege graf, het nieuwe graf, die nieuwe tuin, de zweetdoek, de zwachtels die zijn naakte lichaam hadden bedekt, keurig opgerold, niet meer nodig. De nieuwe Adam is opgestaan en is in zijn nieuwe tuin gekomen, een nieuwe aarde. Geloof begint bij Hem, die ons uitnodigt ons met nieuwe kleren te bekleden, zoals gisteravond in de Paaswake, zes pasgedoopten zich hulden in hun doopkleed. Wij staan niet langer weerloos naakt in de wereld. “Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om mij heen geslagen, zo is mijn God…”.

 

Maria Magdalena mogen wij zijn, dapper, energiek de deur uitgaan; het er niet bij laten zitten, zich er niet bij neerleggend.

Petrus mogen wij zijn en Hem bestormen met onze vragen, schoorvoetend geloven.

Johannes mogen wij hopelijk worden, die binnenging, zag en geloofde, die de meest geliefde leerling werd. Alleen liefde maakt ziende. Geloof begint bij de liefde. Amen.

 

pastoor N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 10, 34a.37-43; Kolossenzen 3, 1-4; Johannes 20, 1-9


Verkondiging PAASWAKE in De Nieuwe Augustinus, 31 maart 2018[1]

 

En deze steen was zeer groot

 

Beste Dopelingen, beste borgen en peetouders, familieleden en vrienden, zusters en broeders.

 

De paaszaterdag, die nu overgaat in paaszondag, is een beetje lege dag. Alles is voorbij: Jezus’ intocht in Jeruzalem, zijn laatste avondmaal donderdagavond, waarin Hij als een knecht de voeten waste van zijn leerlingen en Zichzelf aan ons als voedsel gaf; de Goede Vrijdag, zijn bittere lijden en sterven aan het kruis.

Zijn eenvoudige begrafenis. Die wél met liefde is gedaan. Zijn vrienden, zijn moeder hadden zijn gestorven lichaam teruggekregen. Dat was de enige troost. Sinds de dood van mijn beste vriend twee jaar geleden weet ik hoe belangrijk dat is, om echt, met geduld en zorg afscheid te kunnen nemen van het lichaam van je geliefde, je vrouw of man, je vader of moeder, je broer of zus. Of van je kind. Zoals Maria dat moest doen. Zij had het gestorven lichaam van haar Zoon teruggekregen, de Moeder van Smarten. Dat beeld grijpt ons altijd aan. Het beroemdste beeld van dit smartelijk tafereel is de pietà in de Sint Pieter te Rome, meteen rechts in de eerste zijkapel van het kerkschip.

 

Paaszaterdag is de dag om terug te zien. Je merkt dat tegenwoordig vaak tijdens uitvaartdiensten, dat wij soms niet verder komen dan terugzien op wat geweest is. Begrijpelijk, want wat hebben wij mensen, zeker als je ouder wordt, veel verleden. Toen ik hier gisteravond in het middenpad neerknielde voor het kruis en het een tijdje stil bleef, zoals dat hoort op Goede Vrijdag, moest ik denken aan zoveel mensen van wie wij hier afscheid hebben genomen, hun gestorven lichaam in datzelfde middelpad opgebaard. Al die gezichten van mensen die ik ooit bezocht heb, gesproken, gezalfd heb.

 

Paaszaterdag is de dag van stil terugzien. De sabbat. De bijbel kijkt ook terug vanavond. De eerste lezing helemaal naar het begin, de eerste dag, het eerste licht. Zo begon ook onze paaswake, met licht. De kerk was duister, deed denken aan de tijd vóór de schepping, toen alles nog duister; deed denken aan het duistere graf van Jezus. Dat zitten wij als het ware in. De kerk was duister, stil, Jezus is er niet. Het tabernakel is leeg en wij waren zo leeg, zo stil mogelijk. En toen klonk de stem van de diaken: “Licht van Christus”. Heer, wij danken U. ‘Er moet licht komen’, sprak God helemaal in het begin. Het is toch geen leven in het donker. Toen volgden zes dagen van scheppen, leven tegen de duisternis, de chaos in. En dan is God moe. Het is de zevende dag. God rustte op de zevende dag, de sabbat. De joodse mensen doen dat nog steeds op zaterdag, de sabbat. Moe zijn wij mensen na een week scheppen, werken, zorgen, rennen en draven. Wij christenen vieren de eerste dag van de week. Hoor maar: “Op de eerste dag van de week, heel vroeg, toen de zon juist op was, gingen de vrouwen naar het graf”.

 

Paaszaterdag is de sabbat, de dag van stil terugzien. De protestantse christenen noemen deze dag ook wel: stille zaterdag. Vandaag heb ik het eens geprobeerd. Geen radio, geen teevee, geen internet. De boodschappen had ik al in huis gehaald. Stille zaterdag. Met God proberen rust te vinden, terug te zien op alles wat is gebeurd.

 

In de tweede lezing hoorden wij nog meer van alles wat is gebeurd. Wij hoorden het verhaal van de uittocht van de Israëlieten, de voorouders van Jezus, uit Egypte. Daar waren zij onderdrukt, vernederd, uitgebuit als goedkope arbeidskrachten, zoals bij ons -tot onze schande- ook wel gebeurt: mensen uit het buitenland zonder goede papieren die weerloos zijn en genadeloos worden uitgebuit, hard moeten werken tegen veel te lage lonen, wonend in slechte omstandigheden. We hoorden dat God bevrijding wil. Mozes moet het volk voorgaan, door het water. Er leek geen uitweg. Soms denk je dat je geen kant uit kunt, maar wie durft, wie zijn nek durft uit te steken, wie het lef heeft niet alles bij het oude te laten, zich te laten opsluiten in het graf van voorbij, die zal een uitweg zien, zoals toen de Israëlieten. Eindelijk onderweg naar een bevrijd land: ‘This Land is mine. This lovely Land’. Heerlijk.

 

Uittocht. Paaszaterdag is de dag van stil, rustig terugzien.

Maar we moeten verder.

Langzamerhand beleven wij nu de eerste dag van de week, een nieuw begin, een nieuwe schepping. De verdrietige vrouwen zijn vroeg opgestaan, hun huis uitgegaan, zoals wij. “Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?” Wie zal heel die last van het verleden, al dat terugdenken en tobben, rouwen en zorgen, van ons wegrollen?

Het evangelie wrijft het er nog eens in: “En deze steen was zeer groot”.

 

Vanavond zegt de engel ons, zegt God ons:

Jezus is verrezen, Hij is niet hier. God heeft beweging gebracht in die zware steen die op ons leven ligt en ons neerdrukt, deprimeert. Je mag weer in het heden leven en naar de toekomst kijken. Daar zul je Hem zien. “Hij gaat u voor naar Galilea”.

 

Vanavond ontvangen twee volwassen vrouwen, Caroll en Natalie, het heilig doopsel, het vormsel en de eerste heilige Communie.

Caroll en Natalie, jullie gedragen je een beetje zoals die vrouwen uit het evangelie. Jullie zijn opgestaan, je huis uitgegaan en op zoek gegaan naar Jezus. Daar zijn jullie al lang mee bezig. Steeds opnieuw hebben jullie Hem gezocht, over Hem gelezen, over Hem gepraat en samen met Hem en tot Hem gebeden. Nu gaat Hij jullie voor naar de toekomst, naar het leven, het nieuwe eeuwige leven, dat Jezus ons geeft door zijn verrijzenis, door het heilig Doopsel, het Vormsel en de heilige Eucharistie en de Communie. Zoals ooit de Israëlieten gaan wij vanavond óók door het water. Eerst jullie beiden, de dopelingen en de kinderen uit jullie familie, die gedoopt gaan worden, Rochano (al groot) en Al-jarreau, Shennequille en Ki-mani.

Een daarna vernieuwen wij allemaal ons doopsel, als het water op ons neerdaalt. Door het water naar een nieuw leven, een eeuwig vaderland, waar wij Hem zullen zien zoals Hij ons gezegd heeft. Amen.

 

 

------------------------------------------------

[1] Genesis 1,1 - 2,2; Exodus 14,15 - 15,1; Marcus 16, 1-8


Verkondiging Witte Donderdag, 29 maart 2018[1]

 

Het uur is gekomen

 

Gisteravond spoedde ik mij in de avondspits naar Amsterdam-Zuid, waar ik een collega-priester zou ophalen, om samen met hem naar Haarlem te rijden, naar onze kathedraal aan de Leidsevaart, voor de Chrismamis, de jaarlijkse Oliewijding, een zeer plechtige eucharistieviering, waarin onze bisschop de heilige Oliën zegent en wijdt, die vanaf Pasen gebruikt worden bij de viering van de sacramenten: het heilig Chrisma voor de doop, het vormsel, de priesterwijding; de olie van de zieken voor de ziekenzalving, en de olie van de geloofsleerlingen. Het is de bedoeling dat alle priesters en diakens in het bisdom die avond daarbij aanwezig te zijn, om met hun bisschop te concelebreren en om de geloften die zij bij hun priester- en diakenwijding hebben uitgesproken te hernieuwen.

 

Een grote plechtigheid,die ik 27 jaar lang heb bijgewoond. Mooi en betekenisvol vind ik het om erbij te zijn.

Er zijn vele zogenaamd gewone gelovigen, vrouwen, mannen, kinderen, jong en oud. Ook wij van hier gaan wel eens met vormelingen of volwassen dopelingen. Maar wij, de priesters en diakens, wij lopen het meest in het oog, allemaal in liturgisch gewaad gekleed. Zelfs het enorme priesterkoor van de kathedraal is te klein. Een zee, een korps van mannen, die een enorme kring vormen. Begrijpt u mij goed, ik ben van harte priester en ik zie mijn bisschop en mijn collega’s graag.

 

Maar gisteravond mocht het niet zo zijn. Een minuut nadat mijn collega in Amsterdam-Zuid was ingestapt belandden wij in de file, nog voordat wij de ringweg konden bereiken. Na meer dan een half uur totale stilstand stelden wij vast dat het een zinloze onderneming was geworden en besloten wij  -zodra dat mogelijk was - rechtsomkeert te maken. Zo maakte ik voor de eerste keer in 28 jaar de Oliewijding niet mee, hernieuwde ik mijn geloften niet en heb ik ook de heilige Oliën nog niet.

Enkele attente parochianen uit Zuid hebben ze na de plechtigheid afgehaald en zullen ze deze dagen komen brengen, nog vóór de paaswake, waarin de dopelingen en vormelingen van dit paasfeest gezalfd zullen worden.

 

Mijn collega en ik gingen naar zijn pastorie en hebben samen koffie gedronken en daarna - ook al is het Vasten - een bescheiden glas wijn, zoals de bisschop dat ook altijd na de Oliewijding schenkt. Wij spraken over het priesterschap, waarvan de instelling door Jezus aan de tafel van het laatste avondmaal vanavond wordt herdacht. We spraken over die mannenwereld van de priesters, over het alleen zijn van elke priester, nu er niet meer op elke pastorie twee, drie of vier wonen. We spraken over onze band met de bisschop, die in ons midden de plaats bekleedt van Christus. En over elke priester die in de plaatselijke parochie moet duiden op Christus en zijn woorden, zijn gebaren, zijn daden present moet stellen.

 

Zo’n daad van Christus is de voetwassing. Eenmaal maar heeft Hij die verricht, en wel in de laatste avond van zijn leven, in hét uur van zijn leven. “Jezus die wist dat zijn uur gekomen was…gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe”.

Dit uur dus.

 

Op ditzelfde uur wast paus Franciscus, de plaatsbekleder van Christus, de voeten van twaalf gedetineerden in de gevangenis van de stad Rome. Hij wast de voeten van acht katholieke gevangenen, de voeten van twee moslims, van een boeddhist en van een orthodoxe christen.

 

Het is bekend dat nogal wat hoge heren geestelijken in en buiten Rome dit niks vinden: dat de paus óók voeten wast van vrouwen en van niet-katholieken, ja zelfs van moslims. Wat bezielt die man? Ja, wat bezielt Jezus en zijn plaatsbekleder op aarde, een Argentijnse man van 81 jaar, die in dit uur door zijn stramme knieën gaat en voeten wast van veroordeelde misdadigers, mannen en vrouwen van allerlei slag, allooi en godsdienst?

 

“Toen zei Petrus: ‘Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen’”.

Petrus had liever carrière gemaakt. Hij had willen zijn wat niet weinige van zijn opvolgers, de pausen, werkelijk zijn geweest: wereldse machthebber. Hij wilde zijn wat priesters en andere heren geestelijken niet zelden ook geworden zijn: wereldse mensen met aanzien en status, residerend in fraaie panden.

Maar in zijn uur gekomen, laat Jezus zien wie Hij werkelijk is. Hij legt zijn bovenkleed, zijn waardigheid, zijn goddelijke status af en gaat als een dienstknecht door de knieën. De Heer wordt knecht van de dienaren.

 

Paus Franciscus geeft ons vanavond het voorbeeld. Niet in één van de voorname Romeinse basilieken van Rome wast hij de voeten van twaalf geselecteerde mannelijke geestelijken, maar in een gevangeniskapel knielt hij neer voor mensen die geïsoleerd zijn uit de samenleving.

 

“Als gij u niet door Mij laat wassen kunt gij mijn deelgenoot niet zijn”.

Ook wij zijn, zoals de kinderen van Israël, in de avondschemering bijeen. We hoeven niet bang te zijn. Pasen is begonnen. “Als ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbijgaan”. Door het bloed van Jezus gaat de engel van de dood gaat ons voorbij. Met Jezus staan wij - neerknielend- op tot een nieuwe manier van leven. Niet langer dromend van aanzien, uitstraling van macht en welvaart. Maar bevrijd van dit bovenkleed van schijn, leugen, macht en vertoon. Vrij geworden voor de dienstbaarheid.

 

Vanavond wordt de verheven Heer een dienaar, vanavond geeft Hij Zichzelf als Brood, als voedsel op onze levensreis, vanavond schenkt Hij Zichzelf als bloed dat ons redt van de dood.

 

Hij heeft ons een voorbeeld gegeven opdat wij zouden doen zoals Hij ons gedaan heeft.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Exodus 12, 1-8. 11-14; 1 Korintiërs 11, 23-26; Johannes 13, 1-15


Verkondiging in de Nieuwe Augustinus, 25 maart 2018, PALMZONDAG[1]

 

Kostbare balsem

 

“Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?”

vroeg de hogepriester aan Jezus.

“Ja, dat ben Ik.”

Dit antwoord van Jezus wordt het motief om Jezus uit te leveren aan de burgerlijke overheid, Pontius Pilatus, de landvoogd namens de Romeinse keizer, en om aan te dringen op de Kruisdood.

Wat een vraag, daar zit alles in: “Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?”

 

De Zoon van de Gezegende.

Eigenlijk is het een buitenlander, een Romein, die aan de voet van het kruis het antwoord geeft: “De honderdman, die tegenover Jezus post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven, riep uit: ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.’”

 

De Christus, dat is Grieks voor: de Messias, de Gezalfde.

Jezus was volgens ons evangelie van Marcus heel voorzichtig met deze titel, de Christus, de Gezalfde. Mensen zouden Hem als koning op de troon kunnen zetten, zoals ze ook wel een beetje deden op deze dag van de intocht in Jeruzalem. “Hosanna, filio David”. Hosanna, Zoon van David, gezegend de komende in de naam van de Heer”.

 

Eén persoon in het verhaal van Jezus’ lijden had het al gezien en beleefd. “Zijn brak het vaasje met echte, zeer dure nardusbalsem stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd.”

Zij was de enige die peilde wie Jezus was. De andere genodigden aan de tafel van Simon de Melaatse in Betanië konden alleen maar aan geld denken. “Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig…we hadden de opbrengst ervan aan de armen kunnen geven”. Wat een liefde voor de armen opeens. Ze noemen de zalving van Jezus verkwisting. Dit ene tedere gebaar van deze vrouw, wat koop je ervoor? Nee, liefde, tederheid, de ander verzorgen, zalven, aanvoelen, -daar koop je niets voor. Want het is genade, het is onbetaalbaar. Die vrouw van wie wij de naam niet kennen, maar die door Marcus en door Jezus is vereeuwigd, is al de nieuwe, verloste wereld van Pasen binnengetreden. Leven en liefde kun je niet kopen, becijferen, ook al doen wij rationele mensen verwoede pogingen. Zelfs de tedere zorg voor ouderen, zieken en stervenden wordt becijferd, tot achter de komma. Waar is die overvloed aan zorg, aan zalving voor nodig?

 

“Waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft”.

Zij heeft Jezus gezalfd, zij heeft aangeduid wie de Christus is. Eindelijk, nadat er in het hele evangelie op bevel van Jezus over gezwegen moest worden, mag het openlijk aangeduid, gevierd worden, door deze vrouw die de zalving toedient aan Jezus.

 

Met dit gebaar houdt alle tederheid en overvloedige liefde op. De vrouwen komen pas weer ter sprake als Jezus al gestorven is. We hoorden het: “Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken…Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef gevolgd om voor Hem te zorgen”. U hoort het goed: het apostolisch gezelschap bestond ook uit vrouwen, die hun hebben en houden in Galilea achter zich hadden gelaten om Jezus te volgen en wat meer is: Hem te verzorgen.

 

Maar de mannen beheersen het verhaal. De hogepriester, de autoriteiten in het Sanhedrin: zij jutten het volk op. Dan zijn er de soldaten. Ze bespotten Jezus.

En de apostelen, die afstand nemen van hun Heer Jezus.  Begrijpelijk, voor hun eigen veiligheid! Dat horen wij ook altijd. De veiligheid van de mannen gaat voor alles. Nogmaals, begrijpelijk.

Vrijdag, ja de afgelopen vrijdag in de passietijd, hoorden we opeens van een gendarme in Zuid-Frankrijk: pas voor de wet getrouwd met zijn geliefde. Hij zou begin juni met haar hun kerkelijk huwelijk vieren. Hij koos voor de veiligheid van weerloze, ongewapende medemensen, en bood zichzelf aan, om in hun plaats gegijzeld te worden. Hij keek niet op een afstand toe. Plaatsvervangend onderging hij zijn lijden op een vrijdagmiddag. En later stierf hij.

 

De apostelen namen wel afstand.

Of toch, één man lijkt Jezus te volgen, bij Hem te willen en te durven blijven in het uur van zijn lijden en dood. Maar ook hij kiest er uiteindelijk toch voor het vege, ja het naakte lijf te redden. Een treffend beeld van de kerkgemeenschap van Jezus, naakt wegvluchtend.

 

Waar blijf ik?

Van nabij volgen wij Jezus deze Goede Week. Vanaf donderdagavond worden we uitgenodigd elke van de drie dagen van Pasen naar de kerk te komen. Om mensen te leren worden die niet op een afstand toekijken, comfortabel in ons eigen wereldje, zoals die leerlingen die vonden dat het wel een beetje minder kon; om mensen te worden die de kostbare balsem van de zorg, de liefde, de menselijke nabijheid, de tederheid overvloedig laten stromen. Amen.          

 

N. van der Peet

---------------------

[1] Marcus 14, 1 - 15, 47


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 3/4 maart 2018.

                      Derde zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

 

De tempel van zijn Lichaam

 

 

GEBED

 

God, van U komt alle barmhartigheid en goedheid.

U hebt ons getoond dat we genezing kunnen vinden van alle zonden in vasten, gebed en in vrijgevigheid. Zie naar onze menselijke zwakheid en onze bereidheid ons te bekeren. Richt ons weer op in uw barmhartigheid. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon….

 

 

VERKONDIGING

 

Zusters en broeders, toen de jonge pater augustijn, de Duitse kloosterling Maarten Luther voor de eerste keer naar Rome reisde bonsde zijn hart van opwinding. Eindelijk zou hij de eeuwige stad zijn, de grote basilieken, bij de graven van de apostelen Petrus en Paulus neerknielen, daar in het hart van de kerk. Een tijd na dit gedenkwaardige bezoek dat plaatsvond in de ergens in de eerste jaren van de zestiende eeuw, gaf Luther schriftelijk lucht aan zijn diepe ontgoocheling en teleurstelling. Hij had een stad in verval aangetroffen. De oude sint Pieter was men aan het afbreken en men zamelde geld in voor de nieuwe. Geen middel werd geschuwd. Zelfs Gods vergeving werd voor geld verkocht. Van het het huis van God was een markthal gemaakt. Heel de wereld is marktplaats geworden, alles is te koop, ook zo’n intiem en kwetsbaar levensgebied als de godsdienst. Hij trof een stad vol beelden, zichtbare beelden, maar ook een godsbeeld, een voorstelling van God waarvan hij een grote afkeer had. Een toornige God die Zich door het geven van geld liet bedaren. Geld waarmee de kerk van die dagen haar megalomane zelfbeeld kon verwerkelijken.

 

Op onze weg naar Pasen moeten vandaag de oude beelden eraan geloven.

In de eerste lezing hoorden wij de tien geboden, die de onzichtbare God, die alleen maar is te horen in zijn Woord, aan zijn volk heeft gegeven tijdens de woestijntocht, vanaf de berg Sinaï. “Gij zult geen godenbeelden maken.”

Daar was de wereld vol van. Egypte, waar het volk zich had moeten neerbuigen voor de god-koning, de farao, was vol godenbeelden. Nu waren ze ontsnapt aan dat slavenhuis. In de woestijn was leegte. Geen beeld te zien. Ze moesten afkicken van al die beelden, een mensenleven lang. Verlost van al die beelden, heel die versteende dodengalerij, die cultuur van de dood met haar enorme piramiden-mausolea. Als alle godsbeelden die in u en mij misschien ook wel leven, van hun voetstuk zijn gevallen, wat blijft er dan over; waaraan kan ik mij dan nog vasthouden?

De tien geboden beginnen met een mooi zinnetje. Het is niet meteen: Gij zult, gij moet, gij dient, maar zo begint het: “Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis”. Alle geboden, alle regels zijn er om u en mij weg te leiden uit Egypte, uit het slavenhuis, uit de verslaving, de onvrijheid.

 

Twee soorten geboden. Eerst zijn er de geboden die te maken hebben met onze band met God. Geen afgodsbeelden, de Naam van God eer aandoen en de sabbat onderhouden. Ga niet onder in jouw eigen plannen en agenda. Neem tijd voor God, zijn Woord, zijn Sacrament. Ga niet pas naar de kerk als alle andere agendapunten zijn afgewerkt, geef prioriteit aan God, zijn huis, de ontmoeting met Hem en zijn Lichaam, de kerkgemeenschap.

 

De overige geboden regelen onze relatie tot andere mensen. ‘Eer uw vader en uw moeder’. Weet wie jou het leven gaven. Zie de ouderen niet als een last, een kostenpost, maar als een bron van leven, ervaring, een aanleiding tot dankbaarheid: zij hebben je het leven doorgegeven en voorgeleefd. Daarna de andere sociale geboden: je zult niet doden, niet aan de geliefde van de ander komen en ook niet aan haar of zijn bezittingen.

Een God die je niet kunt zien, maar wel kunt horen in zijn bevrijdende woorden.

 

Een God die je kunt ontmoeten in zijn mens-geworden woord.

Het leven van Jezus was één reis naar Jeruzalem.

Ook zijn hart moeten gebonsd hebben van opwinding. Eindelijk zou Hij de stad zien, waar Hij als twaalfjarige even was achtergebleven na de bedevaart, tot schrik van zijn ouders. In de tempel had Hij de schriftgeleerden versteld doen staan door zijn vragen, zijn antwoorden[2]. Want daarover gaat het in het geloof, in de godsdienst: dat uw en mijn vragen gesteld mogen worden, ook als je beseft dat je niet altijd meteen een antwoord kunt vinden. Soms is wat je meemaakt, wat je overkomt onbegrijpelijk. Soms is het leven zelf onbegrijpelijk. Jozef en Maria stonden versteld van hun Kind en Maria moest het meest onbegrijpelijke meemaken, de gewelddadige dood van haar Kind. Als Twaalfjarige was Hij in de tempel geweest. Vanaf dat moment wist Hij, zo zeker als een mensenkind kan weten, dáár moet Ik zijn: in het Huis van mijn Vader. “Wist u dan niet”, had Hij tegen Maria en Jozef gezegd, “dat Ik in het Huis van mijn Vader moest zijn?”. “Maar zij begrepen niet wat Hij daarmee bedoelde”. Jezus was mee terug gegaan naar Nazareth. Zoals een puber dat kan doen, met lood in de schoenen. Er staat: “Hij ging met hen mee naar Nazareth, en schikte Zich naar hen”. Maar nu was Hij volwassen. “Jezus werd een wijs en volwassen man, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen”. Die man ging nu geheel zelfstandig met bonzend hart op naar Jeruzalem.

 

Het werd een bittere teleurstelling. Waaraan de kinderogen zich hadden vergaapt, deed pijn aan de ogen en het hart van de volwassen man. Hij zag hoe men daar aan het verkopen was en geld zat te wisselen. De stad als markt. De tempel als marktplaats. Het gaat altijd maar over geld. Het economisch gepraat in de kerkelijke wereld is niet van de lucht en is niet om aan te horen. U wordt er ook hier mee lastig gevallen. Niet weinige uren van mijn weektaak moet ik me wijden aan materie, aan gebouwen, aan geld. Natuurlijk, alles ten dienste van geestelijke, menselijke zaken, in het perspectief van de geloofsbeleving, de eer van God en het heil van mensen. Maar toch. Money makes the world, the church go round.

 

Jezus legt er de zweep over.

Is dat niet wereldvreemd? Zonder geld heeft de tempel toch geen toekomst? Ja, dat is wereldvreemd en dat horen we ook wel te zijn. De tempel, de kerk moet niet werelds worden. Het gaat hier niet om een verdienmodel, het gaat niet om verdiensten, maar om geloof. Natuurlijk, het moet om de tempel gaan. Die moet blijven bestaan. Maar op de eerste plaats moet het gaan “over de tempel van zijn lichaam”. Daarover wilde Jezus spreken. “Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam”. Daarin moet het gebeuren. Het gaat in de godsdienst om de mens. Die moet niet worden opgeofferd aan de markt, aan het geld, de handel. God wil wonen in de mensen. Wij zijn zijn tempel. In ons wil Hij leven, met ons gaat Hij ten onder in de dood. Als eerste van ons staat Hij na drie dagen op. Laten wij Hem -verlost als we zijn uit de verslaving, het diensthuis, de onvrijheid- volgen naar het eeuwig Jeruzalem, Stad van vrede, -naar Pasen, naar de verrijzenis tot nieuw en eeuwig leven. Amen.

 

--------------------------------------------------

[1] Exodus 20, 1-17; 1Korintiërs 2, 13-25; Johannes 2, 13-25

[2] Zie Lucas 2, 41-52