Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 26/27 mei 2018.

                      Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

 

Zie, Ik ben met u

 

GEBED

 

Eeuwige God, U bent niet ver gebleven van Wie U aanbidden, niet hoog en breed van ons vandaag, Gij zijt zo menselijk in ons midden, dat Gij ons gebed wilt verstaan. Geef dat wij door ons leven U mogen belijden als Vader, Zoon en Heilige Geest, één God, die met ons bent tot aan de voleinding van de wereld en die voor ons leeft vandaag en alle dagen tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

VERKONDIGING

 

“Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld”.

Deze zin is de laatste van het evangelie volgens Matteüs. “Zie, Ik ben met u, met jou, tot aan de voleinding”.

Dan heb je wel alles gezegd.

 

Vorige week zaterdag keken wereldwijd ontelbaar veel mensen naar het huwelijk van de Britse prins met zijn Amerikaanse bruid. We keken naar een schitterend schouwspel van een eeuwenoude kapel, naar koninklijk geklede mensen; we hoorden welhaast hemelse koorzang en een verrukkelijke preek. Waarom kunnen wij het niet laten om naar zo’n koninklijke huwelijksplechtigheid te kijken, midden op een zomerse lentedag?

Wellicht omdat het ons diep beroert dat twee mensen tegen elkaar zeggen: ‘ik ben met jou, in goede en kwade dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid, alle dagen van ons leven’. Het raakt aan een diep verlangen van ons allemaal dat je niet alleen bent, dat iemand met jou gaat in alle stadia van je leven, tot de dood ons scheidt, zoals de aartsbisschop van Canterbury gewoon onomwonden uitsprak. Ook de dood bleef niet ongenoemd tijdens die dromerig mooie, sprookjesachtige viering.

Even later op diezelfde zaterdag vond ook hier, voor ons altaar een huwelijksplechtigheid plaats, ook deze geheel in het Engels. En ook wij waren ontroerd door twee mensen, die uit de grond van hun hart elkaar hun belofte deden: ‘ik zal er zijn, voor jou, al de dagen van ons leven’, ‘until death do us part’.

 

Vandaag vieren wij het hoogfeest van de Allerheiligste Drievuldigheid. Wij vieren niet een vaag godsbegrip, geen hersen-krakende theorie over een onuitsprekelijke, geheimzinnige macht, lichtjaren bij ons vandaan, zetelend in een ongenaakbaar hemels paleis. Wij vieren God-met-ons, God die met ons meetrekt.

 

In de eerste lezing, uit het laatste boek van de Wet van Mozes, Deuteronomium, ziet Mozes terug op heel de weg die het volk heeft afgelegd, die zware weg door de woestijn veertig jaar lang. Alleen aan de hand van het gewone leven kun je over God spreken. Mozes vraagt: “Heeft ooit een God gepoogd uit een ander volk u te komen uitkiezen”, u te bevrijden uit de macht van het land van de verslaving, de depressie, de dood? God lijkt in de ogen van Mozes en van zijn volk wel een bruidegom, die zijn volk heeft uitgekozen, die in goede en kwade dagen bij zijn mensen is gebleven en voor hen uit is getrokken naar bevrijding en leven.

 

Wij zijn kinderen van God, zegt Paulus, in de tweede lezing. Wij mogen ‘Abba, Vader’ zeggen tegen God. Geen slaafsheid, geen angst. Wij hebben de Geest van kindschap ontvangen. In navolging van Jezus zijn wij kinderen van God. Wij horen eigenlijk ook bij de Drieëenheid. Wij zijn gedoopt in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Wij horen erbij, in het leven van God. Wij zijn geen bange dienstknechten, wij zijn kind aan huis bij God. Zoals Jezus het was. Hij doet het ons voor, Hij, dé Zoon. Hij is ons voorgegaan, door het leven, door het lijden en zelfs in de bittere dood.

 

Ons evangelie vertelt wat Hij zegt na zijn verrijzenis, vlak voordat Hij weggaat, terug naar zijn Vader. We hoeven niet bang te zijn: Hij heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat en maakt alle volken tot mijn leerlingen…doopt hen…Ik ben met u.

 

Kort geleden werd ik geroepen om een man de laatste sacramenten te komen geven. Hij was nog niet oud. Opeens had een dodelijke ziekte toegeslagen. Geen behandeling, geen dokter kon hem meer helpen. Zijn kinderen stonden verslagen rond zijn bed. Hij was nog maar weinige jaren geleden gedoopt. Het was een bewuste keuze geweest. ‘Ik ben kind van God’, had hij ervaren. Hij had zich als volwassen man laten dopen, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Te zwak om tijdens de ziekenzalving het tekstboekje in de hand te houden bad hij met inspanning van al zijn krachten de gebeden uit het hoofd mee. Dat is toch een heel andere, intense manier van bidden, zomaar uit het hart, uit het hoofd. Indrukwekkend en ontroerend. Toen de zalving was verricht, de gebeden gezegd, zei hij: ‘Jezus gaat voor mij uit’.

 

Vandaag moet ik weer aan hem denken: dat is geloof in de Drieëenheid. Jezus gaat voor mij uit. Hem is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Hij heeft vanwege de Vader de Geest aan ons geven. Hij neemt u en mij bij de hand, wat het leven ook brengt, op de dag van je grootste geluk, van je huwelijk bijvoorbeeld, en op de dag dat de dood je scheidt: Hij is met ons alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld, de voleinding van ons leven.

 

Mogen we vreugde vinden en moed in dat geloof, in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, aan Wie eer is en lof, -zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

N. van der Peet

 

 ------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 32-34. 39-40; Romeinenbrief 8, 14-17; Matteüs 28, 16-20


Verkondiging in de Nieuwe Augustinus, Pinksteren, 19/20 mei 2018[1]

 

God in ons

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, de kring van vijftig dagen is voltooid waarin het paasmysterie werd ontsloten. Verleen dat de mensen die elk in eigen taal hun eigen wegen gaan, weer tot elkaar komen in het belijden van uw Naam: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

 

“Parten, Meden, Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, va Pontus en Asia, van Frygië en Pamfylië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden…”

Persoonlijk vind ik dit één van de mooiste zinnen van het Nieuwe Testament. Niet alleen vanwege de veelbetekenende inhoud, maar ook vanwege de schoonheid, het bijna poëtische ritme van deze zin.

 

Als jongen van 13 jaar zat ik in de klas bij mijnheer Prenen, leraar geschiedenis aan het Mendelcollege in Haarlem. Hij was een bijzondere verschijning op onze grote middelbare school, gesticht door paters Augustijnen, maar in de jaren zeventig steeds meer in handen van leken-leraren. Mijnheer Prenen was één van de eersten. De meeste leraren gingen met hun tijd mee. Zij kleedden zich wat vlotter, noemden soms hun voornaam en durfden ook wat meer moderne opvattingen over de politiek en over het katholieke geloof te ventileren. Maar onze geschiedenisleraar, meneer Prenen, bleef geheel zichzelf. Elke dag weer gekleed in driedelig kostuum -weliswaar enigszins morsig-, de les aanvangend met gebed, en aan het eind van de dag ook daarmee afsluitend. Hij moest geschiedenis geven, maar zijn lessen waren veel meer dan dat. Hij was behalve historicus vooral kunstenaar: een groot tekenaar (sommige boeken van zijn boezemvriend Godfried Bomans heeft hij geïllustreerd), een verdienstelijk dichter en een kenner van de literatuur. Wat een voorrecht van zo’n begaafde man les te krijgen. Last but not least, hij was een gelovige man, Hij protesteerde niet tegen de vele vernieuwingen. Als historicus wist hij terdege dat je de tijdgeest niet kon keren. Maar ook op dit terrein bleef hij geheel zichzelf: devoot, vroom, diepzinnig. Het godsdienstonderwijs was in crisis, maar hij ging heerlijk zijn boekje te buiten en gaf in de geschiedenisles tussen neus en lippen ook godsdienst. Niet volgens de nieuwe boekjes, maar vanuit hét Boek. Want hij was één van de weinige katholieke intellectuelen die de bijbel kende.

 

Toen de dag van Pinksteren naderde vertelde hij uit zijn hoofd (hij bezat een fenomenaal geheugen) het verhaal van de nederdaling van de Heilige Geest, zoals wij dat in de eerste lezing, uit het boek Handelingen der Apostelen, hoorden. En dan vooral die laatste zin: “Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië…” en ga maar door, ik ga u er niet nog eens mee vermoeien. Maar hij wel ons. En bovendien vond hij dat we deze zin maar uit het hoofd moesten leren. Wat wij gewoon deden. Kom er nog eens om. Dat zoek je toch gewoon op in je smartphone. Maar wat is het mooi het by heart te kennen.

 

Godsdienst is iets van het hart, vond hij. Wat je als een baggage, een geestelijke rugzak bij je moet dragen. Niet om eronder gebukt te gaan, maar om het iets van jezelf te maken. Geen hard juk, maar een lichte last. Het moest iets van jezelf worden, een geestelijk huis waarin je kunt wonen.

 

Pinksteren. Nu woont God in de mensen, vertelt het Pinksterverhaal volgens Lucas in zijn Handelingen der Apostelen. Niet langer staren de apostelen en de vrouwen naar de hemel. Niet langer houdt de kerkgemeenschap de deuren en de ramen uit angst voor de boze wereld gesloten, maar zij gaat de straat op en iedereen verstaat haar. Die prachtige lange laatste zin uit de eerste lezing, die wij, dertienjaren, uit ons hoofd moesten leren, is ook werkelijkheid geworden. Het geloof, het bevrijdende verhaal van Jezus’ leven, lijden, dood en verrijzenis is verder verteld in welhaast alle talen onder de hemel en in alle volken. De Heilige Geest is gegeven aan allen. Wij beleven het in onze dagen, ook in onze kerk. Vanmiddag/ gisterenmiddag nog mocht ik voorgaan in een kerkelijk huwelijk in het Engels gevierd, de bruidegom uit Groot-Brittannië, de bruid uit de Filippijnen, wonend in Tuindorp-Oostzaan, meelevend met onze parochie. Stap voor stap leren wij elkaar verstaan, gaan onze ramen en deuren open, die van ons kerkgebouw, niet langer alleen gevuld met één welomschreven groep, maar met vele volken en talen.

 

Langzamerhand mogen ook de ramen en de deuren van ons hart opengaan, voor de Heilige Geest. Dat is de kern van ons geloof: dat God geen verre monolitische god is gebleven, maar mens geworden is in Jezus en na zijn hemelvaart in u en mij wil neerdalen;  in onze levens, na onze innerlijke strijd tussen ons egoïsme en het verlangen van de Geest (zoals Paulus zo drastisch uitlegt) aan het woord wil komen.

 

Als gelovigen, als kerk moeten wij in deze tijd een beetje tegen de stroom oproeien. Het groepsegoïsme, het nationalisme maakt zich groot. Velen voelen zich onzeker en keren zich liever af van vreemden. Ook aan onze wereldwijde kerk is het niet vreemd. De strijd is nooit helemaal ten einde. Maar het hoeft ook niet meteen perfect te zijn. “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen”. Jezus is als een leraar, die weet dat zijn leerlingen niet alles meteen kunnen begrijpen, doorgronden, in praktijk brengen. Hij heeft geduld met u en mij, met zijn kerk. Hij trekt zich niet terug in een burcht van gelijk hebben en rechtzinnigheid. Hij heeft de deur opengezet. Hij is uit de hemel neergedaald. Hij is teruggekeerd naar Vader. Vandaag zendt Hij van de Vader de Heilige Geest. “Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de volle waarheid brengen”. Die Geest moge ons allen geven worden, opdat wij onszelf leren doorgronden en elkaar leren verstaan: “Parten, Meden, Elamieten…Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden”. Amen.

 

N. van der Peet

 

------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 2, 1-12; Galaten 5, 16-25; Johannes 15, 26-27; 16, 12-15


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 12/13 mei 2018[1]

 

De kracht van het gebed

 

GEBED

 

God, wij belijden dat Christus bij U is in heerlijkheid en de Verlosser is van alle mensen. Wil luisteren naar ons bidden: dat de Heer bij ons blijft tot in de vervulling van de tijden, zoals Hij ons heeft toegezegd, Jezus onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

“Ik zal voor u, ik zal voor jou bidden”.

Soms spreek ik dit korte zinnetje meerdere malen per dag uit.

Vaak is het onderdeel van het afscheid na een gesprek met een medegelovige, hier in het kerkgebouw, in de spreekkamer van het pastoraal centrum, aan het einde van een ziekenbezoek of een huisbezoek, of na een onverwachte ontmoeting en gesprek op straat of in de supermarkt.

Ik houd van mijn werk als pastor, als priester. Eigenlijk heb ik alle tijd. Soms is het zo druk, dat ik op die gedachte kom: ik heb alle tijd. En wanneer je alle tijd hebt dan is het leven vol ontmoetingen, gesprekken, heel lang of heel kort. Soms kun je in een heel korte ontmoeting even iets van jezelf vertellen, wat er op je hart is; hoe zwaar de beproeving nu is in je leven; dat je enorm tegen iets opziet; dat je zo mateloos gelukkig bent, verliefd, of juist ontzettend door een ander in de steek gelaten. Of je door God verlaten voelt.

Na het luisteren en het samen overzien en bespreken van wat er in het hart en in de gedachten of tobberijen van een mens kan zijn, loopt het gesprek soms uit tot een kort gebed, een zegenbede of - als daarvoor de gelegenheid of de sfeer niet is, de belofte: “Ik zal voor u, ik zal voor jou bidden”.

 

Als je zo’n belofte doet dan moet je je daar ook aan houden. Elke avond, als onderdeel van mijn avondgebed, de vespers, breng ik de mensen in herinnering, in mijn gebeden, aan wie ik die belofte heb gedaan. Bidden is een serieuze zaak, daar moet je niet op bezuinigen en daarmee moet je niet schipperen. Nooit heb ik woorden tekort in mijn gebed. Er zijn zovelen om aan te denken, om voor te bidden, bij God te brengen; Hem aan zijn mensen te herinneren. Hoewel, soms ben ik ook wel eens sprakeloos, als ik bedenk wat sommige mensen moeten doorstaan, wat zij meemaken. Maar ook dat is gebed: zonder woorden je hart uitstorten.

Worden onze gebeden gehoord? God alleen weet het. Wij mogen erop vertrouwen. Jezus doet het ons voor. We hoorden het vandaag.

 

Jezus bidt voor zijn leerlingen: “Heilige Vader, bewaar in uw naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij”. Jezus bidt om eenheid. Dat is zijn eerste gebed: dat de gemeenschap van de mensen, van de gelovigen die verdeelt raakt, in stukken valt, genezen wordt, geheeld, weer eenheid terugvindt. In de eerste lezing van vandaag zien wij hoe de eerste geloofsgemeenschap werkt aan die genezing. Eén van de twaalf apostelen heeft verraad gepleegd. De kerk is van God, maar is ook mensenwerk. De kerk is gewond door het verraad van een van de leerlingen. Een ánder moet zijn plaats innemen. Er zijn twee kandidaten. Zij gaan bidden. Zij leggen het aan God voor. Hij moet beslissen. Toen liet men hen loten, en het lot viel op Mattias.

Je moet maar durven. Naar mijn weten wordt er alleen in de Koptische, de Egyptische kerk geloot. Daar stelt men voor de hoogste functie, de patriarch/de paus, enkele kandidaten voor. Een onschuldig kind moet een lootje trekken. Wiens naam daarop geschreven staat, die wordt het. 

Zo werkte de eerste kerk: aan de heling, de genezing van de verbroken eenheid. Niet door eindeloze praatsessies, maar door gebed. “Gij, Heer, die aller harten kent…”

 

Bidden betekent dat je het een beetje of helemaal uit handen geeft.

Dat doen wij niet meer zo gemakkelijk. Het kost ons moeite te wachten op uitkomst, duidelijkheid, een beslissing. Het geduld is in onze dagen niet de meest beoefende deugd. In zijn grote gebed, het hogepriesterlijk gebed, waaruit wij een stukje hoorden, bidt Jezus voor ons. Hij brengt onder woorden wat wij ervaren: dat het niet gemakkelijk is als gelovigen te leven in deze wereld. “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben…Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor het kwaad.”

De gelovigen moeten niet vluchten voor de wereld. Zij moeten er midden in staan en zich zo goed mogelijk inspannen om deze wereld menselijker te maken, rechtvaardiger. Maar wij moeten er niet in opgaan, er niet alles van verwachten. De hemelvaart van Jezus, die wij deze dagen gedenken, leert ons dat onze eindbestemming ergens anders ligt, in Gods wereld, in zijn nieuwe hemel en nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.

 

Geloven in de hemel. Velen hebben dat geloof, dat uitzicht verloren. Tijdens een bezoek aan het Rijksmuseum op hemelvaartsdag hoorde ik twee jongemannen vragen: wat is nu hemelvaart in hemelsnaam? Dat is de vraag van talloze mensen in onze tijd, vastgeklampt aan de aarde als wij moderne mensen zijn. Maar we mogen ontspannen zijn, Jezus is ons voorgegaan naar de hemel, er wordt voor ons gebeden, er wordt op ons gewacht, wij zijn niet vergeten. Hij denkt aan ons nu Hij in zijn Koninkrijk gekomen is.

 

Laten wij Jezus volgen in ons gebed, laten we elkaar niet vergeten, voor elkaar opkomen, in ons werken en in ons bidden. Zo moge het zijn. Amen.

 

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 15-17.20a.20c-26;1Johannes 4, 11-16; Johannesevangelie 17, 11b-19


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 10 mei 2018, Hemelvaartsdag[1]

 

Geloof is noodzakelijk

 

GEBED

 

Almachtige God, laat ons jubelen in heilige vreugde en U dankzeggen in blijdschap. Want in de hemelvaart van uw Zoon hebt Gij ook ons verheven. Aan het hoofd van allen is Hij voorgegaan en zo heeft Hij hoop gewekt bij allen die met Hem tot één lichaam zijn verbonden. Door onze Heer…

 

VERKONDIGING

 

Vandaag is de dag van de slotwoorden. Nog een keer spreekt de verrezen Jezus zijn leerlingen toe. Volgens de eerste lezing uit de Handelingen der Apostelen verbleef Jezus na zijn verrijzenis nog veertig dagen te midden van zijn leerlingen. Maar onvermijdelijk komt de dag van het afscheid. Volgens Marcus, de evangelist van wie wij de laatste woorden hoorden uit zijn evangelie, vat Jezus nog eens in heel korte zinnen, bijna staccato zijn mission statement samen. Daarmee stuurt Hij zijn leerlingen, de elf op pad.

 

De elf. De eerste gemeenschap heeft schade opgelopen. Judas heeft zijn Heer verraden en heeft de hand aan zichzelf geslagen. Er zijn er nog maar elf. Vanaf het begin is de kerk gewond. Even dreigde de beginnende gemeente schipbreuk te lijden. Zoals zo vaak in haar latere geschiedenis, tot in onze tijd toe. Zou de kerk alle schade die zij oploopt, die zij soms zelf veroorzaakt, wel overleven? Zij is al vaak dood verklaard. Maar het kind is niet gestorven, het slaapt, steeds moet het weer gereanimeerd worden, blijkt het weer zich te kunnen oprichten, op te staan en weer te gaan bedienen. Want daartoe is de kerk door Jezus tot leven geroepen, gesticht vanuit zijn geopende hart op Golgotha.

 

Na zijn opstanding, vlak voor zijn hemelvaart bemoedigt Jezus zijn tot in haar hart gewonde kerk. “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping”. Gaat uit. Blijf vooral niet angstig binnen. Dat is een groot gevaar voor die elf leerlingen en voor ons. Deze week heeft de Utrechtse aartsbisschop, kardinaal Eijk ongehoord fel de paus de les gelezen. De aartsbisschop van Utrecht prent de bisschop van Rome in dat hij moet vasthouden aan de leer van de kerk over het huwelijk en over de heilige communie. Ik heb wel een beetje begrip en gevoel voor onze kardinaal. Hij vreest dat we wezenlijke leerstellingen, opvattingen, kostbaarheden uit het oog verliezen. Er zijn momenten waarop ook ik daarover tob en sommige van u misschien ook wel. Maar zonder twijfel houdt ook de paus vast aan de leer, maar hij vindt dat de kerk, de bisschoppen, de gelovigen uit moeten gaan over de wereld, niet bang moeten zijn dat het vergif van deze wereld met alle verleidingen en nieuwe inzichten haar zouden kunnen kwaad doen. Wees niet bang, heeft Jezus gezegd.

 

Die dag zult gij weten dat ik in u ben.

..uw hart zal zich verblijden en niemand zal u uw vreugde afnemen (…)

Ik zal met u zijn tot de voltooiing van de tijd.

 

Gaat uit om geloof en doop te brengen. Wat wij in de kerk horen en zingen en vieren en belijden zou uit onze kerken moeten komen om gedurende de week binnen te gaan in de huizen, in de kantoren, in de school, in de ziekenhuizen, de gevangenissen, in verpleeghuizen, in azc’s. Christus is bij ons. Jezus, het slachtoffer, de Zoon van God is ten hemel gevaren. Hij is bij ons, Hij leeft.

 

“Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden”. Geloof is noodzakelijk. Zonder geloof, zegt Jezus, is er alleen maar oordeel en veroordeling. Eén van de eerste boeken van de protestantse theoloog Harry Kuitert, pasgeleden op hoge leeftijd gestorven, luidde: “Zonde geloof vaart niemand wel”. Dit was meteen volgens mij zijn beste boek. Zonder geloof, vertrouwen, durf, overgave vaart de kerk niet wel, wordt zij steriel, een museum voor zielloze leerstukken. Zonder geloof, vertrouwen leven wij angstig, krampachtig, gespannen. De leerlingen, u en ik moeten niet bang zijn. We kunnen duivels uitdrijven in Jezus’ Naam, nieuwe talen spreken, slangen opnemen, het gif van deze vaak venijnige wereld zal ons niet deren. We kunnen de zieken de handen opleggen en genezing, heling brengen.

 

Nieuwe talen spreken. Met vallen en opstaan hebben die elf apostelen het moeten leren. En wij moeten het ook weer leren: nieuwe talen te spreken, nieuwe woorden te vinden voor die altijd weer verrassende boodschap van Jezus, die dezelfde blijft, alle eeuwen en generaties door en mensen zoekt die zijn kracht durven te ontvangen, om zijn getuigen te zijn overal waar zij leven en werken.

 

Zoveel moed spreekt Jezus vlak voor zijn hemelvaart zijn eerste kerkgemeenschap in. Zoveel moed spreekt Jezus ons vandaag in. Hij belooft ons vandaag dat Hij met ons zal meewerken en kracht zal schenken aan onze woorden en tekenen. Mogen wij uit zijn kracht en uit geloof leven. Amen.

                                                                                       

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 1-11; psalm 47; Efeziërsbrief 1, 17-23; Matteüs 16, 15-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 5/6 mei 2018

                      zesde zondag van Pasen[1]

 

Vrienden worden

 

GEBED

 

Barmhartige God, geef dat wij deze blijde dagen ter ere van de verrijzenis van de Heer met toewijding vieren, om met overtuiging in praktijk te brengen wat Jezus ons heeft geleerd en voorgedaan. Hij die met u leeft en heerst…

 

VERKONDIGING

 

Deze week hebben wij afscheid moeten nemen van twee parochianen die bij velen van u bekend zijn: Maria Wilhelmina - Mien - Marinus en Jan van Kan. Aanstaande dinsdag vindt de uitvaart plaats van Afra van Hecke. Drie mensen die trouw waren aan hun geloof, dit intens hebben beleefd. Zij hebben alledrie een respectabele leeftijd bereikt. Jan van Kan werd 89 jaar. Mien Marinus en Afra van Hecke werden beiden 94 jaar. Zij leefden vanuit een diep, persoonlijk beleefd geloofd.

 

Zij waren opgevoed in een tijd waarin het katholieke geloof nogal rationeel werd beleefd, met een zekere gestrengheid, niet erg persoonlijk. Je moest de catechismus goed kennen, veel weten en onthouden en veel voorschriften onderhouden. Geloofskennis en trouw aan de geboden zijn overigens helemaal niet verkeerd. Misschien schiet de geloofsbeleving van vandaag daarin wel wat tekort. Mien Marinus, Jan van Kan en Afra van Hecke groeiden op in een gesloten katholicisme, in de volkskerk. De gelovigen werden niet uitgenodigd om heel persoonlijk na te denken over hun geloof. Veel belangrijker vond men het toen aan te sluiten bij de gemeenschap, solidair, volgzaam.

 

Alle drie onze dierbare overleden medeparochianen maakten de grote veranderingen door in het kerkelijke en maatschappelijke leven. De tijd van de individualisering brak aan. Het geloof moest een persoonlijke keuze worden. Voor veel katholieken bleek dat niet voor de hand te liggen, of niet haalbaar. Tallozen haakten af, niet zelden met een zucht van verlichting. Toen de strak georganiseerde, gereglementeerde katholieke zuil ging wankelen namen zij afstand. De pas overleden parochianen niet. Zij bleven. Zij dachten persoonlijk na over hun geloof. Jan van Kan, ooit monnik geweest, zocht in zijn leven als echtgenoot, vader en opa in het dagelijkse leven naar het mysterie van God, raakte daarover niet uitgedacht en uitgesproken. En ook Mien Marinus, die dag en nacht als verloskundige klaar stond voor ontelbare vrouwen in Amsterdam-Noord en hun kindjes hielp het eerste levenslicht te aanschouwen en Afra van Hecke, lieve echtgenote, sterke, liefdevolle moeder en oma, bleven hun kracht zoeken in het gebed, in de eucharistie, als in een geheime bron van genade, kracht, troost. Alledrie vrienden van Jezus.

 

In zijn afscheidswoorden aan de tafel van het laatste avondmaal, toen Jezus als een dienaar de voeten van zijn leerlingen had gewassen en zichzelf in tekenen van brood en wijn had gegeven, nodigt Jezus ons uit zijn vrienden te worden. “Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb ik vrienden genoemd, wat Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord.” De dienaar voert alleen maar voorschriften en geboden uit. Zoals het ook vroeger wel ging in onze kerk, in onze kloosters, in het onderwijs en in heel de maatschappij. Wanneer dat strenge bewind ophoudt, dan kun je je natuurlijk helemaal bevrijden en weglopen. Maar je kunt ook door alle voorschriften geboden leren heen zien naar Hem tot wie al die regels en geboden willen leiden: Jezus Zelf. Hij wilde niet heersen, Hij wilde dienen, waste de voeten van zijn leerlingen. Hij wilde geen slaafse onderdanigheid, geen hielenlikkerij, Hij zocht geen knechten. Hij wilde vriendschap met de mensen.

 

Eigelijk was het vroeger veel gemakkelijker, zeggen sommige oudere gelovigen mij wel eens: je wist precies waar je aan toe was. Je kon leunen op de grote, bijna anonieme gemeenschap. Je geloofde wat de pastoor, vader abt of wat de bisschop en uiteindelijk, aan de top van de pyramide, wat de paus geloofde. Maar waar bleef je zelf, werd je hart er warm van?

 

Jezus zoekt geen dienaars, die voortdurend naar zijn ogen kijken; die denken dat zij er zijn als zij zich nauwgezet aan de regels en geboden houden. “Gij zijt mijn vrienden als gij doet wat Ik u gebied”. Niet uit angst, niet uit gewoonte, sleur, maar uit vriendschap leven, liefhebben, geloven.

 

Wat is vriendschap?

“Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord”. Alles meedelen, alles delen. Zo bezien is vriendschap iets prachtigs en tegelijk een enorme opgave. Vriendschap is de grootste gave die jou en mij ten deel kan vallen en tegelijk een grote opgave. Want zij ontstaat pas en overleeft alleen maar als je jezelf geeft, je zelf opent, alles meedeelt, deelt met de mens naast je, je levenspartner, je kinderen, je ouders, met Jezus en zijn Vader. Zoals Jezus deed aan de tafel van het laatste avondmaal. Hij gaf Zichzelf: Hij brak Zichzelf als brood, schonk zijn leven uit als een beker wijn en aan het Kruis opende Hij zijn hart.

 

Zoals Mien Marinus, Jan van Kan en Afra van Hecke mogen we méér worden dan knechten die de regels precies onderhouden. We mogen - zoals zij het in hun lange leven, in hun zoektocht naar vernieuwd geloof, persoonlijk geloof, vrienden worden van Jezus.

Laten ook wij proberen die weg van persoonlijke vriendschap te gaan, om vruchten voor te brengen die blijvend mogen zijn”. Amen.

 

Nico van der Peet, pr.

 

-------------------

[1] Johannes 15, 9-17


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Vijfde zondag van Pasen, 28/29 april 2018[1]

 

Terug naar af

 

GEBED

 

God, U hebt ons verlost en tot uw geliefde kinderen aangenomen.

Zie in uw goedheid naar alleen die U als een vader bemint. Geef hun die in Christus geloven, de ware vrijheid en het erfdeel in het eeuwig leven.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

 

“Allen waren bang van hem”.

Arme Saulus/Paulus. Hij had al zijn schepen achter zich verbrand. Hij, de invloedrijke man binnen de geloofsgemeenschap van Israël. Iedereen keek naar zijn ogen. Er werd voor hem gesidderd. Hij was immers de kampioen van de rechte leer. Ieder die zich daar niet nauwgezet aan hield, kreeg met de starre Saulus te maken. Vele mensen had hij uit hun huizen gesleurd en gevangen gezet, omdat zij de nieuwe leer volgden van Jezus van Nazareth, volgens diens leerlingen na een smadelijk lijden en sterven aan het kruis, opgestaan uit de dood. Saulus moest er niets van hebben. Gezonden door de hoogste autoriteiten in Jeruzalem zette hij een agressieve campagne op touw tegen de nieuwe weg, de volstrekt weerloze, kwetsbare weg van Jezus e zijn toen nog weinige volgelingen.

 

Maar dan opeens, bijna in een oogwenk, wordt alles anders. De hoog te paard, vast in het zadel gezeten Saulus, onderweg naar Damascus om zijn campagne ook daar voort te zetten, komt ten val. Er is een verblindend licht. Hij is tot niets meer in staat. Als een kind moet hij bij de hand worden genomen, drie dagen en drie nachten.

Hij wordt als het ware gedwongen de weg te gaan van Hem, die hij te vuur en te zwaard vervolgt. Pas na drie dagen gaan zijn ogen weer open en leert hij stap voor stap met nieuwe ogen te zien, een nieuwe visie te krijgen op God en de mensen en bovenal op Jezus. Hij, de volmaakte, orthodoxe gelovige, moet zijn hoge positie loslaten, zijn humorloze zelfverzekerdheid, zijn starre, onvrije geloofsbeleving. Een soort van ‘cold turkey’ moet hij ondergaan.

 

Dan laat hij zich dopen, de perfecte bekeerling. Zijn hardheid en onverbiddelijkheid laat hij los, maar hij blijft de mens die hij was: actief, enthousiast. Hij wil aan de slag, leven als volgeling van Jezus, de kerkgemeenschap mee helpen opbouwen. Op dat punt aangekomen lezen wij vandaag: “Allen waren bang van hem, omdat zij niet konden geloven dat hij een leerling was.” Dat is ook eigenlijk niet te geloven: dat een mens zo kan veranderen. Wat moet je nu als kerkgemeenschap, als parochie met zo iemand die zo heel anders is, met zo’n achtergrond, verleden, reputatie? Laatst zei een man die gedoopt wil worden, een man met een zeer moeizaam verleden, die door velen negatief is beoordeeld en veroordeeld: doopt u me maar een beetje uit het zicht, in een kapel.

 

Maar één man, één medegelovige trok zich het lot aan van Paulus, Barnabas. Hij maakt zijn naam waar: ‘zoon van de troost’. Hij stelt Paulus voor aan de apostelen, vertelt deze hoge autoriteiten in Jeruzalem over de bekering van Paulus. Barnabas treedt in de parochie op als een buddy van Paulus. Nu kan hij deelnemen aan het kerkelijk leven. Hij gaat in discussie met Hellenisten. Zij zijn joden die afkomstig waren uit de Griekssprekende wereld, gelovige mensen van de wereld. Zij moeten helemaal niets hebben van de rechtzinnige Paulus, wiens bekering zij wantrouwen, nog heftiger dan de anderen. Zij willen van hem af, ze zien hem als gevaar. Zij kunnen eenvoudig niet geloven in bekering.

 

Wat nu? De broeders, de gelovigen die Paulus wel een kans wilden geven, lieten hem naar Tarsus vertrekken. Wat betekent dit? Hij wordt naar huis gestuurd. Tarsus was zijn geboortestad, ver weg van Jeruzalem en Damascus. Paulus is terug bij af. Wat een enorme mislukking. Het staat er met weinig woorden, zonder commentaar. Maar hij moet zich afgewezen, verloren hebben gevoeld. Hij, de volmaakte bekeerling, die zijn hoge positie in godsdienst en maatschappij heeft opgegeven, omdat hij Jezus, de verrezen Heer, had gezien; omdat hij zo geraakt was door de persoon, het leven, het lijden en opstaan van Jezus. Alles heeft hij als gevolg van zijn bekering verloren, maar zichzelf nieuw gevonden; zijn aanzien, zijn positie verloren, maar zijn ziel gered. Uiteindelijk staat hij helemaal moederziel alleen, terug in Tarsus.

Maar misschien was dit wel de enige weg voor Paulus. Want na zijn bekering begon hij al gauw weer te discussiëren, een grote mond op te zetten. Het ging misschien wel allemaal veel te vlug.

 

Jezus zei bij het laatste avondmaal tot zijn vrienden: “Elke rank die wel vrucht draagt, zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen”. In de oorspronkelijke tekst van het evangelie wordt het woord ‘catharsis’ gebruikt: zuivering. Paulus moet nog heel wat wildgroei, nog veel onzuivers in zichzelf overwinnen, loslaten. Misschien herkennen we dat allemaal wel enigszins. Je komt jeze[f tegen of dat is in het verleden gebeurd. Je komt pas echt verder in je leven, je relatie, je loopbaan, als je bereid bent jezelf te laten zuiveren, een catharsis te ondergaan. Anders zullen de problemen, de fouten, de missers steeds de kop op steken.

 

Zuiveren doet pijn. De wijnbouwer, God, moet wildgroei aan de wijnstok van ons leven afsnijden. Alleen dan kan er groei komen, menselijke, geestelijke, godsdienstige groei. Die groeipijn maakt je eenzaam. Niemand kan dat voor jou doen. Je moet het zelf ondergaan. Zoals Paulus, die teruggestuurd wordt naar Tarsus. Zoals Jezus de vrouwen en de leerlingen na zijn opstaan uit de dood de opdracht gaf terug te gaan naar Galilea, terug naar af. Jezelf weer terugvinden, om na een periode van zuivering jouw roeping weer te horen, de weg die Jezus voor jou wil, vóór je te zien. Groei kun je niet afdwingen, moet je ondergaan. Die vraagt tijd, geloof, vertrouwen, geduld. Zo zullen wij Jezus’ leerlingen worden. Amen.

 

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 9, 26-31; 1Johannes 3, 18-24; Johannes 15, 1-8