Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1/2 december 2018

                      eerste zondag van de Advent

 

Stand houden

 

“Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven”.

Afgestompt raken, dat betekent je scherpte verliezen.

Deze week, van maandag tot op de vrijdag was ik op retraite, zoals vrijwel elk jaar in de laatste week van het liturgisch jaar, in een Vlaamse abdij. Met twee zusters-religieuzen, een diaken, negen priesters een een hulpbisschop. Laatstgenoemde hield tweemaal daags een conferentie, een overweging, die hij ons meegaf als richting voor onze gedachten, meditatie, gebed.

Daarvoor is zo’n retraite onder andere, dat je niet afgestompt raakt door de roes die zich aandient, door de zorgen van het leven.

 

Meer dan ooit was deze retraite voor mij een stevige oefening, een grote inspanning, geestelijk vooral. Lichamelijk maak ik er altijd een flinke inspanning van door grote wandelingen te maken door het prachtige bos in De Kempen, waar het klooster ligt. Lange wandelingen in het deze week meestal druilerige, duistere bos onder een zwaarbewolkte hemel en aan het einde van de week in het late licht van de lage zon. Allebei de stemmingen vind ik heel mooi, passend bij het einde van het liturgisch jaar, de tijd van de voltooiing, de stille hoop en verwachting.

 

Maar bovenal was deze retraite een geestelijke oefening, inspanning. De hulpbisschop die ons toesprak was -naar mijn aanvoelen- nogal terneergedrukt door de zorgen van het leven, om met het evangelie te spreken. Hij noemde zichzelf een hoopvolle pessimist. Maar ik hoorde in zijn woorden en ik zag in zijn houding, zijn oogopslag vooral pessimisme. De hoop kreeg naar mijn indruk amper de kans om door kieren van de zorgen met zijn licht binnen te dringen. Meer dan ooit waren deze dagen van afzondering, bezinning en gebed een geestelijke inspanning tegen het gewicht van de zorgen.

 

Nu begrijp ik zo’n bisschop wel. Meer dan wij, gewone gelovigen, draagt hij de zorg voor de toekomst van de kerkgemeenschap, haar gebouwen, haar pastores, haar naam en faam en het verlies daarvan, het doorgeven van het oude geloof aan een nieuwe generatie.

 

Wees daarom altijd waakzaam…dat je stand mag houden voor het aangezicht van de Mensenzoon.

Stand houden. Daarover gaat het in de Advent. Voor het aangezicht van de Mensenzoon. Dat is een hele inspanning. Ik hoorde dat deze week ook van sommige medepriesters over de terugloop van hun parochie, op het platteland nog meer dan in onze stadsparochies, om hun ambtsuitoefening waarin zij zoveel teleurstelling ervaren.

Jezus, die Zelf heel veel teleurstelling en afwijzing heeft moeten ervaren, vraagt van u en van mij, dat u, dat ik blijf zoeken naar het zijn aangezicht, naar het gelaat van Christus. Ad te levavi, heet deze eerste adventszondag vanouds; Tot u, Heer, richt ik mijn geest.

 

Stand houden. In onze dagen zeggen we vaak: je moet gefocust blijven, je niet laten afbrengen van jouw doel, van degene die je zoekt. Zoals je ook mag blijven proberen in je huwelijk, je relatie: ondanks de roes en de zorgen van het leven het gelaat, het hart van de ander blijven zoeken.

In het leven van de christen staat de zoektocht naar de naaste, naar God en naar het aangezicht van de Mensenzoon, van Jezus centraal. Vooral in de advent, waarin wij ons voorbereiden op de ontmoeting met Jezus die in onze wereld komt. Wij hoorden: Hij vraagt waakzaamheid van ons, opdat wij in staat mogen zijn te ontkomen aan al de dingen die zich gaan voltrekken.

 

Die arme hulpbisschop die ons deze week elke dag twee keer toesprak, was heel bezorgd over alles wat zich voltrekt in de wereld en in de kerk. Hij was nauwelijks in staat hoopvol te zijn.

Eerst maakte het me een beetje boos. Met een goed bevriende deelnemer besprak ik mijn plan met de man in gesprek te gaan onder vier ogen, in discussie te gaan. Hij raadde het me af. Hij voorzag dat hij krachtig in de verdediging zou gaan en zich nog meer zou terugtrekken in zijn gepantserd pessimisme. Later in de week gingen mijn ogen en oren open voor Jezus’ vraag om waakzaamheid en gebed, om je niet te laten meesleuren door al die bedreigende dingen, maar het gelaat van Jezus te blijven zoeken.

 

Dat is onze roeping, daarom nodigt de advent ons uit. We kunnen deze dagen leren van de kinderen die vol hoop zijn om de komst van sint Nicolaas, die vol verwachting zijn in deze donkere dagen, gefocust op de goedheiligman.

Laten wij onze geest scherpen, niet afstompen door welke roes en overbezorgdheid ook, maar vol goede moed Christus zoeken en navolgen, die ons op het Kerstfeest wil ontmoeten. Amen.

 

N. van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 4 november 2018

                      31ste zondag door het jaar[1]

 

Een hart dat luistert

 

GEBED

 

Almachtige God, in de liefde tot U en tot de naaste doet U de bron ontspringen van het geluk waartoe wij allen zijn geschapen. Laat uw wet het richtsnoer van ons leven zijn. Leer ons daaruit de wijsheid putten, die wij nodig hebben om te komen tot uw koninkrijk. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Wat is het eerste van alle geboden?”

De schriftgeleerde die aan Jezus deze vraag stelt doet dat vanuit sympathie en bewondering voor Jezus. Hij had eerder naar Jezus geluisterd en was onder de indruk van zijn uitleg van de Wet van Mozes, de Thora.

Daar gaat het om in de godsdienst van Jezus, de godsdienst van Israël, het jodendom, tot op de dag van vandaag. Het gaat om uitleg, overleg, gedachtenwisseling, persoonlijke beleving van de oude woorden en geboden en die beleving met elkaar delen. Door te discussiëren, soms op het scherp van de snede, maar vooral door naar het woord en naar elkaar te luisteren.

 

“Wat is het eerste van alle geboden?”

Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor Israël!”

Alles begint met luisteren.

Aan de oorsprong van ons bestaan staat het luisteren. Het eerste zintuig dat wij gebruiken en ontwikkelen is horen, luisteren. In de schoot van de moeder kan het kind niet zien, niet spreken, maar het kan wel al horen, de harteklop van de moeder, haar liefhebbend hart op de eerste plaats. Daarmee begint ons bestaan. Pas na de geboorte gaat een mensenkind heel langzaam leren zien, eerste heel vaag en onbestemd, dan veel scherper. En daarna komt pas het spreken, gebrabbel, kreetjes, aparte woordjes, korte zinnetjes.

Ons bestaan begint met luisteren.

 

Jezus citeert de oude wet van Mozes: Shema, luister, hoor Israël!

U weet: dat is de dagelijkse geloofsbelijdenis van gelovige joodse mensen.”Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer”.

Pas daarna kun je gaan nadenken en praten over de liefde tot God en de naaste. Wie naar de ander kan luisteren, kan hem of haar ook liefhebben. Wie niet kan horen naar de ander, zoekt bij de ander alleen bevestiging van zichzelf, zijn woorden en meningen, zijn behoeften en lusten. Een relatie waarin niet meer naar het hart, de hoop, het verlangen van de ander geluisterd wordt, heeft geen toekomst. Waar ik alleen nog maar spreek, het hoogste woord, waar ik alleen nog maar uitzend, daar vervreemd ik van de ander, te beginnen met de mens die mij het meest nabij is.

 

Wij zien het misschien heel dichtbij in onze eigen familie- en vriendenkring: de vreugde van een vriendschap, een huwelijk waarin partners werkelijk met elkaar begaan zijn, speuren naar het hart, de gevoelens, de verlangens van de ander.

Maar we zien helaas ook het tegendeel, het zwijgen, de desinteresse, het naast elkaar leven.

Ook in het groot. Ook vanouds heel beschaafde landen zijn steeds meer innerlijk verdeeld geraakt. Verschillende partijen, politieke, religieuze stromingen die niet meer met elkaar overleggen; zo fanatiek overtuigd van het eigen gelijk, de eigen overtuiging en belijdenis, dat de andere groep alleen nog maar bestreden wordt, geminacht, belachelijk gemaakt.

Zelfs in onze eigen wereldkerk lijkt het wel of er verschillende werelden zijn van leven, geloven, zonder de bereidheid naar de ander te luisteren, op zijn minst te informeren wat de ander bezielt. Alle mogelijke media worden hierbij gebruikt. Hoe meer communicatiemiddelen we tot onze beschikking hebben hoe meer we ons opsluiten in de kring van gelijkgezinden.

 

Ook Jezus heeft de gevolgen van de weigering naar elkaar te luisteren moeten dragen. Mensen die zich van Hem afgesloten hadden wilden van Hem af.

Maar in het gesprek dat ons evangelie vertelt gebeurt er iets heel moois. Het gesprek vindt plaats kort na de intocht van Jezus in Jeruzalem, enkele dagen voor zijn lijden en sterven. Hier lijkt een wereld van onderlinge luisterbereidheid en begrip mogelijk te zijn. De schriftgeleerde luistert goed naar Jezus en stemt in met zijn antwoord. Ook al is Jezus’ antwoord heel wonderlijk. Hem was gevraagd naar het eerste van alle geboden. Maar het antwoord van Jezus is tweeledig. Het leven is niet terug te brengen tot één keuze, één opinie, één dogma, één waarheid. De grondwaarheid is: luister naar God en naar de ander.

Die grondwaarheid van het luisteren naar het hart, het verlangen van de ander, breng je in praktijk door de Heer met alles wat in je is lief te hebben, voor Hem te kiezen boven alle machten die zich groot maken in deze wereld en die zichzelf aan je opleggen.

En je naaste lief te hebben, te zoeken, naar hem/haar te luisteren, zoals je zelf zou willen worden gehoord en bemind.

Dat luisteren en liefhebben, houdt de schriftgeleerde ons met instemming van Jezus voor, dat beminnen en naar de ander horen, gaat boven alle brand- en slachtoffers, boven alle cadeau’s met andere woorden die wij de ander of God zouden kunnen geven.

Het enige geschenk dat ertoe doet, is voor God en onze naaste een liefhebbend hart te hebben dat luistert. Amen.

 

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 6, 2-6; Hebreeën 7, 23-28; Marcus 12, 28b-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Hoogfeest van Kerkwijding,

                      13/14 oktober 2018[1]

 

God te gast

 

GEBED

 

Heer, ieder jaar herdenken wij de dag waarop deze kerk aan U werd toegewijd. Verhoor het gebed van uw volk: laat ons op deze plaats U steeds in geest en waarheid dienen en uw verlossing in overvloed ontvangen. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

De jonge koning Salomo beleeft de dag van zijn leven. Zijn grote bouwproject is voltooid. Zijn tempel is klaar, staat te blinken van nieuwheid in de zon van het Midden-Oosten, hoog op de berg Sion in Jeruzalem. “Hoe verblijd was ik toen zij mij zeiden: wij gaan op naar het huis van de Heer”.

 

Zijn vader David had de tempel al willen bouwen. Maar hij mocht het niet. Hij had te veel oorlog gevoerd, te veel bloed aan zijn handen. David had zich erbij neer gelegd. Hij zag in dat beter een volgende generatie dit heilige werk kon doen. Een mens moet zijn grenzen kennen.

Salomo, zijn zoon, zijn opvolger op de troon, mocht dit enorme bouwproject ter hand nemen. Wat is bouwen toch heerlijk, ook als het verbouwen is, renoveren. Nu eindelijk één huis waarin ruimte is voor het heilige, voor dé Heilige, voor God.

 

Wij, parochianen van deze Nieuwe Augustinus, kunnen erover meepraten. Na lange voorbereidingen mochten wij dit huis van steen en woord opnieuw opbouwen, vernieuwen. Bestuursleden, vrijwilligers, wij allen hebben meegedacht, meegebeden, naar de voltooiing uitgezien en dezer dagen precies vier geleden is de bisschop gekomen om dit huis te consacreren, toe te wijden aan de liturgie, aan het samen komen van ons als levende stenen.

 

Het werk was voltooid. Maar het huis is nooit helemaal af. Er is altijd nog iets te wensen. Op de eerste plaats natuurlijk dat deze kerk goed gevuld zal zijn. Een van onze kerkgangers stelde in het afgelopen jaar vast dat iets belangrijks aan ons kerkgebouw ontbrak: een luidklok, die ons samenroept, ons vermaant niet rustig thuis te blijven, maar ons huis uit te komen, onze comfortzõne te verlaten en naar Gods huis te gaan op zondagmorgen of zaterdagavond; om op te roepen tot doop, vormsel, huwelijk; en om onze geliefde doden uit te luiden, op hun laatste tocht van deze kerk, waar zij ooit als kind voor de doop voor de eerste keer binnengedragen werd, naar graf of crematie. Zo’n luidklok hadden we nog niet. Vandaag (morgen) zal die worden gezegend en voor de eerste keer klinken, dadelijk.

 

Het huis is nooit af. Aan het huis van onze kerk moet steeds gewerkt worden, opgeknapt, verfraaid, versierd, zoals nu ook weer met mooie bloemschikking. Gevuld vooral met mensen, levende stenen. Vandaag (morgen) met gelovigen die zich voorbereiden op hun huwelijk en in de weg daarnaartoe vandaag -met toestemming van de bisschop- het heilig Vormsel zullen ontvangen.

Het huis is nooit af. Het huis van de kerk is een beeld van onszelf. Ook wij mensen -u en ik- zijn nooit af.

Gods Geest is in ons aan het werk, om ons leven op te bouwen, te renoveren, te verfraaien, om van ons innerlijk, ons hart steeds meer een woonplaats te maken van echte menselijkheid; om ons op een goed of beter spoor te brengen; ons àf te brengen van wat ons ongelukkig, onvrij, verslaafd maakt.

 

Salomo,  de koning, is enorm blij met zijn tempel, gebouwd vlak naast zijn paleis. Hij wil de onzichtbare God dichtbij zich hebben. God als buurman.

Maar wanneer die schitterende tempel dan baadt in de zon en de koning zijn handen opheft naar de hemel, dan duizelt het hem: “Maar, zou U, God, werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten! Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb?”

 

Zou God werkelijk op aarde wonen? Komt Hij werkelijk zo dichtbij de mensen?

Het evangelie van het Kerkwijdingsfeest vertelt ons het verhaal van Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen. Een man van het geld. Hij heeft een hoge baan. Hij int de belasting voor de bezetter. Hij heeft alles, maar is eigenlijk nergens meer. Hij woont in Jericho. Die stad is de laatste halteplaats op weg naar Jeruzalem, naar de tempel, het huis van God. Maar Zacheüs leeft innerlijk ver van de tempel, een unheimisch bestaan, ver van de mensen, ver van God. Niemand wil het huis van deze overloper, meeloper, afperser betreden. Een rijk, maar eenzaam bestaan.

 

Totdat Jezus, onderweg naar Jeruzalem zoekend naar een plek om ontvangen te worden in de oasestad, na een lange tocht door woestijnachtig gebied, hem ziet: de letterlijk en figuurlijk kleine, armetierige man, die in een vijgenboom is geklommen, om Jezus te zien en tegelijk zich verborgen heeft -net als Adam- van schaamte achter de grote vijgenbladeren.

“Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn”. Ongehoord: Jezus gaat eten bij een zondaar. De oppassende burgers morren: “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”.

 

Jezus neemt de zondaar, de afperser zoals hij is. Hij hoeft niet eerst volmaakt te worden. De maaltijd met Jezus, aan zijn tafel, zijn altaar, is geen beloning voor de volmaakten, maar een geneesmiddel voor de mensen die er nog niet zijn, aan wie nog iets mankeert, die nog moeten werken aan zichzelf, hun leven, zoals u en ik.

 

Zacheüs, die het heel hoog zocht, hoog in de vijgenboom, moet afdalen, naar Jezus, de Zoon van God, die met beide benen op onze aarde is komen staan, om ons op te tillen uit onze ellende, onze kleinheid, onze menselijke zondigheid, ja uit onze sterfelijkheid. In Jezus is God op aarde komen wonen. Hij wil bij ons te gast zijn. Hij vraagt ons onderdak. Hij zoekt een plek, een huis om ons te ontmoeten. Hij klopt bij ons aan door de vraag van de bekeerling, de vreemdeling, de weduwe, de wees, de eenzame, de zieke, de arme. Hij is gekomen - hoe u en ik ook zijn - om met ons maaltijd te houden, om ons te zoeken, en om te redden wat verloren was.

Amen.

 

------------------------------------------------------

[1] 1 Koningen 8, 22-23. 27-30; Efeziërs 2, 19-22; Lucas 19, 1-10


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 7 oktober 2018

                      27ste zondag door het jaar

 

En dit Geheim is groot

 

 

GEBED

 

Goede God, U hebt ons deze aarde gegeven om daarop in onderlinge verbondenheid te leven. Neem uit ons hart de hardheid weg die mensen van elkaar vervreemdt. Schenk ons de trouw die uw Zoon Jezus, die zijn hart opende voor de mensen, te einde toe, - Hij die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

VERKONDIGING

 

Jezus spreekt over man en vrouw, hoe zij zich verbinden in het huwelijk en Hij spreekt in één adem over de kinderen. “Wie het koninkrijk van God niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.”

 

Over huwelijk en kinderen krijgen, spreekt vandaag de Heilige Schrift.

Vorige week zaterdag stond in het NRC een interview met Antoine Bodar, priester van ons bisdom, ‘de bekendste priester van ons land', schreef de journalist. Het huwelijk kwam even ter sprake. Bodar sprak er met enthousiasme over. Ik deel dat. Met een jong of ook een wat ouder stel toeleven naar de huwelijksviering, ook in de kerk, is ook voor een priester iets heel moois en vreugdevols.

De journaliste vroeg aan Bodar: “maar wat kunt u daar nu over zeggen, als pastor en als predikant; u bent zelf niet getrouwd en hebt geen kinderen?” Ze heeft gelijk. De priester moet bescheiden zijn. Hij heeft de wijsheid en de waarheid niet in pacht. Hij is geen wijsneus en ook geen trotste bezitter van waarheid. Hij moet niet meer en niet minder doen dan getuigen van wat hij van Jezus en de Heilige Schrift geleerd heeft als waarheid en wijsheid.

Jezus, die de waarheid is en de mensgeworden wijsheid van God, wijst ons naar een kind.

 

Het boek Genesis vertelt iets prachtigs over de mens. Hij moet deze wereld niet willen máken, niet naar zijn hand willen zetten. Hij mag de vrouw niet dwingen, bezitten. Met de woorden van Jezus: de hardheid van zijn hart moet verzacht worden.

Hij moet als een kind gaan slapen.

“Toen liet de Heer God de mens in een diepe slaap vallen”.

Het is een heel bijzondere slaap, een slaap waarin veel gebeurt. “Hij geeft het zijn beminden in de slaap”. Er gebeurt iets met de mens, als hij zich durft los te laten. Omdat hij als een kind de greep durft te verliezen, gebeurt er iets als een wonder. “En terwijl hij sliep nam de Heer God één van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats”.

De mens wordt zachter. Hij verliest iets, een rib uit zijn lijf, beeldspraak voor: hij raakt iets van zijn innerlijke hardheid kwijt. In plaats van harde ribben vlees. Het lijf, het hart van de mens wordt opengemaakt. Hij verliest zijn perfecte alleen zijn, zijn lang bewaarde autonomie.

 

Grote geestelijke schrijvers moeten bij deze passage denken aan Jezus, wiens zijde aan het kruis werd doorstoken, geopend: ‘en terstond vloeide er bloed en water uit’. Zij zien daarin het begin van de sacramenten: de doop en de eucharistie. De tweede lezing vandaag spreekt er eigenlijk ook over. “Door Gods genade kwam zijn sterven aan allen ten goede”. De mens die niet wil heersen maar zichzelf wil geven, die brengt pas een nieuwe toekomst voort. Omdat Jezus de doodsslaap sliep aan het Kruis, is er een nieuwe gemeenschap ontstaan. Uit zijn geopend Hart, dat wil zeggen, uit zijn liefde tot het uiterste, de liefde van de Bruidegom, wordt een nieuwe gemeenschap geboren, de kerk, de bruid.

 

Adam, open-gewrongen in zijn slaap, wordt pas zichzelf, vindt pas genezing voor zijn eenzaamheid als er een tegenover is voor hem. In de eerste lezing staat dat de mens een hulp zocht die bij hem paste. Eigenlijk staat daar: de mens zocht een tegenover, aan wie hij zich kon geven, bij wie hij voor de wond van het alleen zijn genezing zou kunnen vinden. “Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen een vlees worden”.

 

Wie zich zelf gebonden, gegeven heeft in een huwelijk, een vriendschapsverbond, of levend in geloften als priester of religieus, is geroepen om te leven met een geopend hart, zoals de eerste Adam en zoals Jezus, wiens hart geopend werd voor ons, opdat wij niet eenzaam hoeven te leven, aan ons eigen, zogenaamd autonome lot overgelaten. Maar ik zie ook alleenstaanden zo leven, helemaal gericht op anderen, op God en zijn Zoon.

 

Tenslotte, Jezus zegt: “Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden”. De priester spreekt deze woorden uit in elke huwelijksviering. Heftige woorden, een prachtige gave, een sacrament, en tegelijk een uitdaging.

We zijn maar mensen. Als christenen zijn wij tot de grootst mogelijke daden van verbondenheid en liefde geroepen. Tot zo’n grote liefde dat het ons duizelt. Liefde tot de dood. Voor minder zijn wij niet voorbestemd. “En dit geheim is groot”, zingt het lied.

We zijn maar mensen. Ons hart mag niet hard zijn als het leven anders loopt; als het ondanks eerlijk pogen niet stand kan houden. Ook die pijn moeten we als kerkgemeenschap, als broeders en zusters van Christus gezamenlijk dragen. Paus Franciscus heeft in de houding van de kerk een belangrijke wending gebracht. Meer dan ooit tevoren toont hij invoelingsvermogen met de mensen die gescheiden zijn geraakt. Ook de kerk mag de hardheid van haar hart, die er ook is geweest, laten verzachten; zij moge in plaats van harde bepantsering een hart van vlees krijgen.

En wij allen voor elkaar: weer onbevangen worden als een kind. ‘Want aan hen die zijn zoals de kinderen behoort het koninkrijk van God’. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 22/23 september 2018

                      25ste zondag door het jaar[1]

 

De ogen van een kind

 

GEBED

 

God, U hebt de liefde tot U en de naaste tot een wet gemaakt die heilig is en alomvattend. Geef dat wij uw geboden onderhouden en tot het eeuwig leven komen. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten”.

 

Jezus is voor alle mensen gekomen. Maar nu moet Hij alle zeilen bij zetten om zijn leerlingen, zijn trouwe volgelingen bij de les te houden, te onderrichten, hen niet kwijt te raken. Zij hebben uit zijn mond woorden gehoord die zij niet begrijpen of zelfs niet willen horen. Woorden over verworpen worden, over lijden, ja zelfs over sterven en over opstaan uit de dood. Ze begrepen van dat laatste helemaal niets. Letterlijk lezen wij een bladzijde eerder: “Waar slaat dat op, opstaan uit de doden?” Je hoort hier de moderne gelovige of niet gelovige aan het woord. Maar dus ook al in Jezus’ tijd werd die vraag gesteld.

 

Jezus moet nu al zijn aandacht besteden aan zijn leerlingen, die altijd dichtbij Hem waren. Hij was gekomen voor alle mensen, maar nu moest Hij ervoor zorgen dat Hij zijn trouwe gelovigen niet verloor. Zij moeten leren omgaan met die duistere en soms onbegrijpelijke kanten van het leven en van het volgen van Jezus. De leerlingen hadden gehoopt op een betrekkelijk rustig leven in de schaduw van de grote Meester. Zij hoopten heimelijk te delen in zijn macht en aanzien. Zonder dat Jezus het kon horen hadden zij een woordenwisseling over de vraag wie de grootste was; wie het beleid zou gaan bepalen. Macht. Daar gaat het over. Waar niet: aan het Binnenhof, in het Witte Huis, ja ook in het klooster, in het Vaticaan, God betere het. Het streven naar macht, naar de grootste invloed kan een gemeenschap verzieken, tot op het bot verdelen. Alles kan goed zijn, kansen volop en dan steekt het de kop op: het gevecht om de macht. Het wordt in onze dagen volop gevoerd in onze wereldwijde kerk. Juist nu de kerk de gelederen zou moeten sluiten, nu eenheid meer dan ooit geboden om het kwaad, de misdaden gepleegd in eigen kring, te overwinnen, en om de kerk te zuiveren, juist nu is de strijd om de macht losgebarsten. Op deze Vredeszondag lijkt de vrede verder weg dan ooit.

 

Jezus moet al zijn energie en tijd gebruiken om zijn leerlingen bijeen te houden, zijn kerkgemeenschap te redden. Wat een strijd is dat wel niet. Hij mag zich niet laten afleiden. Wij beleven ook zulke tijden. Het wordt langzamerhand een beetje trendy om in de meeste bekeken praatprogramma’s te melden dat je het gezelschap van de kerk, van Jezus verlaat. Een politicus, een man van de showbusines en onbekende gelovigen die weggaan, zich laten uitschrijven. Hoe gaan we hiermee om? Schudden we ons hoofd en wenden we ons af? Of nemen wij deze signalen serieus?

Al zijn tijd besteedt Jezus aan zijn twijfelende, redetwistende leerlingen. Hij neemt hen serieus, hun gedachten, hun ergernis, onbegrip. Alle tijd neemt Hij om hen te onderrichten.

 

Waaruit bestaat het onderricht?

Jezus zette een kind in hun midden. Hij omarmde het en sprak tot hen: “Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op”.

Jezus identificeert Zich met een kind.

Hij neemt afstand van de wereld van de volwassenen, van de mensen die zichzelf groot maken, macht nastreven. Hij plaatst het kind in hun midden. Een kind dat alles nog voor zich heeft, dat nog niet is meegesleurd in de strijd, dat nog onbevangen is, open staat voor nieuwe inzichten. We kennen dat gevoel misschien allemaal: de vreugde om kinderen. Wat een bevrijding kunnen zij zijn voor ons, soms al te ernstige volwassenen, die soms door onze zorgen, problemen en vastgezette opvattingen een tunnelvisie hebben, niet anders willen of durven zien dan we al lange tijd gewend zijn en waarin we ons min of meer veilig voelen. Wat een verlangen kan een kind in je opwekken naar nieuwe innerlijke vrijheid en onbevangenheid, naar onbekommerde kwetsbaarheid, naar een tweede, nieuwe onschuld.

Hoe kwetsbaar en kostbaar de kinderen in ons midden zijn, beleven wij deze dagen meer dan ooit, nu kinderen in Oss, onderweg naar school, uit het leven werden gerukt.

 

Het kind opnemen in je midden. Elders zegt Jezus: “als je niet opnieuw wordt als de kleine kinderen zul je het koninkrijk der hemelen niet binnengaan”. Hij vraagt van zijn volwassen leerlingen hun streven naar macht los te laten, een nieuwe, een tweede onschuld te vinden. Ook van ons wordt het gevraagd. Ook hier in Amsterdam-Noord moesten wij anders leren zien, vertrouwde verhoudingen loslaten, toen wij kerkgebouwen achter ons hebben gelaten, deuren op slot gedaan en nieuwe geopend. Dat gold ook voor de koren, die hun zelfstandigheid opgaven en samen in nieuwe verhoudingen gingen optrekken. Nu tien jaar geleden. Leden van verschillende gemeenschappen en zangculturen en keuzes, gingen samen, gingen naar elkaar luisteren en gaven veel vertrouwds op. Zo opent zich voor de kerkgemeenschap van Jezus nieuwe toekomst. Een reden tot grote dankbaarheid. Dit proces naar nieuwe onbevangenheid is nog niet voltooid. Nieuwe mensen zijn hier komen wonen en komen in onze kerk. Zij nemen hun taal, cultuur, vroomheid, geloofsbeleving mee. Jezus vraagt ons elkaar aan te zien en aan te voelen met onbevangen ogen en harten. Als wij elkaar omarmen en aanvaarden dan nemen wij Jezus op en wie Hem opneemt neemt Hem op die Jezus gezonden heeft en worden wij geliefde kinderen van de ene Vader. Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------

[1] Wijsheid 2, 12. 17-20; Jakobus 3,16-4,3; Marcus 9, 30-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      24ste zondag door het jaar, 15/16 september 2018[1]

 

Vriendschap met Christus

 

GEBED

 

God, onze Vader, uw Zoon heeft het lijden te einde toe doorstaan. Wij vragen richt ons hart op Hem; laat ons de weg gaan van onze Verlosser, ons leven geven voor elkaar en de rijkdom van uw liefde ervaren. Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

 

Het valt niet mee om gefocust te blijven als christen, als katholiek in deze tijd, in deze weken sinds half augustus; het valt niet mee om bij de kern van ons geloof te blijven. Wij, dat wil zeggen de kerk waartoe wij behoren, zijn vrijwel dagelijks in het nieuws. Soms denk je: nu hebben we het wel gehad. Maar nee, dan komt er weer iets anders. We moeten de beker tot de laatste druppel drinken. Alles wat verborgen is gehouden moet aan het licht komen en van de daken worden geschreeuwd.

 

Zoveel wordt er gezegd en geschreven - begrijpelijk, noodzakelijk, terecht - dat wij uit het oog verliezen waarom wij eigenlijk christen zijn, kerk-betrokken, kerkgangers zijn. Als je niet uitkijkt wordt het geloof, dat je altijd dierbaar en verrijkend hebt gevonden of zelf de kern van je leven, je uit handen geslagen door alle verhalen en schandalen.

 

Deze week, afgelopen woensdag, vergaderde ons parochiebestuur. Eén van de leden, wisselend bij toerbeurt, opent altijd met een gebed, een tekst. Het jongste lid van ons bestuur las teksten voor, een krantenartikel, een stukje uit een preek, een brief van een bisschop, over de ellende van de afgelopen weken. Daarna vroeg hij ieder van ons kort zich uit te spreken, vanuit haar of zijn hart. ‘Geen discussie, spreek je uit: je inzicht, je gevoel, je vertwijfeling, je hoop en geloof ondanks alles en door alles heen, je liefde’. Het werd een indrukwekkend begin van onze vergadering. We spraken die avond niet alleen over vele belangrijke pastorale, materiële en financiële zaken. We spraken over onszelf en over onze band met onze zwaar aangevochten kerk, onze band met het geloof, met God, met Jezus.

De bisschop van Den Bosch schreef: “Laten wij, onder de inspiratie van de Heilige Geest, onze vriendschap met Christus zichtbaar maken in de wereld van vandaag”

 

Vriendschap met Christus.

Dat woord trof me. Die dreigt in onze tijd uit het zicht te raken, verdwenen onder een berg van narigheid, verloochening en verraad.

“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” vraagt Jezus vandaag aan zijn leerlingen. Hoe praten de mensen over mij?

Zou ik die vraag durven stellen? Ben ik voor die kwetsbare vraag wel voldoende innerlijk vrij of ben ik zo bang voor mogelijke pijnlijke antwoorden, dat ik haar maar niet stel? Jezus doet het wel. “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Dan volgt uit de mond van de apostelen - u hoorde het zojuist - een stroom van antwoorden. Ook wij horen allerlei opinies. Maar Jezus legt daarna de vraag heel persoonlijk aan zijn apostelen voor. Hij vraagt hun zich niet langer te verschuilen achter de mening van anderen. Vroeger kon dat wel. Je geloofde wat de pastoor zei of de bisschop en voor de echt cruciale vragen verwees je naar het hoogste niveau: de paus. Dat kan niet meer, in deze tijd waarin u en ik als individu zelf ter verantwoording worden geroepen, nu vrijwel alle hoge autoriteiten verdacht zijn.

 

Meer dan ooit is de vraag van Jezus van klemmend belang. “Maar u, maar jij, wie zeg jij dat Ik ben?”

Ik moet u bekennen dat ik op verjaardagsfeestjes in mijn vrienden- en zelfs in mijn familiekring hoop dat het geloof niet ter sprake komt; dat ik geen pijnlijke vragen hoef te beantwoorden. Soms zou ik willen wegduiken. Om onszelf als gelovige weer terug te vinden of zelfs opnieuw uit te vinden stelt Jezus ons vandaag deze vraag: Wie zegt u, wie zeg jij dat Ik ben?

 

Het is ermee zoals in een huwelijk of vriendschap, of welk type relatie ook van mensen die zich aan elkaar in liefde en trouw hebben verbonden. Die centrale vraag: ‘wie zeg jij dat Ik ben; wat beteken ik voor jou; wie ben jij voor mij?’, - die centrale vraag kan aan de oppervlakte van het gewone, drukbezette leven en de zorg van de kinderen, ondergesneeuwd raken, nooit meer gesteld, verwaarloosd. Dan kan de vervreemding, de verwijdering binnensluipen en de glans van het leven en de liefde doen vervagen.

 

Zo kan het gaan in het geloof, ons christen-zijn, ons katholiek-zijn. In de stroom van alle bezigheden als vrijwilliger in de kerk- gelukkig zijn ook in onze gemeenschap vele, toegewijde vrijwilligers -, als kerkganger, als gelovige kan die vraag vergeten worden, verlegen terzijde gelegd of de beantwoording almaar uitgesteld.

‘Maar u, jij, wie zeg jij dat Ik ben?’

Wat betekent Jezus voor jou, wat is jouw antwoord op zijn vraag, zijn kwetsbare vraag? Juist in deze voor onze kerk en geloof, stormachtige tijd worden we vandaag voor de kernvraag gesteld. Heb ik een band met Hem, met God? Het antwoord kan ik niet voor u invullen. Niets anders kan ik dan vanuit mijzelf spreken. Zonder persoonlijk gesprek met Christus zou het me door de vingers glippen, zou ik me laten meesleuren door de vele berichten en meningen, zou ik overal en nergens zijn, zonder kompas, zonder richting, zonder geduld en volharding, zonder hoop en liefde.

 

Het antwoord van Petrus luidde:

“Gij zijt de Christus”.

‘U, Jezus, bent de Messias, de Gezalfde van God’, zei Petrus, de woordvoerder van de apostelen, van de eerste kerkgemeenschap. Dat betekent: ‘U bent de mens naar wie wij hebben verlangd, U leert ons, doet ons voor wat het is om mens te zijn; wie God voor ons is: liefde tot de dood en daardoorheen.

 

Maar Jezus waarschuwt de arme Petrus: die weg van geloof, van verlangen, de weg van Christus, het leven zelf, kan enorm pijn doen, kan veel van je vragen, een zwaar lijden. Dat is een weg van jezelf verloochenen, horen wij. Dat betekent: jezelf loslaten, jezelf geven. Dat is pas leven, innerlijk vrij.

Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie zal het redden.

Laten we daarop gefocust blijven, - gericht op Christus, vriendschap met Christus en ons door niets en niemand van zijn weg laten brengen. Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------

[1] Jesaja 50, 5-9a; Jakobus 2, 14-18; Marcus 8, 27-35


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 8/9 september 2018

                      23ste zondag door het jaar.[1]

 

Ga open

 

GEBED

 

GOD, U HEBT ONS VERLOST EN TOT UW GELIEFDE KINDEREN AANGENOMEN. ZIE IN UW GOEDHEID NAAR ALLEN DIE U ALS EEN VADER BEMINT. GEEF HUN DIE IN CHRISTUS GELOVEN DE WARE VRIJHEID EN HET ERFDEEL IN HET EEUWIG LEVEN. DOOR ONZE HEER JEZUS CHRISTUS…

 

VERKONDIGING

 

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben”.

Zo luidt de eerste zin van de liturgie van het Woord van deze zondag. In de roos die zin.

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben”.

Sommigen dreigen de moed te verliezen. Zij hebben daar ook wel reden toe en misschien geldt het af en toe ook voor u. Eerlijk gezegd, in elk geval soms voor mij. Soms kan de werkelijkheid in onze samenleving of onze kerkgemeenschap me zo overweldigen, dat ik de moed dreigt te verliezen.

 

Jesaja sprak deze woorden tot mensen die hun samenleving, eeuwen voor Christus, zagen afzakken, krachteloos worden. De leiders, de politici waren verblind en doof voor de klachten van het volk; verlamd door besluiteloosheid, niet in staat om te bewegen, alleen maar uit op zelfbehoud, met het strikt volgen van hun minitieus, zelf opgestelde regels en wetten, terwijl zij het grote perspectief van menselijkheid uit het oog verloren. Wij weten waar het op uit liep: op ballingschap, de mensen gedeporteerd naar een vreemd land, jarenlang.

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben”.

 

Jesaja moet spreken. Daar is hij ook profeet voor. Het woord helpt. Niet dat de problemen meteen opgelost zijn. Maar het geeft een mens kracht als iemand hardop durft zeggen wat er aan de hand is. Zo knapte ik deze week een beetje op van een brief van monseigneur Gerard de Korte, de bisschop van ’s-Hertogenbosch. Aan alle gelovigen van zijn grote bisdom (het grootste van ons land) stuurde hij een brief, om de ellende binnen de kerk van de laatste weken met hun te delen, hen moed in te spreken. Eindelijk één Nederlandse bisschop die zijn mond open doet, zijn pen opneemt en de oorverdovende stilte van onze vaderlandse kerkleiders doorbreekt.

“Vat moed en vreest niet: uw God komt om de wraak te voltrekken. God komt om te vergelden en om u te redden” Ho ho, dat schreef de Korte niet. Zo krachtig als de bijbel spreekt durft een moderne bisschop niet. Overigens moet er wel iets heel krachtigs gebeuren met de kerk, anders komen we nooit meer uit de ballingschap.

Jezus pakt door, hoorden wij in het evangelie. Men bracht een doofstomme bij Hem. Men. Gelukkig zijn er mensen die zich over die doofstomme oontfermen, die de moeite nemen om hem te bevrijden uit zijn isolement. Wij kunnen wel geen wonderen doen, maar dít kunnen we allemaal: een stap zetten, iemand zien staan, meenemen, bij de hand nemen, terug brengen naar de gemeenschap. Ze smeken Jezus hem de handen op te leggen. Willen ze een dramatische, publieke genezing? Een show zoals vroeger Jomanda ze wel gaf: een openbaar vertoond wonder? Jezus doet het tegenovergestelde. “Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk”. Hoe mooi, iemand terzijde nemen. Geen algemene woorden, grote gebaren uit de hoogte, uit de verte. Hoe heerlijk, hoe genezend kan het zijn dat iemand jou, u, mij apart neemt, aandacht geeft.

 

Jezus gaat verder, Hij pakt door. Hij gaat aan de slag met deze ellendige, in zijn stil isolement opgesloten mens. Hoeveel mensen zijn dat wel niet in onze samenleving, misschien wel in onze eigen familie of vriendenkring, die nooit eens aan het woord komen, niet serieus genomen worden, domweg over het hoofd gezien? Jezus haalt alles uit de kast. Het loopt uit op een soort lichamelijke worsteling. “Hij stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan en sprak tot hem ‘Effeta’ wat betekent: ‘Ga open’.

 

Soms moet er diep in u of mij gegraven worden om het goede woord te spreken, om te kunnen openstaan voor het woord van een ander. Het kan lang duren voordat de stilte, het zwijgen is doorbroken. Maar één woord spreekt Jezus: ‘Effeta’. Het is een woord uit de spreektaal van Jezus, het Aramees. Het evangelie is oorspronkelijk in het Grieks geschreven, de internationale taal van Jezus’ tijd, zoals nu het Engels. Maar Jezus sprak Aramees. Twee woorden zijn overlevert: “Abba”, Vader, laat deze beker aan Mij voorbijgaan en Onze Vader, Abba. En dit woord: “Effeta”. Het moet zeer kenmerkend voor Jezus zijn geweest, anders was niet juist dit woord overgeleverd. ‘Ga open, verbreek jouw zwijgen, hoor, luister naar het woord van de ander. Geef je over, geef je gewonnen, sluit je niet langer op in jezelf, je teleurstelling, boosheid, je eigen gelijk, je verongelijktheid, hoe begrijpelijk ook’.

Zwijg niet om de kool en de geit te sparen. Dat geeft een onechte rust, een valse vrede, de stilte van de angst, de stilte van de dood.

Er is één zwijgen dat goed kan zijn. Het zwijgen van Jezus toen Hij vals beschuldigd werd. Totdat de morgen komt van de verrijzenis, als God het laatste woord heeft, een woord van leven.

 

De man komt weer tot horen, tot spreken. Hij wordt weer mens.

Een wonderlijke genezing? Ja, een wonder dat Jezus alles doet om ons tot menswaardig leven te brengen, aan het woord, welkom in de gemeenschap van de mensen. ‘In het begin was het woord, het woord is vlees geworden’. In navolging van Jezus worden wij gevraagd woorden te spreken die mensen bevrijden, kracht geven, nieuwe moed; de moed op te brengen voor de waarheid uit te komen, ook als je je daarmee niet meteen geliefd maakt, en te durven zwijgen als anderen dwaas en gevaarlijk aan het roepen en schreeuwen zijn.

 

Tenslotte verbood Jezus het aan iemand te zeggen wat er gebeurd was. Hij wil zich niet op het schild laten hijsen. Hij zoekt geen messiaanse status, geen verering door de mensen. Hij zoekt geen volgelingen, maar navolgers. Effeta. Mensen die open gaan, die niemand monddood maken, die spreken tot anderen die de moed verloren hebben. Mogen wij die mensen zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 -------------------------------------------

[1] Jesaja 35, 4-7a; Jakobus 2, 1-5; Marcus 7, 31-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1/2 september 2018

                      22ste zondag door het jaar.[1]

 

Ontucht, diefstal, moord

 

GEBED

 

Heer onze God, uiterlijke eredienst kan U niet behagen. U wilt dat wij U dienen met het hart, dat onze gaven daden zijn. In Jezus hebt U ons voorgehouden wat liefde kan doen en gerechtigheid. Geef ons kracht, opdat wij eerlijke en geloofwaardige christenen mogen worden. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

“Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord…”

U wist het allang en ook vandaag blijkt het weer waar: de liturgie is altijd uiterst actueel.

Als u en ik de soms ondraaglijke actualiteit al zouden willen ontvluchten op zondagmorgen in de kerk, Jezus maakt het ons onmogelijk. Hij drukt ons op de werkelijkheid, die soms heel mooi is en om van te genieten, en soms ondraaglijk. Vrijdagmiddag heb ik beide kanten - de verrukking en de ondraaglijkheid - weer ervaren binnen enkele uren.

Eerst vroeg in de middag een kerkelijk huwelijk, een kerk vol blijde, mooie, gelukkige mensen, een stralende bruid en een overgelukkige bruidegom.

Enkele uren later bracht ik met de secretaris van de PCI een bezoek aan een groep migranten zonder papieren, die wanhopig op zoek zijn naar een status maar al eindeloos lang wachten, nu neergestreken in de voormalige disco aan het Buikslotermeerplein: een krot, vochtig, onherbergzaam, smerig, een disco waarvan ik me herinner dat er vroeger vechtpartijen waren van jongeren met papieren, - dronken, opgezweept door de keiharde muziek, heavy metal en wat niet al.

 

De liturgie, Jezus spreekt uiterst actueel: “Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord…”

“Van de mensen”, zegt Jezus, uit het hart van de mensen in het algemeen dus. Dus niet alleen uit het hart van mensen van een bepaalde groep, cultuur, sociale klasse: nee, de mensen. Ook uit het hart van mensen van wie je ooit dacht of wilde geloven dat zij tenminste zulke dingen niet zouden doen. Wij weten beter, zeker wij katholieken.

 

Nooit was de reputatie van onze kerkgemeenschap zo beschadigd, ja vrijwel verdwenen. Onze beroemdste misdaadverslaggever omschreef de rooms-katholieke kerk als een criminele organisatie die verboden moet worden. Wij zijn met andere woorden nu wel op het nulpunt aangekomen. Zeker nu ook onder leiding van een voormalige nuntius, een aartsbisschop, openlijk de strijd is aangebonden met de paus. Een ongekende, ongehoorde actie, waardoor de eenheid van de kerk wordt bedreigd. We horen over de verdachtmaking van een paus die vijf jaar lang niets anders doet dan de kerk weer bij het hart van haar opdracht, haar roeping te brengen. Hij probeert haar weg te voeren van haar rijkdom, haar klerikalisme, haar wereldse gedrag. Laten we nog eens luisteren naar het slot van de tweede lezing, uit de brief van Jakobus. “Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en Vader is dit: wezen en weduwen opzoeken in hun nood en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld”.

 

In de namiddag van afgelopen vrijdag voelde ik me op een wonderlijke manier op mijn plaats tussen die mannen uit allerlei landen zonder papieren, in die vochtige, smerige, onderaardse wereld aan het Buikslotermeerplein, waar ik - welvarende burger - een paar keer per week met mijn goedgevulde boodschappentas langsloop. De apostel Jakobus schrijft het ons in Jezus’ Naam: daar hoort de kerk thuis, ver van het wereldse gedoe om macht en aanzien, voorschriften en wetten, rubrieken en rellen.

 

De paus, tegen wie sommige kringen in onze wereldkerk zich nu keren, is daar al vijf jaar mee bezig en als aartsbisschop van Buenos Aires was hij er al tientallen jaren mee bezig. Hij was bijna als enige bisschop niet te vinden bij de recepties van de rijken, maar wel in de sloppen van de armen. Hij wilde toen en nu de uiterlijkheden loslaten en naar de kern gaan, naar het hart van het geloof en van de mensen, van het volk van God. Hij gelooft niet erg dat het zal lukken om de machtigen van gedrag te doen veranderen. Hij probeert het bij de zogenaamde gewone mensen, het volk van God, waaraan hij twee weken geleden een prachtige brief heeft geschreven. Hij vraagt aan heel het volk van God mee te lijden met het grote lichaam van de kerk, want - zo schrijft de paus - als één lid te lijden heeft lijdt het hele lichaam. Meelijden met de slachtoffers van geweld en misbruik. Hij vraagt ons méér te bidden en te vasten dan gebruikelijk. Van onderop moet de kerk genezen. Alsof hij zeggen wil: de bovenlaag, bestaande uit de hedendaagse schriftgeleerden en farizeeën zijn toch niet in beweging te krijgen.

 

Ook Jezus vertilde zich aan farizeeën en hun schriftgeleerden. Zij waren vrome mensen, die trouw waren aan het gebed en aan de godsdienstige tradities. Zij wilden zuiver zijn, zuiver leven, zó zuiver als hun zorgvuldig gewassen vingertoppen, bekers, kruiken en koperen vaatwerk. Dat was en is ook de diepe betekenis van het koosjere eten, wassen en afwassen in de gelovige Joodse gemeenschap. Dat is heel mooi en eerbiedwaardig. Maar vroomheid kan ook buitenkant worden. Wanneer het hart niet geraakt wordt en alleen de buitenkant er maar schoon uitziet dan wordt het huichelarij, schijnheiligheid, een aanfluiting. Jezus waarschuwt er scherp tegen.

 

Wij, christenen, mogen alles eten en drinken. In onze tijd is de dokter en is de diëtiste strenger dan de priester. Dat is maar goed ook. Hoe zinvol het ook in godsdienstig opzicht kan zijn om tijden en dagen te kennen van vasten en onthouding, in de veertigdagentijd vooral en op vrijdag. Maar wat je er ook aan doet, als het maar leeft in je hart, als je er maar blij, opgewekt van wordt; als je de band met God en met Jezus en met je naasten, vooral de wezen, de weduwen, de eenzamen en de armen, er maar levendiger en warmer van wordt. Dan zullen we de storm van deze tijd hopelijk doorstaan en kan de kerkgemeenschap en haar geloof weer geloofwaardig en aantrekkelijk worden.

 

Amen.

 

---------------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 1-2. 6-8; Jakobus 1, 17-19. 21b. 22. 27;Marcus 7, 1-8. 14-15. 21-23