Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 11/12 november 2017

                      32-ste zondag door het jaar.[1]

 

Wij zijn met ons hart bij de Heer

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God. U hebt ons het geloof geschonken dat door zijn licht de duisternis verdrijft en ons in staat stelt de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Sterk onze hoop, die soms wankel is en zwak.Wakker in ons het vuur aan van de liefde die zichzelf niet zoekt en zo de ware wijsheid vindt. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon…

 

 

VERKONDIGING

 

Tijdens de wekelijkse audiëntie op het Sint Pietersplein in Rome houdt de paus altijd een praatje over een onderwerp dat hij verspreid over vele woensdagen verder uitdiept. Afgelopen woensdag begon hij een catechese-serie over de eucharistie. Hij begon met een heel persoonlijke opmerking uit zijn eigen ervaring. Het valt hem op dat tijdens de grote pausmissen in de Sint Pieter of op het plein voor de basiliek, ontelbaar veel mensen foto’s maken. Hij zei: ‘Ik vind het zo verdrietig. We vieren de eucharistie: het geheim van het leven, de passie, de dood en verrijzenis van de Heer en veel gelovigen zijn met heel andere dingen bezig. De celebrant roept of zingt: “Verheft uw hart” en gelovigen heffen -in plaats van hun hart, hun aandacht, hun focus- hun telefoon omhoog. Zelfs concelebrerende priesters en bisschoppen. Zij suggereren daarmee dat zij de viering als een schouwspel beleven”, dat je geslaagd of minder geslaagd kan vinden, boeiend of minder boeiend; waar de gezangen mooi zijn, te langzaam of te vlug, esthetisch verantwoord of niet. De liturgie als schouwspel, dat je van een afstand bekijkt, beoordeelt. Dat is verdrietig, zei de paus. Want iedere gedoopte wordt vriendelijk uitgenodigd zijn hart te verheffen en niet het oog van de camera of zijn eigen kritische oog. Wij gaan naar de eucharistie om het leven, de passie, de verrijzenis van de Heer mee te maken, mee te beleven, daarin mee te gaan; we zijn daarin betrokken, niet als kritische toeschouwers, maar als mee-vierders. En na afloop, verder in de week, als uitvoerders.

 

Zoals Sint Maarten, die de kerk viert op 11 november.

Hoog te paard was hij, de trotse militair, een toeschouwer van het leven.

Vanuit zijn machtige, hoge positie zag hij de rijken en armen van deze wereld.

Totdat hij eindelijk niet meer zijn trotste ogen verhief, maar zijn hart. Totdat hij eindelijk betrokken raakte bij het leven, bij het leven van die arme man, die dreigde te creperen langs de kant van de weg. Sint Maarten zag eindelijk met zijn hart en zo zag hij Jezus, de lijdende, dorstige Jezus in die arme. En hij sneed zijn mantel in tweeën, omdat Christus zijn hart had doorsneden. Daarna werd heel het leven van Martinus van Tours een zoektocht naar Christus. Hij werd priester en later bisschop. Zowel aan het altaar, in de eucharistie als langs de kant van de weg, in de armen, ontmoette hij Christus. Die twee: het altaar, de eucharistie en de charitas, de zorg voor de naaste, de arme, mag je niet van elkaar losmaken. Ze horen bij elkaar. De kerk doet niet aan maatschappelijk werk. Daar is de overheid veel beter in. De kerk doet aan charitas, aan diaconie. Zij viert en beleeft zo de aanwezigheid van de verrezen Jezus, aan de altaartafel en aan de tafel van de armen, de eenzamen, de zieken, die menselijke nabijheid nodig hebben. Aan beide tafels horen christenen thuis, aan geen van beide kunnen wij gemist worden.

 

Gefocust op Christus leven, daartoe zijn wij christen. Zoals die tien meisjes uit het evangelie. Volgens de godsdienst van het volk van Jezus, Israël, zijn er minimaal tien volwassenen nodig om een weerbare, biddende en dienende gemeenschap te kunnen vormen.

 

Tien meisjes. Van vijf was de aandacht verslapt. Ze waren ingedommeld. De helft van die tien die je niet kunt missen waren achterover gaan hangen. Wij - of de paus - zouden zeggen: ze zaten te turen op hun schermpje. Terwijl er midden in de nacht geroep klonk: ‘verheft uw hart, daar is de bruidegom’, - waren zij niet met hun hart bij de Heer. Zij hadden geen licht bij zich. Zij konden de Heer niet zien. Het licht van hun vertrouwen, hun aandacht, hun gefocust-zijn was gedoofd, uitgewaaid door de lucht en de wind van alles-en- nog-wat waarmee zij bezig waren. De helft van de gemeenschap was zo met zichzelf bezig, meet haar zaken en bijzaken, dat zij geen oog hadden voor de bruidegom, de Heer die gekomen is, in de bruiloftszaal, aan de altaartafel en langs de kant van de weg, in de gestalte van de armen.

 

Geve God, op voorspraak van sint Maarten, dat wij dadelijk, met overtuiging kunnen zeggen: wij zijn met ons hart bij de Heer”;dat wij waakzaam leven en royaal, met vreugde Christus ontmoeten in de eucharistie en in onze naasten. Zo moge het zijn. Amen.

 

N. van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Wijsheid 6, 12-16; psalm 63; 1Tess. 4, 13-18; Matteüs 25, 1-13


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 5 november 2017

                        Eenendertigste zondag door het jaar.[1]

 

Zoals een kind op moeders schoot

 

GEBED

 

Heer onze God, uw koninkrijk is midden onder ons verborgen en dichtbij: een mens om van te houden, mensen om voor te leven, uw wil geschiedt op aarde overal waar mensen zich niet verheffen boven anderen, maar waar zij leven en sterven voor elkaar. Wij bidden U dat wij dit alles volbrengen door Jezus, uw Zoon en onze Heer, die met u leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, God door de eeuwen der eeuwen.

 

VERKONDIGING

 

“Ik streef ook niet naar grote daden, hoger dan ik reiken kan”.

Elke zondag heeft zijn eigen psalm, een lied dus uit de bijbel, de 150 liederen tellende bundel ‘Gezangen voor Liturgie’  -zeg maar- van de heilige Schrift. Die van deze zondag is psalm 131. Mooi gezongen. Eén van de kortste en één van de mooiste. In de bijbel vind je ook de titel, het opschrift: “Een bedevaartslied, op naam van David”. Dat zou kúnnen, dat David zelf dit lied heeft gedicht of op zijn minst gezongen.

 

U weet het: David was de zoon van een schaapsherder. Hij zat niet -zoals zijn vele broers- rustig en veilig thuis bij pa in Bethlehem. Hij was altijd bij de schapen.

‘Een herder moet ruiken naar de schapen’, zegt paus Franciscus. Hij moet zich niet opsluiten in zijn huis, zijn pastorie, zijn vergaderzalen. Ik word daar altijd een beetje beschaamd van. Hij moet bij de kudde zijn, zoals David.

David werd geroepen om koning te worden. Een ideale keuze: eindelijk een vorst die gaf om de zogenaamd gewone mensen. Hij was razend populair. De mensen droegen hem op handen.

 

Maar zoals dat gaat met zeer populaire en als gevolg daarvan ook machtige mannen: hij kon de weelde niet dragen.

U kent het verhaal: David kon zijn handen niet thuishouden.

Het is van alle tijden helaas. Hij vergreep zich aan de vrouw van zijn meest loyale soldaat, die hij op slinkse wijze de dood indreef.

Later ziet hij zijn vreselijke misstap in en doet boete.

Nog weer later dicht, zingt hij dit lied, wie zal het zeggen, dit lied dat helemaal past in zijn mond, het lied dat wij psalm 131 noemen.

 

“De stormen zijn bedaard in mij en vredig is mijn geest”.

Het is rustig geworden in zijn hoofd en in zijn hart. Wat moet een mens soms wel niet overwinnen om vrede te sluiten met zichzelf, met zijn naaste, met het leven, met God?

“Zoals een kind op moeders schoot, zo veilig voel ik mij”.

Hier is een volwassen man die spreekt, die zingt. ‘Zoals een kind op moeders schoot.’

 

De verre nazaat van David, Jezus, zal het ons ook aanraden. “Wie het koninkrijk van God niet als een kind aanvaardt, komt er beslist niet in.”[2]

Weer worden als een kind. Dat wil volgens psalm 131 zeggen: niet hoger reiken dan je kunt. Je beperkingen stap voor stap leren aanvaarden. Wanneer je jong bent, ondervinden dat je wel heel veel talent kunt hebben en energie, maar dan tegen je grenzen aanlopen. Hoevelen van hen zijn wel niet burn out?

Wanneer je oud bent, stap voor stap leren aanvaarden dat je veel niet meer kunt. “Ik streef ook niet naar grote daden hoger dan ik reiken kan”.

“Zoek uw toevlucht bij de Heer van nu af voor altijd”.

 

David heeft het moeten leren. Er was een tijd dat hij dacht alles te kunnen, alles te mogen, elke vrouw de zijne te mogen maken. Hijzelf in het middelpunt van het leven. Zo is de mens geworden. Hij/zij ziet zichzelf als het middelpunt van het bestaan. Iedereen moet wijken voor mijn persoonlijke ontplooiing; de andere mensen, het milieu, God. De mens in het middelpunt. Zo gaat het al eeuwen en wij zien de gevolgen die steeds ernstiger worden. Nu David ouder en wat wijzer is geworden, kent hij weer zijn plaats, vindt hij vrede met zichzelf: geen grote stem meer, niet meer meegesleept door zijn hartstocht en macht.

 

Jezus spreekt over de mannen van zijn dagen die streven naar grote daden, hoger dan zij reiken kunnen, mannen die zichzelf verheffen; zichzelf in het centrum van het leven en van de godsdienst plaatsen.

In de godsdienst van Israël is dat gebeurd en ook in onze katholieke godsdienst is het gebeurd: dat de schriftgeleerden, de ambtsdragers zich gingen verheffen boven de mensen; dat zij gingen bepalen hoe de mensen moesten leven. Zij gaven alle antwoorden, zelfs op vragen die niet gesteld werden, -zware, haast ondraaglijke lasten leggend op de schouders van de mensen, -lasten waarnaar zij zelf geen vinger uitstaken.

 

“Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders en zusters…gij hebt maar één Vader, de hemelse en maar één Leraar, de Christus”.

Mogen wij zo als zusters en broeders leren leven. Zo vrij en bevrijdend als Jezus het ons heeft voorgedaan: de Heer, die de grootste is geworden omdat hij nederig was en dienaar van allen. Amen.

 

N. van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] Maleachi 1, 14b-2, 2b. 8-10; psalm 131; 1Tess. 2, 7b-9. 13; Matteüs 23, 1-12

[2] Lucas 18, 17


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 28/29 oktober 2017. Dertigste zondag door het jaar.[1]

 

Aan een paar woorden genoeg hebben

 

GEBED

 

U, eeuwige God, wij, aan tijd gebonden en vreemdelingen hier op aarde, onderweg naar uw eeuwige stad: doordring ons van uw menslievendheid zodat begrip en goedheid het winnen van vooroordeel en misverstand. Geef dat liefde tot U en tot de naaste ook bevrijding brengt in deze tijd en aanzet wordt tot eeuwig leven. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Ons evangelie is maar een heel kort gesprekje. Soms heb je aan een paar woorden genoeg om tot de kern te komen. Ik weet niet precies hoe het u vergaat, maar als mensen een overvloed van woorden nodig hebben om iets uit te leggen, dan raak ik nogal eens de weg kwijt en heb ik achteraf vaak de gedachte: maar wat heeft hij of zij nu eigenlijk gezegd? Veel woorden, weinig inhoud.

 

In Joodse kringen was het in Jezus’ tijd en ook nu nog gebruikelijk om te vragen de kern van het geloof, het hart van de vele bijbelse voorschriften en geboden in een enkele of hooguit een paar zinnen samen te vatten. Zo’n vraag werd deze week ook aan ministers van het nieuwe kabinet gesteld: een heel boekwerk al die voornemens van jullie, maar wat is nu eigenlijk jullie doel, de kern van jullie plannen?

 

Zo’n vraag kan u of mij ook gesteld worden. Wat geloof je nu eigenlijk, wat is het geheim van jullie vriendschap, huwelijk, relatie?

Juist in de afgelopen week vroeg een mevrouw mij, -ik was na ons gesprek eigenlijk al aan het opstaan; u kent dat wel misschien: de echte vragen durf je soms pas in de vestibule te stellen-: ‘hoe ervaart u eigenlijk God?’

Ik was even flink uit het veld geslagen. Ik had nog maar vijf minuten, een volgende afspraak wachtte met enige urgentie. Maar ik vond het flauw me eruit te wurmen met de mededeling dat de tijd op was. Ik antwoordde: soms overkomt het me na het bidden van de psalmen, de vele woorden van het getijdengebied, het brevier, dat er een soort verstilling komt; dat ik niet meteen opsta om weer aan het werk te gaan; maar dat ik nog wat blijf en dat het helemaal stil wordt om me heen en heel soms ook in mezelf. Dat zijn de beste momenten, als er even helemaal geen woorden meer zijn, alleen maar verstilling. Achteraf denk en voel ik ook wel wat dat God nabij was. Of liever, ik nabij God, want Hij wacht al op mij, op u, wij hoeven alleen maar ruimte te maken voor Hem. (Of met de woorden van sint Augustinus: “Binnen in mij was U, ik was buiten en ik zocht U als een ziende blinde buiten mij”)

 

Zoals het ook gaat in jouw vriendschap of huwelijk. Je praat met elkaar over duizend dingen, meestal de gewone dingen van alledag, maar soms kan het gebeuren dat je daar een beetje bovenuit komt en dat je zomaar samen bent, zonder woorden, werkelijk aanwezig bent bij elkaar.

 

Waar gaat het nu eigenlijk om in ons leven met elkaar en met God: “Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?”

Dat is dus nogal een vraag. Jezus moest kiezen uit meer dan 600 antwoorden, want er zijn meer dan 600 voorschriften en geboden in de Wet van Mozes, die wij vinden in het eerste of oude testament.

 

Wat is zijn antwoord? Het antwoord is liefde.

“U zult de Heer uw God beminnen…dit het voornaamste en eerste gebod.

En het tweede, daarmee gelijkwaardig: U zult uw naaste beminnen als uzelf”.

God staat op de eerste plaats bij Jezus. Hem liefhebben is het voornaamste en eerste gebod. Enigszins met Zichzelf is tegenspraak, maar wel heel mooi en waar: liefde tot jouw naaste is daarmee gelijkwaardig.

God en mens kun je niet van elkaar losmaken. God kun je pas echt liefhebben als je ook de mens naast je liefhebt, die even kwetsbaar en sterfelijk is als jij, ook al is hij uiterlijk en qua karakter, cultuur, taal en godsdienst misschien nog zo van jou verschillend.

En de mens naast jou kun je pas echt beminnen als je ook God liefhebt. De mens, los gezien van God, los gezien van zijn eeuwige bestemming, zijn beeld zijn van God, is niet meer dan een exemplaar van de soort, een onbegrijpelijke vreemdeling.

 

Wij hoorden in de eerste lezing enkele voorbeelden van geboden, enkele van die meer dan zeshonderd. “U moet de vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want u hebt zelf als vreemdeling gewoond in Egypte”. De tijdgenoten van Jezus, die eeuwen na de tijd van de slavernij in Egypte leefden, pasten die woorden op zichzelf toe. Ook al wonen wij al generaties in vrijheid in ons zogenaamde eigen land, toch zijn wij hier op aarde nog steeds vreemdelingen. Het ontroert mij persoonlijk elke keer weer als die psalm bidt, die het mij in de mond legt: “Vergun uw dienaar dat hij mag leven…een vreemdeling ben ik op aarde”.[2]

O wee, als wij dat vergeten, dat wij, u en ik vreemdelingen zijn, voorbijgangers, onderweg. O wee, als wij te veel leven als gevestigde mensen. dan worden we lui, hangen achterover op de sofa, in de overtuiging dat wij bezitters zijn van het leven en van het land en niet veeleer beheerders, reizigers, of liever nog pelgrims naar een beter vaderland, het hemelse.

Mogen we die kern van ons leven weer beleven, mogen we aan die paar woorden van liefde genoeg hebben. Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------

[1] Exodus 22, 20-26; 1Tessalonicenzen 1, 5c-10; Matteüs 22, 34-40

[2] psalm 119, 17-19a


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21/22 oktober 2017

                      29ste zondag door het jaar. Wereldmissiedag.[1]

 

Beeld van God

 

GEBED

 

God, U alleen bent de Heer en niemand anders. Help ons oprechte christenen te zijn: dat wij niet offeren aan geld of goed; dat macht en aanzien ons hart niet maken tot een steen. Maak dat wij de blik op Hem gevestigd houden die ons van U het levend beeld gegeven heeft: Jezus Christus, uw Zoon. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

Van wie is de beeldenaar?

Wij leven in de tijd van Facebook. Onze vrienden leven niet alleen in de straat of de stad maar wereldwijd. Dagelijks kun je het gelaat, het gezicht zien van allen die tot jouw vriendenkring behoren. Ongeveer een jaar gelden heb ik me gewonnen gegeven en sindsdien zit ik er ook op, zoals dat zo simpel heet. Je gezicht laten zien. Het blijft een hachelijke affaire, je geeft daarmee iets prijs van jezelf. Soms zeggen mensen dan ook luid en duidelijk: ‘zet deze foto er niet op, want ik wil niet dat mijn gezicht rond gaat op het internet’. Begrijpelijk, want heel de wereld zit erop. Je bent verbonden met de global village.

 

Ook Jezus was verbonden met de hele wereld. Zijn vaderland was onderworpen, ingelijfd in het Romeinse Rijk. Zijn vaderland was allerminst een beeldcultuur. Israel was en is geen beeldcultuur. Niets van God en eigelijk ook liever niet het menselijk gelaat mag je afbeelden. Dat getuigt van grote eerbied voor God en voor de ander. God en de mens, die beeld is van God, -leert ons geloof, leert ons de Heilige Schrift- hebben een geheim. Onze naaste, iedere mens is een geheim, is kwetsbaar, onaantastbaar. Daar moet je afblijven, afblijven van de kwetsbaarheid van de ander. Juist deze week gaat het daarover voortdurend op het internet en in de andere media. Over de grofheid, de brutaliteit begaan door mannen tegen vrouwen. De onbeschaamdheid waarmee grenzen overschreden worden, waarmee de waardigheid van vrouwen geweld wordt aangedaan. Dan is het internet een zegen: dat dit onrecht wereldwijd heel snel aan de orde kan worden gesteld en hopelijk een halt toegeroepen.

 

Ook op deze Wereldmissiedag gaat het over de waardigheid van vrouwen, in Burkina Faso, waar religieuzen voor hen opkomen en proberen hun waardigheid te beschermen en hun levensomstandigheden te verbeteren.

 

Volgens de bijbel kun je God en zijn beelddrager, de mens, beter niet afbeelden. Zij zijn kwetsbaar, God en de mens. Hun geheim moet je respecteren.

Maar één gezicht werd in Jezus’ tijd overvloedig afgebeeld, namelijk dat van de keizer. In Jezus’ volwassen leven was dat keizer Tiberius. Er zijn munten met zijn beeldenaar waarop staat: divus Tiberius (goddelijke Tiberius). Vanuit Rome regeerde hij -als een god vereerd- zijn onmetelijke rijk en hief hij belasting. Wie belasting mag heffen is de baas. In het Israël van Jezus’ dagen was die belasting dan ook omstreden. Wie vond dat die betaald moest worden, boog voor de Romeinse bezetter. Wie daartegen was, kwam in verzet. De farizeeën waren tegen de bezetter en betaalden als het even kon, niet. De herodianen waren vrienden van de Romeinen. Zij betaalden wėl.

Aan welke kant zou Jezus staan? Misschien mogen wij de vraag wel wat verbreden. Waar staat u, waar sta ik in de wereld, de maatschappij?

 

Beide politieke partijen proberen Jezus tot een keuze te verleiden voor hun onderscheiden standpunten. “Waarom probeert u mij te vangen, jullie huichelaars?”  Zij proberen de bij de gewone mensen populaire Jezus voor hun politieke karretje te spannen. Ze pogen Hem vast te leggen, zijn beeld te fixeren. Zo ben jij: je bent vóór ons, of juist ben je een tėgenstander, die wij kunnen bestrijden.

 

Ze laten Jezus de afbeelding van de keizer zien, in de munt gegraveerd. “Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt”. Het geld, de munt is van de staat, van de keizer, de aardse macht. Dat komt hem toe.

“Geef aan God wat God toekomt”.

Wat is dat? Dat ben je zelf.

U, jij, ik die de afbeelding van God in mij draag; 

jij, u, ik, die geschapen ben naar het beeld van God.

Verlies jezelf niet aan de macht, verkoop jezelf niet aan aardse machten of leiders. Jij bent beeld van God, kwetsbaar en even onpeilbaar en ongrijpbaar als God zelf. Je mag er zijn met jouw unieke persoon.

Niemand mag jou terugbrengen tot exemplaar van de soort, tot bezit van een ander, tot kostenpost waarop bezuinigd mag worden of die een last is voor de samenleving die beter kan verdwijnen,

of tot lustobject, waarnaar je mag grijpen.

 

Geef aan God wat God toekomt.

De eerste lezing vertelt ons dat zelfs de hoogste machten van deze wereld in dienst staan van Gods bevrijdingsplan voor de mensen. Cyrus, de koning van Perzië, die weet heeft van god noch gebod, speelt een voorname rol. God heeft hem bij de hand genomen om zijn volk in ballingschap terug te brengen naar het eigen land.

Wat aan God toekomt dat zijn wij zelf. Wij zijn niet van de wereld, niet van een politiek beleid, een ideologie. Wij zijn van God. Wij zijn verlost, vrijgekocht, niet met geld, maar wij zijn in Gods ogen zo oneindig veel waard dat zijn Zoon zijn leven voor ons heeft gegeven, zijn bloed voor ons heeft vergoten.

 

Vandaag is het Wereldmissiedag. Wij leven in de global village.

Gods volk, door Jezus bijeengebracht, in Hem gedoopt, is verspreid over de hele wereld, levend onder allerlei heerschappijen, keizers, koningen en machthebbers. Aan niemand hoeven wij ons over te leveren. Wat ons verbindt is het beeld van God in ons. Vandaag zijn wij met heel die wereldkerk verbonden, wij geven om elkaar in gebed en wij geven van ons bezit aan medechristenen die het minder hebben dan wij. Zo geven wij wat aan God toekomt, onszelf. Amen.

 

pastor N. van der Peet

------------------------------------------------------

[1] Jesaja 45, 1.4-6; 1 Tessalonicenzen 1, 1-5b; Matteüs 22, 15-21


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 30 september/1 oktober 2017,

                        26ste zondag door het jaar[1]

 

Antwoord geven

 

GEBED

 

Heer, U spoort ons aan de wegen te betreden die recht naar U toe leiden. Wij willen wel het goede, maar missen vaak de kracht ons af te wenden van het kwaad. Breng ons tot inkeer; geef dat wij onszelf niet beter achten dan de anderen en tegenover iedereen rechtvaardig zijn. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Ons gezin, vader, moeder, een dochter en twee zonen, woonde in de stad, op een bovenwoning (zoals de Amsterdammers zo mooi zeggen) in Haarlem.

(U herinnert het zich wellicht van een vroegere preek.)

Mijn vader had zo van mijn moeder gehouden dat hij, man van het land, boerenzoon in hart en nieren, mijn moeder, geboren en getogen Haarlemse, gevolgd was naar dat bovenhuis is de stad.

 

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij hield het daar niet al te veel uren van de dag uit, zeker in lente en zomer tot ver in de herfst niet. Dan moest hij naar buiten, de aarde onder zijn voeten voelen, in weer en wind, zich bekommerd noch om de brandende zon noch om regelvlagen; zich neerbukkend over de gewassen die hij teelde op zijn prachtige tuin, die hij aan de rand van de stad had weten te bemachtigen.

 

Als gevolg van zijn harde arbeid als gasfitter begaf zijn rug het, nog voor zijn vijftigste.

Ik denk vaak aan hem. Deze week word ik zestig. Al voor zijn vijftigste verging hij van de pijn.

Af en toe weet ik, zijn jongste zoon, even niet hoe ik moet zitten. Maar die rugpijn mag geen naam hebben bij zijn pijnen.

 

Maar ondanks zijn rugpijn kon hij zijn prachtige tuin niet missen. Regelmatig vroeg hij, de stoere, ooit sterke vader aan zijn zonen, mijn oudere broer en mij, tieners: willen jullie me helpen op de tuin? Heel zelden vroeg hij het maar. Voor klussen die hij echt niet meer kon: spitten, sjouwen, aardappels rooien, aardbeien plukken.

 

Af en toe kan ik in slapeloze uren mijn reactie destijds op zijn vraag nog wel eens overwegen.

Wat doe je, als je eigenlijk andere plannen hebt, met je vriendjes erop uit wil gaan, spelen, vissen (in voetballen was ik niet goed), zomaar je vervelen. Ik stel mijn geweten gerust door me te herinneren: ik ben best vaak meegegaan, maar ook heb ik hem wel eens laten zitten.

Wat doe je met die hoopvolle vraag, die kwetsbare uitnodiging van je vader, van die vader:  “Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard”?

 

Jezus vertelt zijn gelijkenis kort na zijn feestelijke intocht in Jeruzalem. Palmzondag is pas voorbij. Nu zal het erom gaan spannen. Wie willen bij Hem horen, wie durft met Hem gezien te worden? Matteüs suggereert dat mensen uit het zogenaamde gewone volk Hem volgden, ja de mensen in de marge van de burgerlijke samenleving worden met name genoemd: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen. Mensen van wie je het niet verwacht, gestigmatiseerde mensen. Zij bleken tot inkeer, bekering bereid.

 

Maar de gevestigde mensen, de leiders van de godsdienst, de hogepriesters en de oudsten, zeg maar ‘de beroepsgelovigen’, bischoppen, priesters zouden wij vandaag zeggen, zij gaven geen sjoege. Zij negeerden deze Messias, deze door het volk bejubelde Zoon van David, Hij die komt in de naam des Heren.

Wat moet Jezus Zich kwetsbaar hebben gevoeld in die dubbelzinnige dagen in Jeruzalem, waar de ‘hosana’s’ nog naklonken in de lucht, maar waar je het ‘kruisig Hem’ al kon horen aankomen.

 

Eigenlijk is dat wel het ergste: geen reactie krijgen. Je kunt dat meemaken dat je met iemand die boven je staat een gesprek voert, na veel voorbereiding. Om eerlijk onder woorden te brengen wat je meent te moeten zeggen: je zorgen voor de toekomst van de kerk, het beleid, het personeel. En het enige antwoord is een herhalen van standpunten, of zelfs zwijgen.

 

God heeft gesproken zegt Paulus. Zie toch eens hoe ver Hij is gegaan voor de mensen, de gemeenschap, het geluk en het heil van de mensen. De Zoon van God die van eeuwigheid bij de Vader was heeft Zichzelf ontledigd, leeg gemaakt en het bestaan van een slaaf op Zich genomen…En als mens verschenen heeft Hij Zich vernederd”.

 

Een beetje zoals mijn vader. De stoere vader, in de bloei van zijn leven met een geknakte rug, gaf geen bevel, maar vroeg: wil je mee naar de tuin?

Wat is ons antwoord op deze God, die ons niet vanuit de hoogte voorschrijft hoe wij moeten leven, maar die Zelf met beide benen op deze aarde is komen staan, zich in de modder, over ons kwetsbare bestaan, over de mensen heeft gebogen, als een mens die de wonden van ons leven verbindt.

 

Die Zoon van God vraagt het nu aan u en mij. “Mijn zoon, mijn dochter, ga vandaag werken in mijn wijngaard”. De wijngaard is de wereld, deze aarde, en is tegelijk de gemeenschap, de geloofsgemeenschap. Blijf niet stil zitten, zoals die hogepriesters en oudsten, met de armen over elkaar afwachtend hoe het zal aflopen met Jezus, met de mensen om je heen, met de geloofsgemeenschap, toen in Jeruzalem, nu in Amsterdam-Noord (of Zoeterwoude-Rijndijk, Leiderdorp). Wacht niet af tot op Goede Vrijdag het voorhangsel van de tempel in tweeën scheurt.

 

Een uiterst actuele vraag in onze tijd van geloofscrisis en terugloop van de kerk. Het vraagt iets van u en mij, om in te gaan op die uitnodiging van de Vader, die dringende vraag verder te zien dan mijn persoonlijke agendapunten, belangen, bezigheden en tot inkeer te komen, de uitnodiging aan te nemen en Jezus trouw te volgen, in zijn glorie, als het ‘Hosanna’ en klinkt en als de mensen ‘Kruisig Hem’ roepen. Het vraagt iets van u en van mij om te geloven in de nieuwe morgen van Pasen, in de goede krachten die in het eind zeker zullen overwinnen, het nieuwe leven dat zeker de dood zal overwinnen. Laten we antwoord geven nu de Vader ons uitnodigt.

Die kracht en moed, die inkeer en bekering mogen ons gegeven worden. Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------------

[1] Ezechiël 18, 25-28; Filppenzen 2, 1-11; Matteüs 21, 28-32


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23/24 september 2017

                      25ste zondag door het jaar.[1]

 

Een verrassende God

 

GEBED

 

Barmhartige God, uw goedheid gaat uit naar alle mensen: de trouwe vrienden van het begin maar ook de werkers van het laatste uur. Gij hebt ze allen lief: zo wonderbaar zijn uw wegen. Wij bidden dat wij uw boodschap brengen aan wie ver is of dichtbij, dat wij dankbaar zijn voor al het goede onder de mensen en vreugde vinden in uw uitverkiezing. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Ze begrepen niets meer van hun God. De Israëlieten tot wie de profeet Jesaja zich richt in onze eerste lezing, zaten in ballingschap, maar er gloorde hoop aan de horizon. Nog maar korte tijd en een nieuwe machthebber zou hun de kans geven terug te keren naar Jeruzalem en de tot een ruïne vervallen tempel weer op te bouwen. Zij hadden eigenlijk alle hoop al opgegeven en gedacht dat alles voorgoed voorbij was. Zij hadden tientallen jaren tevoren alles verloren: huis en haard, stad en tempel. Zoals talloze Syriërs nu, op de vlucht voor een vernietigende binnenlandse oorlog en vele jeugdige Eritreeërs, gevlucht voor een militaire dictatuur, die heel hun leven in de greep wil houden.

 

De Israëlieten in ballingschap moesten leven zonder alle zichtbare tekenen van hun oude godsdienst. De stad en de tempel in puin. Waar is God? Ze begrepen weinig of niets van hun God. Ze moesten leven zonder de oude gebouwen van steen en zonder het gebouw van een godsdienstige samenleving die samen optrok naar de tempel, het gebed; die samen een religieuze manier van leven in stand hield. De enige (en misschien wel mooiste) tempel die God nog bezat was die van het hart van zijn mensen, het levende lichaam van zijn gelovigen. De glorie van God is de levende mens.

 

Sommigen vergelijken de toestand van de Israëlieten in ballingschap met de situatie van de kerk, van de gelovigen in onze tijd. Het grootste deel van het godsdienstige leven is onzichtbaar geworden. Kerken worden aan de eredienst onttrokken, staan leeg, worden gesloopt of krijgen een andere functie. Onze oude Rita wordt misschien een hotel. De godsdienstige way of life is steeds minder zichtbaar. Wij hoeven als christengelovigen niet letterlijk in ballingschap, wij zijn veilig in ons land, maar innerlijk, godsdienstig zijn we misschien wel in ballingschap. Probeer er maar eens eerlijk voor uit te komen dat je gelovig bent, dat je iets met de kerk hebt. We behoren tot een zeer kleine minderheid van kerkgaande, praktiserende gelovigen. Wat zou God met ons, met zijn kerk vóór hebben?

 

Onze geloofsvoorgangers in de tijd van Jesaja worstelden ook met die vraag. Jesaja, de profeet, de voorganger, was met zijn gelovigen in ballingschap gegaan. Wat zegt hij tegen die tobbende medegelovigen, in naam van God? “Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen zijn niet uw wegen, maar zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten”.

Anders gezegd: God kun je niet bezitten, doorgronden, begrijpen. Hij ontsnapt aan de rechtzinnigheid, de rechtlijnigheid en de vrijzinnigheid van de tempel, de kerk en de moskee. Soms mogen wij Hem misschien even ervaren, maar wij mogen God niet opsluiten in onze menselijke, soms kleinmenselijke, burgerlijke gedachten. Wij mensen hebben de neiging God voor te schrijven hoe Hij moet handelen, wat eerlijk is; wat wij, goeden, verdienen, waarop wij recht hebben en waarmee de in onze ogen slechte mensen gestraft moeten worden. Dan wordt God inderdaad een projectie van onszelf. Dan komt alles wat van God gezegd wordt van beneden.

 

Maar Jesaja zegt: het gaat ons te boven. Wij begrijpen uiteindelijk niets van God. Ook de hoogste leerstellige, kerkelijke autoriteiten hebben Hem niet in de hand. God is naar onze gemiddelde maatstaven niet redelijk, rationeel, verstandig, niet keurig afgemeten. Zijn gedachten zijn niet onze gedachten. Hij is een altijd verrassende God. De bisschop, het parochiebestuur, de pastores, de vrijwilligers kunnen het kerkelijke leven nog zo goed organiseren of de toekomst nog zo goed proberen voor te bereiden, het loopt at the end of the day toch anders.

 

God is een verrassende God. Dat hadden die gelovigen tot wie Jesaja zich richt ondervonden. Zij, zoals de Syriërs en Eritreeërs vandaag huis en haard verlaten, hadden stad en tempel verloren en dachten: het is voorgoed voorbij.

Vele gelovigen denken dat u ook. Niet weinige diakens, priesters en ik kan u verklappen: zelfs niet weinige bisschoppen denken zo. Het is voorbij. Zoals toen: de tempel, het gebouw van het geloof ligt in puin. En u? En ik? Soms dacht ik ook zo.

Maar God verrast ons. Steeds opnieuw, op onverwachte manier meldt Hij zich, zich volstrekt niet storend aan kerkelijk beleidsdocumenten en overijverige kerkbestuurders. God gaat zijn goddelijke gang.

 

Dat lezen wij ook in het heilig evangelie van vandaag. Jezus, die in wezen in Persoon de grootste verrassing van God is tot geluk en redding van de mensen, - Jezus vertelt ons zijn gelijkenis over de God die onze kleine, begrijpelijke, kleinmenselijke gedachten te boven gaat. Die werkers van het eerst uur hebben natuurlijk gewoon gelijk. Zij hebben het hardst en het langst gewerkt. Wij horen de dienst uit te maken in de wijngaard van de Heer, in de kerkgemeenschap. Wij zijn de oudste vrijwilligers, het is onze kerk. ‘Wat denken die nieuwelingen wel niet. Laat ze netjes achter in de rij aansluiten’. Maar de Heer van wijngaard gaat zijn eigen goddelijke gang. “Of bent u kwaad, omdat Ik goed ben?”

 

Wij mogen het beleven in onze dagen. Er komen mensen in de wijngaard die we niet verwacht hadden en ze vullen onze rijen en bewonen onze kerk. De werkers van het elfde uur. De wijngaard zal bloeien door de verrassende God die mensen blijft uitnodigen, in zijn dienst neemt en hen van harte beloont. Zo zij het. Amen.

 

pastor N. van der Peet

--------------------------------------------------------

[1] Jesaja 55, 6-9; Filippenzenbrief 1, 20c-24.27a; Matteüs 20, 1-16a