Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 2 juli 2017, dertiende zondag door het jaar.[1]

 

Welgesteld en arm

 

GEBED

 

Heer onze God, in mensen kom Gij ons tegemoet, in hun gelaat kunnen wij U herkennen. Wij bidden U dat wij aan deze uitnodiging niet voorbijgaan, maar gastvrij worden en openstaan voor ieder die uw profeet kan zijn en ons verhaalt van uw Zoon, Jezus Christus, onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

De lezingen in onze eucharistie vandaag cirkelen om gastvrijheid.

Een echtpaar dat alle hoop op kinderen en dus - zeker in die bijbelse tijd zonder AOW en pensioen - op oudedagsverzorging allang had verloren, ontvangt nieuwe toekomst omdat de man en de vrouw gastvrij zijn, hun huis royaal openzetten voor die vreemde vogel, die helemaal niet van deze wereld is, de profeet Elisa. Niet van deze wereld: hij droomt van een andere wereld en hij werkt aan andere verhoudingen, een goede verhouding met God, een samenleving van gerechtigheid, waar hart is voor de weduwe, de kinderloze, de wees, de vreemdeling. Geen gesloten wereld waar alles helder is en geregeld eens voor goed, maar een wereld waar de profeet, waar God een kans krijgt binnen te komen, en dus de mens een kans heeft menswaardig te leven.

 

Ook Jezus spreekt over de gastvrijheid. “Wie u opneemt, neemt Mij op, en neemt Hem op (God) die Mij gezonden heeft”. Gastvrijheid maakt rijk, dat ondervond die welgestelde vrouw in Sunem samen met haar man. Welgesteld, zij had alles, maar op het meest gevoelige terrein van haar leven wist zij zich samen met haar man straatarm.

 

Die welgestelde vrouw in Sunem lijkt misschien wel een beetje op onze westerse cultuur. Nooit in de geschiedenis was de oorlog zo lang afwezig, nooit waren volken generaties lang zo welgesteld, en toch zijn tallozen angstig, en innerlijk, geestelijk arm. Het rijkste land sluit zijn grens voor hele categorieën mensen, uit angst dat er iets mis kan gaan. Dan is het eigelijk al mis, dan is de hoop, de toekomst eigenlijk al verloren, lijkt me. Dan is het leven, het samenleven, de afwezigheid van oorlog geen gave, geen geschenk meer, maar een angstig bezit, krachtig bewaakt, zonder vreugde; een welgesteld leven zonder dat men ervan kan genieten. Dan ben je pas arm.

 

Gastvrijheid maakt rijk.

Gisteren werd de Wijksafari in Amsterdam-Noord, Floradorp en De Banne, afgesloten: het grote cultuurproject van Adelheid Roosen. Een maand lang, vier middagen in de week, vier uur lang trokken publiek en acteurs door onze wijken. Deuren van kleine huizen in Floradorp en in de Banne gingen open. Mensen deelden elkaars leven, gingen in de schoenen van anderen staan, probeerden zich het leven van heel andere mensen voor te stellen. Dagelijks waren vele mensen onderweg en halverwege kwamen zij hier in dit huis. Dit huis dat van niemand is. Want het is Gods huis. Elke middag heb ik het een beetje proberen uit te leggen van achter het altaar. Dit huis heeft geen economisch nut. Het kost alleen maar. Mensen gaan er zomaar binnen, om God te zoeken, gemeenschap te ervaren, een kaars op te steken. Of om een plaats te hebben om afscheid te nemen van een gestorven geliefde. Of om ja te zeggen -eens en voorgoed- tegen deze levende geliefde voor wie je alles wilt opgeven. “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig.” Wat een ontzettend woord van Jezus is dat toch. Het betekent ook: de ander, mijn vrouw, mijn man, mijn kind is niet mijn bezit. Hij of zij heeft een ziel, gelovig gezegd: een onsterfelijke ziel waarover ik niet kan beschikken. Hij of zij is geen bezit dat ik voortdurend angstvallig bewaak, maar een geschenk, dat ik dankbaar ontvang, in mijn leven toelaat.

 

Maar goed, deze kerk, dit gebouw: een plaats om beslissende dingen te beleven, te zeggen, alles wat het gewone leven te boven gaat.

Tijdens die wijksafari heb ik iets ontdekt over de kerk. Onder andere dat zij ontroert. Meermalen zag ik mensen die wellicht nooit een kerk van binnen zien, stil worden, zachtjes huilen ook. Alsof er een innerlijk venster openging dat anders gesloten blijft. ’Ik ben niet van mijzelf, het gaat me te boven’.

Omdat wij onze kerk openzetten, werd de kerk meer zichzelf, huis van niemand, want huis van God, die op iedere mens wacht. Huis van iedereen, die de deur van zijn innerlijk durft open te zetten.

Gastvrijheid maakt rijk.

 

Voor de eerste keer sinds lange tijd was ik vorige week trots op onze koning en zijn echtgenote. Zij bezochten de paus, onze veelgeplaagde paus, die het moet aanzien dat één van zijn belangrijkste medewerkers in staat van beschuldiging is gesteld voor kindermisbruik. O God, mogen de felle ontkenningen van deze kardinaal waar blijken!

 

Maar ik was eerlijk gezegd niet zozeer trots op het bezoek van de koning aan de paus, hoe sympathiek ik die staatsvisite ook vond, inclusief droevig stemmende zwarte jurk en sluier van onze katholieke koningin, die nu eenmaal met een protestantse vorst is getrouwd.

 

Trots was ik om het verrassende bezoek van het koningspaar aan de Siciliaanse hoofdstad Palermo en zijn burgemeester, die onbekommerd de vele vluchtelingen die landen op de kusten van Sicilië, verwelkomt. Deze burgemeester is ervan overtuigd dat zijn stad er menselijker van wordt als zij zich niet hermetisch afsluit van al die mensen. Willem Alexander wilde naar hem luisteren, van hem leren, proberen te begrijpen welke verrijking die man bedoelde. Jezus zegt: al geef je maar een beker koud water, omdat deze medemens mijn leerling is, evenzeer als jij pogend iets te leren; wetend dat je hier op aarde te gast bent, hopend op toekomst, nieuw leven, een nieuwe generatie, zoals die welgestelde weduwe van Sunem, die alles had behalve vreugde, toekomst. Zij kreeg weer leven en toekomst , omdat zij haar deur openzette voor de mens van God. Gastvrijheid maakt rijk. Amen.

 

N. van der Peet

----------------------------------------------------------------

[1] 2 Koningen 4, 9-11.14-16a; Romeinenbrief 6, 3-4. 8-11; Matteüs 10, 37-42


Verkondiging Sacramentsdag in De Nieuwe Augustinus, 17/18 juni 2017[1]

 

Brood van Leven

 

GEBED

 

God, in dit wonderbaar sacrament hebt U ons de gedachtenis nagelaten van het lijden en sterven van Jezus. Wij bidden U: laat ons de geheimen van zijn zijn  Lichaam en Bloed met zo grote eerbied vieren dat wij de genade van uw verlossing voortdurend in ons ervaren.

Door Jezus Christus uw Zoon…

 

 

VERKONDIGING

 

“Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar”.

Mozes had het volk uitgeleid uit de slavernij van Egypte. Hij is de Israëlieten veertig jaar voorgegaan tijdens de uitputtende woestijntocht. Nu is zijn taak bijna klaar. Hij kijkt nog eenmaal terug. Het boek Deuteronomium is één grote terugblik op een leven. Vanmiddag vindt hier een kerkelijk huwelijk plaats. Een echtpaar dat al een hele weg met elkaar heeft afgelegd. Na jaren hebben zij weer hun geloof opgenomen en zullen vandaag hun huwelijksbeloften van 25 jaar geleden herhalen, nu voor Gods Aangezicht. Ook bij hun huwelijk zullen deze woorden van Mozes worden gelezen, omdat deze vrouw en deze man zich daarin herkennen.

 

‘Blijf denken aan heel die tocht in de woestijn; hoe je beproefd werd en soms misschien zelfs wel vernederd; wat een honger je hebt gehad; ja misschien wel lichamelijke honger, ook dat komt ook in onze samenleving nog voor. Onze voedselbanken zijn niet voor niets opgericht. Op deze dag van het sacrament, van het voor ons heil gebroken brood, herinner ik u nog maar eens aan onze voedselbank. Laten we niet vergeten voedsel mee te nemen naar de kerk. Ons voedsel gegeven voor mensen die het alleen niet bolwerken, krijgt door het weg te geven sacramentele betekenis: het wordt teken van leven, meeleven, delen, niet vergeten worden met al je problemen en schulden.

 

Maar behalve de lichamelijke honger er is ook nog die naar geluk, naar begrip, naar elkaar verstaan, geborgen te zijn, veilig, aanvaard, ook binnen het huwelijk, in het gezin. Het is vandaag naast Sacramentsdag ook Vaderdag. Zowel het huwelijk vanmiddag als de viering van Vaderdag brengen ons ertoe over dat verlangen, die honger na te denken. In onze tijd waarin alle vormen van relaties onder druk staan; waarin vele kinderen het meemaken dat hun moeder en vader ieder een eigen weg gaan en het leven als een woestijn kunnen beleven, is het goed te denken over het vaderschap, over elke vorm van geborgenheid en liefde die wij nu ervaren of in het verleden thuis van onze eigen vader hebben mogen ontvangen. Ook al is hij of was hij misschien niet in alle opzichten van het vaderschap perfect.

Mozes zegt het niet voor niets: ons leven is een geschenk; onze vrijheid, ontkomen aan slavernij en verslaving, is een groot geschenk. Maar ons leven is bij tijd en wijlen ook een woestijntocht. Tijdens deze tocht word je beproefd: ben je trouw aan de geboden, trouw aan het door jou gegeven woord. Waar leef je van: van voedsel, van materie alleen, of is er meer waarvan je leeft, waaruit je put?

 

Om ons heen bestaat er allerwegen grenzeloos materialisme. Soms denk je dat de grens wel bereikt is, maar dan hoor je weer verhalen of je ziet mensen bij wie het nog eens ‘over the top’ gaat. Wat las ik nu over een president? Een jaarinkomen van 594 miljoen dollar!

Maar dat materialisme zit misschien ook wel in mij of u. Ook al is mijn en waarschijnlijk ook uw jaarinkomen iets kleiner. “Hij wilde u laten beseffen dat de mens niet leeft van voedsel alleen, maar van alles wat uit de mond van de Heer komt”.

Wij gelovigen horen deze woorden, ze zijn ook voor ons en over ons gezegd: dat wij nog van iets anders leven dan van voedsel, materie alleen. Dat wij leven van dat woord dat ons wordt toegesproken. Elke zondag weer in de kerk of thuis in uw eigen bijbel. Een boodschap, een woord dat zelfs is mens geworden. Jezus, van wie geschreven staat dat Hij het levend Brood is gebroken voor ons heil…Ik ben het Brood dat leven geeft aan wie in mij gelooft”.

 

In het middelpunt van ons zoektocht, onze levensreis als katholiek christen staat het Brood, de eucharistie, de heilige communie. Je mag wel zeggen: daar draait het allemaal om. Dat merken wij hier ook bij allerlei grote, vreugdevolle of verdrietige momenten in het leven van mensen. Het ontvangen van de heilige communie is voor velen een kracht, een troost, een vreugde. Door dat te ontvangen komen zij als het ware geestelijk weer thuis. En niet zelden hoor ik een zekere spijt doorklinken wanneer iemand zegt: ik ben al zoveel jaren niet te communie gegaan.

 

De gelovigen die Mozes volgden in de woestijn hebben zich al gesterkt en getroost gevoeld dat er brood was dat hun zomaar gegeven werd: ‘brood uit de hemel’ hebben zij het genoemd. Zoals ook aan ons het Brood dat Christus Zelf is, zomaar wordt gegeven. Wij vieren Sacramentsdag om ons daarvan weer bewust te worden. We mogen weten dat het de Heer is die bij ons is op onze woestijntocht, onze levensreis. Dit geconsacreerde brood is er - om paus Franciscus te citeren - niet alleen als prijs voor de volmaakten, maar ook en misschien wel vooral als kracht, steun, geneesmiddel voor de onvolmaakten, de zondaars, de onvolkomen mensen die wij mogelijk allemaal wel zijn. Wij zeggen niet voor niets voor elke heilige Communie: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts een woord en ik zal gezond worden”. Om bij elke volgende stap in jouw leven, jouw liefde, jouw moeite en verdriet, jouw vriendschap of jouw huwelijk, je vaderschap of kind-zijn kracht, troost en moed te vinden.

“Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die het manna gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven”. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

----------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 8, 2-3. 14b-16a; 1Korintiërs 10, 16-17; Johannes 6, 51-58


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 10/11 juni 2017,

Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

 

Barmhartig, medelijdend

 

GEBED

 

Uw Woord van waarheid, Vader, en uw Geest van heiligheid hebt U de wereld in gezonden om het wondervol mysterie van uw God-zijn aan de mens te openbaren. Geef dat wij in het oprecht belijden van het geloof de eenheid erkennen van uw heilige Drievuldigheid en dat wij U aanbidden, God in macht en majesteit. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Dit volk is halsstarrig”.

Zo stort Mozes zijn hart uit bij God.

De woestijntocht was eigenlijk op een bittere teleurstelling en mislukking uitgelopen.

Terwijl Mozes op de berg Sinaï de woorden ontving, de Wet, de Tora, de Tien Woorden of Geboden, geloofde het volk het verder wel. Of beter: de Israëlieten hadden hun geloof stap voor stap losgelaten. Ze hoorden maar niets en nog minder zagen zij iets. Wat was die Mozes toch hoog en droog met God bezig. Leefde Mozes nog wel, bestond God nog wel?

 

De rest van het verhaal is bekend. De mannen en de vrouwen van Gods volk verzamelden goud. Van goud kun je tenminste zeker zijn. Dat behoudt zijn waarde. Je kunt beter goud kopen dan geld op de bank zetten, zeggen sommige mensen; ik heb het zelfs een bisschop horen zeggen. Goud, o goud. Ze smolten hun gouden munten en sieraden om en maakten een gouden kalf. Beeld van rijkdom, van vruchtbaarheid, welvaart. Nu kunnen we ons tenminste neerwerpen voor iets tastbaars. We kunnen onze pret niet op.

 

Toen Jozua en Mozes van de berg afdaalden met de twee stenen platen met de Woorden van God hoorden zij een enorm gejoel en geschreeuw. Mozes zei tegen Jozua: “Het zijn geen juichkreten van overwinnaars, en het is ook geen gejammer van overwonnenen, ze zijn aan het zingen, hoor ik”.

 

Zingen voor de Heer is twee keer bidden (Domino cantare bis orare), zei sint Augustinus. Zingen kan heel  vroom zijn, toegewijd, vanuit het hart. Maar dit zingen van de mensen klonk vals. Ze zingen buiten zinnen, laveloos, met een niet te laven dorst naar nog meer goud, schittering; met een niet te stillen honger naar zich onderwerpen aan de rijkdom. ‘Deze geldgod is het die ons uit Egypte heeft bevrijd’. ‘Zonder geld kun je niks’, wat die vrome Mozes daar bovenop zijn berg ook aan het bidden is.

Leefde Mozes nog wel, bestond God nog wel? We hebben al zo lang niets van hem gehoord. God is iets van vroeger. Nu zijn we alleen in deze woestijn, in dit harde leven.

 

Halsstarrig, zegt Mozes, is het volk. Het keert God de rug toe en gaat zijn eigen weg.

Zo kan het gaan in je geloofsleven: dat God verdwijnt, niet uit alleen uit Jorwerd, maar ook uit je persoonlijke leven. Niet in elk pastoraal gesprek gaat het uitgesproken over God. Je kunt een heel godsdienstig gesprek voeren zonder de naam van God uit te spreken. Soms zegt iemand, zonder God te noemen, iets over haar of zijn vertrouwen. ‘Hoe ziek ik ook ben, ik heb vertrouwen, ik ben niet alleen’. Soms zegt iemand: ‘ik ben teleurgesteld; wat heb ik fout gedaan; waar heb ik dit aan verdiend?’

Maar soms is God daar heel uitgesproken, in heel zijn majesteit of in zijn afwezigheid. ‘Waar is God, nu ik zo ziek ben, zo afhankelijk?’ Of: ‘wat er ook gebeurt, God is bij me.’

 

Hoe was dat voor Mozes?

Hij was al op jaren. Hij had een heel leven, een zwaar leven achter de rug. Alles leek voor niets. Hij had een ervaring gehad van God. Zoals je dat kunt hebben: een intens gebed, een stilte in de kerk, een lied, een woord, een persoon die zomaar om je geeft.

Maar nu is hij oud, wat een leven, wat een moeite, wat een teleurstellingen. Waar heb ik het allemaal voor gedaan? Een stotterende oudere man, die het allemaal niet meer zo goed weet. Ooit geloofde hij vast en zeker, alles was duidelijk. Hij blaakte van energie. Eigenlijk een beetje te veel energie. Dat werd hem bijna fataal. Zijn rechtvaardigheidsgevoel was zo groot dat hij een onderdrukker doodsloeg. Jarenlang moest hij op de vlucht. Een harde, eenzame tijd als vluchteling. Maar er waren gelukkig mensen die hem opvingen. Hij kon een nieuwe start maken. Hij had zijn enorme energie ingetoomd, onder het juk geplaatst van zijn geloof; hij was een nederig mens geworden, dat wil zeggen: met beide benen op de grond.

Nu, ouder geworden: waar is God, in deze wereld waar de meeste mensen alleen maar lijken te gaan voor het goud, geld of het grote graaien?

 

Op een goede dag gaat hij nog eens de berg op, dat wil zeggen, hij zoekt de eenzaamheid, het gebed, de ontmoeting. De twee stenen platen nam hij mee. Er stond nog niets op. Alles is onbeschreven, leeg wat hij heeft. Zo kan het gaan in je leven: dat de oude woorden en formules niet meer werken. Daar hoef je niet van de te schrikken. God gaat dat avontuur met jou aan, om Hem in een nieuwe fase van je leven opnieuw te zoeken, te ontdekken, zoals je dat ook kunt beleven in je relatie met de meest dierbare mensen. Geen grote woorden en waarheden meer. Hij gaat met lege handen, een leeg hart.

“De Heer ging hem voorbij en riep”.

‘De Heer ging hem voorbij’. Je kunt God niet in het gelaat zien, vastpakken, zoals bij dat gouden kalf. ‘Hij gaat aan je voorbij’. Alleen in het voorbijgaan kun je Hem ervaren, in het voorgaan van de jaren, jouw ervaringen, jouw grootste vreugde en je diepst verdriet.

“De Heer ging hem voorbij en riep: ‘De Heer! De Heer is een barmhartige en medelijdende God, groot in liefde en trouw”.

 

Barmhartig en medelijdend. Een God die mee-lijdt, die niet vanuit de hoogte neerkijkt op ons zwerven en zoeken, onze zuchten en ziekten, maar uit liefde met ons meegaat, meelijdt.

Johannes zegt: “Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven”.

Zo is de naam van God, heeft Mozes gehoord en ervaren: barmhartig, medelijdend.

 

Vandaag vieren het mysterie van de ene God, drievuldig.

Hoe barmhartig en medelijdend God is hebben wij gevierd in de veertigdagentijd en in de paastijd tot en met Pinksteren.

Zo medelijdend dat Hij, Vader, Schepper, Verlosser, Zichzelf geeft:

in zijn Zoon, God-met-ons.

Dat Hij bij ons wil blijven, in ons wil wonen, God-in-ons, zijn Heilige Geest, heiligend, heel-makend, genezend.

Moge het gebed van Mozes stap voor stap ook ons gebed worden,

- als wij halsstarrig worden, alleen, zonder veel ervaring van Gods nabij zijn:

“Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee”.

Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Schriftlezingen: Exodus 34, 4b-6.9-9; 2 Korintiërs 13, 11-13; Johannes 3, 16-18


Verkondiging Pinksteren, zondag 4 juni 2017.

Handelingen 2, 1 - 11; 1 Korintiërs 12, 3b-7.12-13; Johannes 20, 19-23

 

Vrede zij U

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, de kring van vijftig dagen is voltooid waarin het paasmysterie werd ontsloten. Verleen dat de mensen die elk in eigen taal hun eigen wegen gaan, weer tot elkaar komen in het belijden van uw Naam: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

Op de derde dag, in de avond van Pasen zijn de leerlingen bijeen, de deuren op slot; de eerste kerkgemeenschap is bang voor de buitenwereld.

Jezus doorbreekt hun angstige beslotenheid:

“Vrede zij u”.

 

Ook wij doen meestal de deur op slot, althans letterlijk. Wij zijn bang dat er iets kan gebeuren met de kerk en houden haar daarom gesloten. Maar gelukkig gaan haar deuren aan het einde van de ochtend meestal open. Voor de viering van de liturgie, kort, rustig, eenvoudig, maar geconcentreerd, en om open te zijn voor gebed, stilte, zomaar even binnengaan. De kerk is geen vergaderlokaal, maar een huis van ontmoeting met God en zijn levende lichaam, de kerkgemeenschap. De lamp brandt. De Heer is hier in de schaduw van brood.  Maar helaas, meestal is de deur op slot. Misschien kunnen we daar ooit iets aan doen. Deze weken is de kerk trouwens vaker open. De wijksafari is begonnen en Adelheid Roosen, zelf intens rooms opgevoed, heeft me gevraagd of de kerk wil meedoen aan dit bijzondere toneelproject, van buurtbewoners en van jonge studenten van de toneelschool in Amsterdam. Van woensdag tot en met zaterdag gaat de kerk half drie ’s middags open. Diaken René of ik staan bij het altaar terwijl de acteurs en het publiek binnenkomen. Een kort woord volgt over de kerk: waarom zij hier staat, wat hier gebeurt: mensen op zoek naar het geheim van leven en sterven, op zoek naar God, naar elkaar, enkele honderden per week die hier komen op zondag of door de week, om te rouwen of te feesten of stil biddend bij de aanwezigheid van Jezus onder de schaduw van brood. Daarna zing ik iets, een ‘Kyrie eleison: wees bij ons, ontferm u over ons op onze levensreis, onze safari door de wijk, de stad, het leven’. Een student speelt orgel, prachtig weemoedig en krachtig tegelijk.

Eerst wilde ik helemaal niet meedoen. Het kost me teveel tijd. Ik heb nuttiger dingen te doen. Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken, bleef ik maar denken en soms ook zeggen. Maar ze hielden aan. Wilt u alstublieft de deur opendoen voor ons? ‘De kerk staat midden de wijk; die kunnen we toch niet missen?’ Wat een teksten! Uiteindelijk voelde ik me beschaamd dat ik durfde te aarzelen. Als de kunstenaars en de buurtbewoners nu willen binnenkomen…

Na de repetities en het begin deze week ben ik dankbaar, dat die niet- of niet meer kerkelijke mensen mij, ons dat geven, dat hebben veroorzaakt: de deuren open, de kerk als deel van de safari, de reis door de buurt, door de tijd. Wat is het goed hier te zijn zonder veel nuttigheid en efficiëntie, de tijd voorbij te laten gaan. Mensen de kans geven binnen te gaan door onze bijna altijd gesloten deuren.

 

“…toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden (volksgenoten die anders dachten), kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij u”.

Ook al had Jezus geen reden om vrede te hebben met deze bange leerlingen, toch is zijn eerste woord vrede. Hij schenkt hen vergeving. Hij maakt met die angstige apostelen een nieuw begin.

Wat moeten zij nu doen, nu het lijden en sterven en het opstaan uit de dood, nu de paastijd vrijwel voorbij is? Jezus blaast over hen. Op wondere wijze geeft Hij hen de kracht van de Heilige Geest. Al zijn levenskracht geeft Hij door aan zijn leerlingen, aan u en mij. Vanaf Pinksteren wil Hij doorleven in ons, zijn kerk, zijn levende lichaam. Dat zich niet moet verschansen achter gesloten deuren, bang dat het mis kan gaan, angstvallig dat de kerk zou kunnen afgaan, fouten maken. Ik herinner me dat een kerkleider een tijd geleden zei: ‘nee, ik ga niet in op uitnodigingen van talkshows op televisie, want het zou zomaar kunnen gebeuren dat ze zullen spotten met het geloof en met de kerk; dat de kerk te schande wordt gemaakt’. Begrijpelijk maar dramatisch. Kerk achter gesloten deuren, bang dat er iets mis kan gaan. Zo wordt de Heilige Geest opgesloten of zal Hij elders aankloppen en Zich laten zien en voelen, met voorbijgaan aan zijn Kerk met koudwatervrees. De apostelen die in de ochtend van Pinksteren in alle talen spraken zaten er niet mee dat zij voor dronkaards werden gehouden. Zij zetten zichzelf op het spel. Wat hebben wij nu te verliezen?

 

Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvangt de Heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zij ze vergeven en als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven”. Dat is de eerste opdracht die de apostelen krijgen: zonden vergeven. Van jullie hangt het af of er vergeving komt onder de mensen; nieuwe, herstelde verhoudingen. Een nieuw begin, vergeving komt niet uit de lucht vallen. Die moet door de gelovigen worden gegeven en doorgegeven. Wat een opdracht. Het sacrament van boete en verzoening gaat terug op dit woord van Jezus. Maar eigenlijk hebben wij allen deze opdracht. Wij zijn allen bedienaars van de vergeving. Als jullie dat niet doen, zegt Jezus, dan verandert er niets, dan zijn de zonden niet vergeven. Dan blijft het doorzieken in je hart, in je familie en vriendenkring.

 

Vandaag, op Pinksteren, gaat Jezus door onze gesloten deuren. Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, toneelspelers en buurtbewoners, Eritreeërs en Filippino’s, Surinamers en Antillianen, Polen en Libanezen zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door de doop een enkel lichaam geworden en allen werden gedrenkt met een Geest. Zo moge het worden. Amen.

 

N. van der Peet


Verkondiging Hemelvaartsdag, 25 mei 2017, De Nieuwe Augustinus[1]

                    

 

GEBED

 

Almachtige God, laat ons jubelen in heilige vreugde en U dankzeggen in blijdschap. Want in de hemelvaart van uw Zoon hebt Gij ook ons verheven. Aan het hoofd van allen is Hij voorgegaan en zo heeft Hij hoop gewekt bij allen die met Hem tot één lichaam zijn verbonden. Door onze Heer…

 

 

VERKONDIGING

 

De elf leerlingen begaven zich naar Galilea.

Zij waren gehoorzaam aan het woord van Maria Magdalena en de andere Maria die op de morgen van Pasen van de verrezen Jezus deze opdracht hadden gekregen: “Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen zij Mij zien”.

De broeders, dat wil zeggen de apostelen gehoorzamen de vrouwen. Dat is eerlijk gezegd toch wel iets om even de aandacht op te vestigen. Daar hebben de apostelen en hun opvolgers niet altijd in uitgeblonken: het luisteren naar de vrouwen die op haar beurt hebben geluisterd naar het woord van Jezus. Gelukkig zijn er in de geschiedenis wel een paar bijzondere voorbeelden of zo u wilt uitzonderingen. Ik denk aan Hildegard van Bingen, abdis, geleerde, mysticus, heilige, die in de twaalfde eeuw een enorme invloed had op de bisschoppen, op theologen en wereldlijke bestuurders. Vanuit haar klooster, haar stille gebed en haar beschouwing had zij antwoorden op ingewikkelde problemen en geloofsvraagstukken van haar tijd, voor mannen die te weinig tijd namen om rustig te beschouwen.

In onze tijd was Moeder Teresa van Calcutta een zeer invloedrijke vrouw in kerk en wereld. Vanuit een innige gehechtheid aan Christus, de lijdende Heer,  wees zij dat deel van de wereld waar overvloed is, op het schandalig trieste lot van de armen, de weerloze mensen. Zij had grote invloed in onze kerk, op de paus, de bisschoppen.

 

Wat is de boodschap, de opdracht die de vrouwen in het evangelie in naam van Jezus aan de mannen hadden meegedeeld: Dat ze naar Galilea moeten gaan. ‘Daar zullen zij Mij zien’.

 

Naar Galilea gaan: dat is de landstreek waar zij vandaan kwamen, de plaats waar zij ooit door Jezus geroepen waren, achter hun netten vandaan, om Hem te gaan volgen. Teruggaan naar je roots, je wortels, de oorsprong van je roeping. Daar zul je de Heer zien.

 

Gisteren was ik weer even terug op de plaats, waar mijn roots liggen, in Haarlem, in de kathedraal en in Haarlem-Noord waar ik ben geboren en opgegroeid. In de kathedraal was ik om de uitvaartmis te celebreren van een van mijn beste vrienden, Frans Geels, priester van ons bisdom Haarlem-Amsterdam. Hij was bijna acht jaar ouder dan ik. Veel te jong gestorven. Een begaafd musicus die na het conservatorium en een muziekcarrière een priesterroeping was gevolgd. Tijdens mijn eerste Mis in september 1990 heeft hij op mijn verzoek gepreekt. Onvergetelijk mooi. Over geroepen worden in een tijd waarin wij godsdienstig gezien in de winter leven, dat wil zeggen een tijd waarin weinig tekens van nieuw godsdienstig leven in onze kerk zijn te ontwaren. De winter serieus nemen, adviseerde hij mij in die bijzondere preek. Actief en beschouwend leven, vol hoop op een nieuwe lente. Dus niet zozeer leven uit optimisme, maar uit de hoop die je put uit je band met Jezus, uit het woord van Jezus: “Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld”. Jezus, zegt de tweede lezing, heeft ons voor zijn heengaan uit de wereld hoop gegeven waartoe Hij ons roept, zicht op de heerlijkheid en ons kracht, ja macht gegeven. De zelfde macht die God betoonde toen Hij Jezus uit de doden deed opstaan. En het is Jezus die Hij als Hoofd heeft gegeven aan zijn kerk. De kerk is niet uw en niet mijn eigendom noch eigendom van een synode of van de paus. Nee, de opgestane Heer is Zelf het Hoofd van de kerk. We hoeven dus niet al te veel te tobben.

 

Gisteren was ik weer in de kathedraal voor die verdrietige opdracht een van mijn beste vrienden te gedenken, voor hem de eucharistie te vieren en daarna te begraven, in Haarlem-Noord, waar hij en ik zijn opgegroeid. Teruggaan, zeg maar naar Galilea, naar de plaats van Jezus je heeft geroepen. Voor ieder ligt Galilea ergens anders, de plaats namelijk waar je ontdekte wie je bent, waartoe jouw hart getrokken wordt, naar wie jouw hart getrokken wordt. Jezus wil dat je daarnaar terug gaat. Dat wil zeggen, Hij zoekt jouw hart, jouw kwetsbare hart. Hij wil zijn leerlingen weg hebben uit dat verwarrende Jeruzalem waar zo verschrikkelijk veel is gebeurd. Waar die leerlingen zoveel lijden, pijn en verdriet hebben gezien; waar zij Jezus zo lelijk in de steek hadden gelaten; waar hun menselijk falen zo erg aan het licht was gekomen. Wat is dit toch mooi, dat Jezus hen niet alleen laat met hun verdriet, hun falen, hun tekort, maar dat Hij hen, dat Hij ons weer opzoekt, ons roept door mensen van wie je het misschien nooit zou verwachten, in hun geval bij monde van die twee vrouwelijke volgelingen van Jezus. Wat een geluk dat die trotse kerels uiteindelijk zo nederig zijn geworden dat zij naar haar geluisterd hebben.

 

Wanneer je dan terug gegaan bent naar jouw roots, de plek waar het allemaal ooit begonnen is, wanneer je je dan losgemaakt hebt uit alle verwarring, verdriet, ontrouw en falen, dan wacht Jezus op jou om jou opnieuw een opdracht te geven, aan te nemen als zijn volgeling, zijn vriend. Dan krijgen zij, dan krijgen wij te horen: “Je zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over je komt, om mijn getuigen te zijn…Gaat dan…zie, Ik ben met jou alle dagen tot aan de voleinding der wereld”. Dat waren volgens Matteüs de laatste woorden van Jezus.

 

De Heer is naar de hemel opgestegen, een wolk onttrok Hem aan hun ogen. Wij zien Hem niet meer. Hij is bij ons onder de tekenen van de sacramenten, brood en wijn, lichaam en bloed; het vormsel, het huwelijk, de wijding. Onzichtbaar, onder de tekenen van ons gewone leven in Galilea is Hij bij ons. We staan er niet alleen voor. ‘Blijf niet naar de hemel staren’, blijf niet staren naar alles wat voorbij is, hoe begrijpelijk dat ook is. Hij zal wederkeren, maar in afwachting daarvan zul je kracht ontvangen om van Hem getuige te zijn. Die kracht geve ons God. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

----------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 1 - 11; Efeziërs 1, 17 - 23; Matteüs 28, 16-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Eerste heilige Communie, vijfde zondag van Pasen, 14 mei 2017[1]

 

Helemaal vol vreugde

 

GEBED

 

God, U hebt ons verlost en tot uw geliefde kinderen aangenomen.

Zie in uw goedheid naar alleen die U als een vader bemint. Geef hun die in Christus geloven, de ware vrijheid en het erfdeel in het eeuwig leven.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Helemaal vol vreugde worden,

zegt Jezus ons vandaag, zegt Hij jullie vandaag in het bijzonder, beste Kinderen.

 

Ook grote mensen worden altijd helemaal blij van het Eerste Communiefeest. Zij moeten dan vanzelf terugdenken aan de dag van hun eerste heilige Communie. Ik werd aangenomen 22 mei 1966, 51 jaar geleden. Och hemel, ik word oud.

Een onvergetelijke zondag. Het was een koude meizondag. Tientallen meisjes en jongens liepen plechtig in de rij de kerk binnen, de meisjes rechts, de jongens links. De meisjes allemaal prachtig gekleed, in het wit, als bruidjes. Onderweg naar de tafel, het altaar van Jezus, de Bruidegom. De jongens in een korte broek met een blazer/colbertje. Waarschijnlijk het eerste dat zij droegen. Behalve ik. Ik had net zo lang gezeurd bij mijn vader en moeder tot ik een lange broek mocht dragen. Ik vond mezelf toen al te lang voor een korte broek. Dat was dus een goeie zet op die koude meizondag. Ik heb de foto nog, ik kan het bewijzen.

 

Een onvergetelijke zondag. Jezus komt bij, je ontvangt Hem, had de pastoor ons geleerd. Jezus is bij je, je bent nooit meer alleen. Je bent voortaan met Jezus verbonden. Wat een mooie zondag was dat, nooit meer alleen, altijd met Jezus verbonden.

Daarom vinden alle grote mensen jullie feest vandaag zo prachtig. Daarom zit de kerk propvol.

Wij, grote mensen, zouden wel weer dat kind willen zijn, opnieuw als kinderen worden.

 

Ik zal mezelf en alle grote mensen een geheim verklappen.

Dat kan, je kunt weer worden als een kind, verbonden als een rank met Jezus, de wijnstok. Je moet er iets voor doen, maar er wordt op je gewacht, Jezus wacht op ons, grote mensen, totdat wij opengaan voor Hem, tijd maken voor Hem.

 

Jezus wacht op ons. Hij is de wijnstok, wij de ranken. Wij kunnen alleen maar groeien en bloeien en vrucht dragen als wij verbonden blijven met Hem.

Jezus zegt ons vandaag (we hoorden het): “Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken. Wie met Mij verbonden blijft die draagt veel vrucht”.

 

Hoe blijf je verbonden?

Ik zie drie manieren.

 

Ten eerste. Door te bidden.

Maar je zult zeggen: daar heb ik geen tijd voor. Ik moet werken, ik moet naar het sportveld, ik moet mijn mailtjes lezen, mijn youtube-filmpjes bekijken.

Dat is waar, Dat moet je allemaal doen.

Maar ik geef je een tip. Als je twee of drie youtube-filmpjes minder kijkt per dag dan houd je genoeg tijd over om de rozenkrans te bidden of samen een bijbelverhaal te lezen.

Dat is één: samen bidden. Om Jezus, om God, om Maria niet te vergeten; om verbonden te bleven. Connected, niet alleen met het internet, maar met God, met Jezus.

 

Dan de tweede manier om met God en Jezus verbonden te blijven.

Je kunt thuis bidden, maar hier is ook de kerk, jouw tweede huis. Het huis waar Jezus op je wacht. Hij is hier altijd. Hij woont in het tabernakel. Daarin worden de heilige Hosties bewaard. De Godslamp brandt. Er is vuur in dit huis. Het vuur van Gods liefde. Het vuur van Gods verlangen naar jou, naar u, naar mij. Dit huis is meestal stil. Tussen mijn gesprekken en werkzaamheden door loop ik er een paar keer per dag in. Ik kniel neer voor het altaar en het tabernakel. Jezus wacht op mij. Al die drukte, al dat belangrijke gedoe van mij. ‘Word toch eens stil, man. Luister toch eens naar de stilte. Dan kan Ik iets influisteren in de stilte van jouw hart. Geef Mij een kans om met jou verbonden te zijn.’

Dat is de tweede manier. Naar de kerk komen, het huis van God, het huis waar Jezus in het tabernakel op jouw wacht, om met jou verbonden te zijn.

 

Dan, lieve kinderen, dierbare grote mensen, de derde manier om met God en met Jezus verbonden te blijven.

De heilige Mis of eucharistie met een moeilijk woord, de heilige Communie. We hoorden het in de eerste lezing. Jezus nam brood: ‘Dit is mijn Lichaam’. En de beker met wijn: ‘Het nieuwe verbond in mijn Bloed’.

Vandaag, beste kinderen, ontvangen jullie voor de eerste keer de heilige Communie. Het is eigenlijk hetzelfde brood dat Jezus in zijn handen nam in de laatste avond van zijn leven. Hij wacht hier in dit huis van de kerk, ons tweede huis, op jou, om Zich aan jou te geven. Hoe is dat mogelijk?

Dat is een groot geheim, een mysterie. Al 51 jaar geleden deed ik mijn eerste heilige Communie. Eb nog steeds is het voor mij een mysterie. Zoals ook de liefde van je ouders voor jullie een mysterie is dat je nooit helemaal begrijpt. Dat hoeft ook niet. Jezus houdt zoveel van ons dat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven, toen en nu nog steeds.

Je eerste heilige Communie. Zorg dat het niet je laatste communie wordt. Vraag aan pappa, mamma, om een echt nieuw begin te maken.

Een paar youtube-filmpjes minder per dag of een film minder op de teevee en je hebt op zondag of zaterdagavond genoeg tijd om naar de kerk te gaan, je tweede huis, waar Jezus op je wacht, waar je steeds weer met Hem verbonden kunt zijn.

Nooit meer alleen. Helemaal vol vreugde worden!

Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------

[1] Lezingen: 1 Korintiërs 11, 23-26; Johannes 15, 1-11