Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 26/27 januari 2019

                      Derde zondag door het jaar[1]

 

Een openbaring

 

GEBED

 

God, menigmaal hebt Gij gesproken door uw profeten, maar in Jezus van Nazareth herkennen wij gelovig uw mensgeworden Woord, de blijde boodschap voor alle mensen. Wij bidden U: maak ons bereid gelovig naar U te luisteren; dat wij uw Woord ter harte nemen en het aan allen te verkondigen. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Soms kan het je gebeuren dat iemand een woord spreekt, dat je diep raakt en waarin iets wezenlijks over jezelf gezegd wordt.

Jongstleden vrijdag is overleden mevrouw Virginia Lassing. Twee dagen eerder had ik haar op haar verzoek een bezoek gebracht in haar woning in Nieuwendam. Niets wees er op dat zij enkele dagen later zou heengaan. Zij had behoefte aan gesprek, dat vrijwel een monoloog was, een fascinerende  alleenspraak van deze vrouw die veel nanacht over bijna de eeuw die zij had meegemaakt.  Een leven in Amsterdam doorgebracht. Geboren in de jaren tussen beide wereldoorlogen. Een detail uit haar monoloog wil ik u vertellen, omdat het u en mij kan sterken en haar inspiratie helpt voortleven. Tijdens de tweede wereldoorlog was zij middelbare scholiere aan Fons Vitae, dé rooms-katholieke middelbare school voor meisjes. De school, die nog bestaat, was gesticht en gerund door zusters franciscanessen van Heythuysen. De meeste zusters hadden gestudeerd opdat zij lerares konden worden aan het lyceum. Zoals zoveel katholieke meisjes was ook Virginia Lassing diepgaand beïnvloed door deze zusters.

 

Natuurlijk had zij haar voorkeuren. Eén zuster-lerares maakte diepe indruk.

In de verwarrende eerste oorlogsmaanden hield deze zuster haar leerlingen voor zich niet van de wijs te laten brengen door opvattingen en door propaganda die strijdig was met een katholieke, christelijke levensvisie. Bij al het geroep en gebrul van de bezettende macht moesten de leerlingen Christus voor ogen houden en zijn liefde voor de zwakken, de armen en onderdrukte medemensen.

Christus, zoon van het Joodse volk, dat in de oorlogsjaren gruwelijk werd vervolgd, ook in het ooit zo rustige Amsterdam-Zuid.

Houd Christus voor ogen, zijn waarheid, zijn gerechtigheid.

Houd daaraan vast in deze verwarrende tijd.

Virginia Lassing en haar klasgenotes werden aangespoord vaak naar de heilige Mis te gaan in de schoolkapel. Want in de eucharistie -betoogde de zuster met vuur- ontmoet je persoonlijk Christus, die om de gerechtigheid, de waarheid, om zijn liefde voor alle mensen zijn leven heeft gegeven, als gebroken brood en vergoten wijn, zijn bloed.

 

‘Deze zuster-lerares’, vertelde zij mij woensdagmiddag, twee dagen voor haar onverwachte overlijden, ‘heeft richting gegeven aan mijn leven. Zowel door de inhoud van haar woorden als door haar liefdevolle, kalme, vastbesloten uitstraling’.

Zij was voor de tiener Virginia een lichtbaken in duistere tijden. Zozeer dat zij als 94-jarige nog met liefde aan deze religieuze vrouw terugdacht. Deze had iets gezegd, gedaan en voorgeleefd dat over de jonge lyceum-leerlinge zélf ging. Het was een helder moment van herkenning geweest in die inktzwarte oorlogstijd, - een openbaring. Zo kan ik leven, denken. Dit is mijn overtuiging, mijn weg.

 

Over zo’n moment van helderheid horen wij in de lezingen van vandaag.

De priester Ezra leest voor uit de boeken van de Tora, de Wet. Het volk had die woorden misschien nog wel nooit gehoord. Ze waren immers pas terug uit ballingschap. Eén, twee generaties waren geboren en opgegroeid op vreemde grond. Nu was een nieuwe wereldmacht opgestaan. Ze mochten terugkeren naar het land van hun voorouders. Eindelijk waren ze weer in de stad en kon de tempel weer worden opgebouwd.

Maar voordat de stenen van de tempelruïne weer worden opgestapeld moet het volk eerst innerlijk worden opgebouwd, gesticht. Wat heb je aan een tempel, aan luisterrijke kerkgebouwen als de bezoekers, de gelovigen innerlijk niet vaststaan, gefundeerd zijn?

De gelovigen luisteren geduldig van de dageraad tot de middag.

Vandaag waren ook ónze schriftlezingen nogal lang, maar we hoeven toch niet de héle ochtend te luisteren.

Ze luisteren, ze verstaan het en begrijpen het omdat er duidelijk werd gepreekt en wat méér is: de mensen zijn ontroerd. “Het hele volk was in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de Wet hoorde”.

Eindelijk klinkt er een woord dat richting geeft aan hun leven, na de jaren van verwarring die zij hadden moeten meemaken.

Dat gebeurde toen op het tempelterrein in Jeruzalem, dat gebeurde in 1940 in een klaslokaal in Amsterdam-Zuid en wellicht is het ook gebeurd in uw en mijn leven: dat je een woord hoort, een voorbeeld ontmoet; dat iemand spreekt en vooral voorleeft met gezag. En misschien hebben u en ik ooit zelf de taak, de moed en de verplichting om met onze overtuiging voor de draad te komen, met gezag te spreken.

 

Zoals Jezus met gezag het bijbelwoord van Jesaja voorleest en in alle rust eraan toevoegt: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan”. Laten wij met de gelovigen toen in Jeruzalem; met de gelovigen in de synagoge van Nazareth en met onze overleden parochiane Virginia Lassing in alle verwarring, te midden van al het geroep in onze dagen Christus voor ogen houden en zijn liefde, waarheid en gerechtigheid; en Hem persoonlijk ontmoeten, zo vaak we kunnen, in de viering van de eucharistie.

Amen.

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] Nehemia 8, 2-4a. 5-6. 8-10; 1 Korintiërs 12, 12-30; Lucas 1, 1-4; 4, 14-21


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 19/20 januari 2019

                      Tweede Zondag door het jaar, Kana.[1]

 

Tot het laatst bewaard

 

GEBED

 

Barmhartige God, in een heilig verbond  hebt Gij Uzelf aan ons geschonken: zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zo ook verheugt Gij u in ons. Geef ons in deze viering uw Geest die vreugde brengt in overvloed. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

Vorige week stonden wij met Jezus bij het water: het feest van de doop van de Heer. Hij is de rivier de Jordaan doorgetrokken. Hij is diep gegaan, gedoopt. Ons woord doop heeft heel veelbetekenend te maken met het woord diep. Wie zich laat dopen of zijn kinderen laat dopen wil op een ander niveau leven, denken, voelen. Mijn kind, ikzelf, de mens is meer dan een toevallig product van biologie en evolutie. Dat is zij/hij wellicht ook. Maar er is iets bijzonders met ons aan de hand. Wij zijn meer dan vlees, geraamte en bloed. Wij zijn geestelijke wezens, die onrustig zijn totdat wij rust gevonden hebben bij een ander, de ander, bij God. Wij zoeken naar vriendschap, verbondenheid, een zinvol verband, een verbond van liefde. Dat geeft ons het water en de heilige Geest van de doop: een onverbrekelijke band met God; een onuitwisbaar merkteken, een soort geestelijke tattoo, niet uit te wissen. Wat u, jij, ik ook van ons leven maakt: Gods houdt van u en mij. Hij geeft zijn verbond met ieder van ons nooit op. Ook al zijn wij ontrouw, Hij blijft trouw, Hij blijft op ons wachten. Zoals een bruidegom vol verlangen wacht op zijn bruid. We hoorden het in de eerste lezing uit de profeet Jesaja, De profeet struikelt bijna over zijn lieve, verliefde woorden. Eigenlijk is de eerste lezing een liefdesbrief van God aan ons, een minnedicht. “Zoals een jongen zijn meisje trouwt, zal Hij die u opbouwt, u trouwen; en zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid zal uw God zich verheugen in u”. Die woorden werden geschreven in een tijd dat de geloofsgemeenschap en Jeruzalem in puin lagen en alles weer opnieuw moest worden opgebouwd; toen niets er op wees dat er spoedig weer een groot bruiloftsfeest kon plaatsvinden.

 

Het water, de doop van Jezus en onze doop is van beslissende betekenis, maar het is pas het begin. Wat volgt erop? De bruiloft. De viering van een liefdesverbond. Jezus viert het feest van het leven van twee mensen en hun familie en vrienden. Zijn Moeder is ook uitgenodigd, de broeders, de leerlingen. Er is een tafelmeester, een soort sommelier, die van de wijn staat te proeven. U ziet het op het plaatje van het prachtige Italiaanse schilderij. De tafelmeester lijkt wel een pater die alles weet van goede wijnen en die het zich zo te zien goed laat smaken. Er zijn de dienaars, in het Grieks: de diakens, die vaart in het feest brengen en houden. Het mag niet inzakken. Op bevel van de bruidegom en de tafelmeester zeulen zij met water en wijn, met kruiken en glazen. Het leven moet verder gaan. Ook als er geen wijn meer is. Maria bemoeit zich ermee. “Ze hebben geen wijn meer”. Het antwoord van Jezus is welhaast ondraaglijk: “Vrouw, is dat soms uw zaak?” Wat kan een kind zijn moeder toch zeggen! De Zoon kent zijn eigen tijd, zijn eigen roeping en zijn persoonlijke antwoord: “Nog is mijn uur niet gekomen”. Het heil, het geluk van de mensen, van de mensheid is geen familiezaak. Dat is de zaak van God. En Jezus is niet alleen kind van Maria, maar ook en vooral Zoon van God.

 

Wat is dit in vredesnaam voor een bruiloft, dat er onvoldoende wijn is ingeslagen? Alles is op: de goede wijn die je eerst uitschenkt als de smaakpapillen nog fris zijn en op scherp staan; en de mindere wijn, als de stemming zo is opgelopen dat niemand meer fijn kan proeven. Wat is dit voor bruiloft? Johannes, de schrijver van het verhaal, vertelt ons over meer dan over een toevallige bruiloft.

 

Het is de toestand van de mensen, van de mensheid, de geloofsgemeenschap, de samenleving.

Zij hebben geen wijn meer.

Zij zijn wel gedoopt, er is water genoeg, zeshonderd liter. Toe maar.

We komen niet om van de dorst.

We zijn gedoopt, we kunnen drinken, maar daar houdt het wel mee op. Verder is er niets meer te beleven. Het feest van de mensheid is stil gevallen. De warmte, de gloed, de verrukking van de wijn is nergens te bekennen.

 

Op dat feest dat dreigt te mislukken is Jezus uitgenodigd. De bruidegom en de bruid kunnen niet op eigen kracht een succes maken van hun leven. Zij hebben Jezus, de Zoon van God, de Zoon van Maria nodig. Zij is ook uitgenodigd, om voor te spreken: ‘Ze hebben geen wijn meer’; en om naar haar Zoon te wijzen: ‘Doet maar wat Hij u zeggen zal’. Haar voorspraak en aansporing om trouw te blijven aan Jezus, kunnen wij niet missen.

 

Er zijn diakens, dienaars en dienaressen nodig: u en ik, om te redderen, te zorgen dat het feest van het leven niet voorgoed mislukt. In een armoedige, smakeloze, kille wereld, in een samenleving die maar niet gelukkig wil worden, die ontevreden is, tekort schiet, ja egoïstisch is, zijn er dienaars nodig die de gloed van de wijn, de liefde, de vriendschap, de zorgzaamheid royaal uitschenken, de beste wijn bewaren voor de mensen die die warmte het meeste nodig hebben; mensen die de wijn goed kunnen proeven en kunnen beoordelen wie wat nodig heeft.

 

Tenslotte: ‘zo maakte Jezus te Kana een begin met de tekenen en openbaarde zijn heerlijkheid’.

Dit was nog maar het begin. De doop was een belangrijk begin en ook dat eerste bruiloftsfeest. Het vraagt veel inzet om door te gaan, trouw te blijven, een heel huwelijk lang, totdat uiteindelijk, bij de laatste maaltijd van brood en wijn Jezus’ uur gekomen is en Hij Zichzelf zal geven, zijn Lichaam als gebroken brood, zijn Bloed als uitgeschonken wijn.

Tot het laatst bewaard, om ons te bevrijden. Amen.

 

-----------------------------------------------

[1] Jesaja 62, 1-5; 1Korintiërs 12, 4-11; Johannes 2, 1-12


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 29/30 december 2018

                     Feest van de Heilige Familie.



Drie dagen in Jeruzalem

 

GEBED

 

God, vandaag doet U ons denken aan het Gezin van Nazaret, waarin uw Zoon is opgegroeid. Verleen aan elk gezin de kracht om U te dienen en voor elkaar te leven. Dan zullen wij in lengte van dagen de vrede kennen van uw huis, de vreugde ondervinden van uw heerlijkheid.

Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

“Omdat zij Hem niet vonden, keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug”.

De Ouders zoeken naar hun Kind.

Er is iets beslissends gebeurd daar in Jeruzalem. De Jongen is veranderd. Hij blijft na hun vertrek achter. Reizen was gevaarlijk in die tijd, zoals het dat in zekere zin nog steeds is. Het is veiliger in karavaan te reizen, dan sta je sterker, dan durven kwaadwillende mensen je niet zo gemakkelijk aan te vallen. De ouders denken dat hun Kind zich ergens bij de karavaan bevond. Maar Hij is niet meegegaan, Hij is achtergebleven in Jeruzalem.

 

Het Kind is pas twaalf. Maar in zijn geloofsgemeenschap is dat een belangrijke leeftijd. Op die leeftijd vindt een beslissend overgangsritueel plaats. Voor de eerste keer mag het zelfstandig uit de Tora, de Wet van Mozes, de Heilige Schrift lezen. Het ritueel heet ‘bar mitswa”. De jongen wordt zoon van de Wet. Voortaan is hij verantwoordelijk, dat wil zeggen hij moet gehoorzamen aan de geboden van Gods Wet en Hij moet Zelf antwoord kunnen geven op vragen. Wat wij Jezus ook horen doen. Hij was er goed in. “Allen die Hem hoorden waren verbaasd over zijn inzicht en zijn antwoorden.”

 

De ouders zoeken naar hun Kind. In heel de karavaan kunnen zij Hem niet vinden. Ze reizen helemaal terug naar Jeruzalem. Drie dagreizen.

Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel.

In die drie dagen is er iets beslissends gebeurd.

De Jongen is veranderd.

Hij heeft zijn ware huis, zijn bestemming gevonden. “Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”

Na die drie dagen is alles anders geworden.

Het Kind laat het kind-zijn los. Hij staat op tot een nieuw bestaan, tot zijn persoonlijke bestemming.

 

Maria en Jozef hebben Hem dan wel gevonden, zijn fysieke verschijning, maar Hij is een ander Kind.

Voortaan antwoordt Hij Zélf, gehoorzaamt Hij aan een andere stem, aan zijn persoonlijke roeping.

Hij ging wel met hen mee naar Nazaret, maar Hij was voortaan niet zozeer meer aan hen gehoorzaam. Nee, er staat iets anders: “Hij was aan hen onderdanig”. Letterlijk: Hij was ónder hen, Maria en Jozef, gesteld. Wat iets anders is dan dat Hij hen gehoorzaamde.

Zo kan het gaan met een puber en volgens mij gebeurt dat heel vaak: hij of zij houdt zich zo goed mogelijk aan de regels die zijn ouders stellen, maar deep down luistert hij of zij al naar andere stemmen, meningen; speurt hij of zij al naar andere perspectieven.

 

Vandaag vieren wij het feest van de Heilige Familie.

Jezus groeide op binnen een gelovig, Israëlitisch gezin. Hij leerde de Tora, het geloofsverhaal kennen en maakte het Zich eigen.

Als het goed is groeien wij, die het mooie feest van zijn geboorte, Kerstmis, hebben gevierd mét Hem op, blijven wij Hem volgen, richten wij ons leven, ons geloven, hopen en liefhebben naar Hem.

Zeker, het is heerlijk en goed om met zovelen kerstmis te vieren, zijn komst als klein Kind in Bethlehem.

 

Maar nu wil dit Kind in ons leven groeien tot een volwassen bestaan, een persoonlijk geloof, een eigen antwoord, een nieuw horen, een nieuwe gehoorzaamheid. Anders behouden wij een kinderlijk geloof of zelfs een sentimenteel geloof, zonder volwassen doordenking en beleving.

 

Zoals alle belangrijke elementen van ons leven moet ook het geloof tot ontwikkeling en groei komen. Voor Jezus gebeurt dat in zijn Heilige Familie, waar Hij ondergeschikt is, maar tegelijk zijn eigen weg gaat, Zich niet meer in alles voegt, maar achterblijft, in gesprek gaat met mede-gelovigen buiten de eigen familie. Voor ons is dat hopelijk de kerk-, de parochiegemeenschap, waar we een plaats vinden waar we over onze geloofsbeleving kunnen spreken, waar we gezinnen en jongeren een bijdrage kunnen ondersteunen in de geloofsopvoeding en -vorming en waar we samen ons geloof in praktijk kunnen brengen.

 

Het Kind Jezus wil opgroeien in ons midden. Zonder een familie, een geloofsgemeenschap, zonder de kerkgemeenschap zal Hij niet meer ter sprake komen in onze wereld, zal alleen de jaarlijkse viering van Kerstmis een verre echo worden van het christelijk geloof.

De drie dagen waarin Maria en Jozef hun Kind moesten missen, doen ons denken aan de drie dagen van Pasen, waarin Maria haar Kind definitief lijkt te verliezen.  

Ook dan is Jezus in Jeruzalem, bij het huis van zijn Vader, waarvoor Hij zelfs zijn leven zal geven.

Zo zal Jezus trouw zijn tot in de dood, aan zijn Vader, aan zijn levensroeping. Laten wij proberen Hem heel die weg, van Kerstmis naar Pasen te volgen, in het gelovig vertrouwen dat wij met Hem op die derde dag mogen opstaan tot nieuwe mensen. Amen.

 

N. van der Peet


Verkondiging in de Nieuwe Augustinus op Kerstmis,

                     in de Nachtmissen, maandag 24 december 2018

 

Leven in het Gastverblijf

 

GEBED

 

God, het wonder van de mens, het is uw werk, uw schepping. Maar de verlossing is nog groter wonder, want zo hebt U ons herschapen. Wij vragen U dat wij het goddelijk leven met Hem mogen delen, die zichzelf ontledigd heeft en voor ons mensgeworden is: Jezus Christus onze Heer…



VERKONDIGING

 

Zusters en broeders, in de afgelopen weken heeft zich voor mijn ogen zichtbaar, vanaf de achtste verdieping waarop ik woon in een groot flatgebouw dichtbij metrostation Noord (zeg ik nu eindelijk een beetje trots), welhaast een wonderbare transformatie voltrokken. Vanuit mijn keukenraam kon ik in binnen weinige weken een stukje stad zien verrijzen. Met behulp van een enorme kraan werd woning na woning op elkaar gestapeld. Nu kunnen er honderden mensen wonen op een terrein dat een kwartaal geleden nog braak lag, vroeger een atletiekcomplex en een parkachtig landschap.

Vind ik het jammer dat ik de opgewekte geluiden van het atletiekveld niet meer zal horen en dat ik niet meer kan uitkijken naar het groen van bomen en struiken?

 

Ik moet u eerlijk bekennen dat ik eerder opgewekt werd van al die activiteiten in mijn gezichtsveld. Het uitzicht, mijn perspectief is de laatste tijd grondig veranderd.

‘Hier wordt een stad gebouw overal om ons heen. Huizen en bomen en mensen van licht en steen’, schrijft één van onze vaderlandse lieddichters. Onze stad en zelfs enigszins Amsterdam-Noord is in de afgelopen jaren getransformeerd door toeristen die zich laten fotograferen als mensen die van zichzelf willen weten: I AMsterdam (nu kan het niet meer; alsof wij de liefde voor onze stad niet meer met anderen willen delen) en onze stad is voor een deel van gedaante veranderd door talloze mensen die hier hun toevlucht hebben gezocht. Ons perspectief op de samenleving, op de stad van de mensen is veranderd. Zij is een gastverblijf geworden, een gastverblijf voor toeristen en rusteloze dagjesmensen, koopjesjagers en drugstoeristen. Zij is een gastverblijf geworden voor migranten, voor statushouders. Zij vestigen zich voor mijn ogen, in die vlug en efficiënt op elkaar gestapelde woningen.

 

Elders in de stad vind je ook zulke enorme complexen. Weken geleden bezocht ik met een liefdevolle dokter één van de bewoners, ergens in West. Hij was zwaar ziek, illegaal, niet verzekerd. Toevallig had ik hem leren kennen. In zo’n enorm terrein met containers trof ik hem aan, als gast van een vriend mét status en papieren. Daar wonen studenten en migranten samen op een groot complex. Nooit zag ik groter gastvrijheid. Een piepkleine container-kamer als gastverblijf voor een doodzieke man, die er Godzijdank bovenop gekomen is.

 

Al die toeristen, statushouders, reizigers en drugstoeristen confronteren ons met een waarheid, die wij versluieren, voor onszelf verborgen houden: wij zijn te gast hier op aarde. Met de woorden van psalm 119: “Een vreemdeling ben ik op aarde, verberg uw gebod niet voor mij”. De bijbel ziet de mens, u en mij, als wezens die wel de kroon van de schepping zijn, het sluitstuk, beeld en gelijkenis van de Schepper-God Zelf, maar weerlozer en meer verloren en kwetsbaar dan welk levend wezen ook, niet in staat om weg te kruipen in een hol in de aarde of zoals de vogels in de kruinen van de bomen. In alles moeten wij geholpen worden, beschermd, begeleid, meer dan tien, of bijna twintig jaar, voordat wij eindelijk op eigen benen kunnen staan, een huis voor onszelf, a room with a view, een eigen perspectief op het leven, onszelf, onze medemensen, een mens om een huis mee te betrekken, te delen in lief en leed, for better and for worse. Eindelijk thuis. En ook dan kan het nog

unheimisch worden. Hoevelen van ons, misschien u of ik zelf wel, slagen er maar met grote moeite of niet in om stabiliteit te vinden, in een huis, een huwelijk of vriendschap, een levensroeping.

 

Eindelijk thuis komen, een gastverblijf vinden op deze unheimische aarde. Daarover gaat het Kerstfeest.

En wel op de eerste plaats over het thuis komen van God. Als een vreemdeling is de Zoon van God, Jezus Christus, op aarde. Zijn Moeder en de man die voor hem als een vader is, zoeken naar onderdak, op weg gestuurd als zij zijn door de wereldheerser, de Trump of Xi Jinping van die dagen, keizer Augustus. Ook in het evangelie, in de bijbel, -u hoort het dierbare kerkgangers-, zwaaien de wereldheersers de scepter over het leven van de mensen. Zij hebben het breekbare vaasje van de samenleving in hun machtige handen. Houden zij het heel of zal het breken in hun soms angstig onberekenbare handen? Nee, Goddank wordt uiteindelijk niet het breekbare vaasje dat wij zijn gebroken, maar het juk dat ons neerdrukt: “Het juk dat zwaar op het volk drukte, de stang op hun schouders, en de stok van hun drijvers, Gij hebt ze stuk gebroken…Wat een Kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken”.

 

“Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in het gastverblijf”. Geen plaats voor het Kind van Maria, het Kind dat de Geest had voortgebracht. Zijn komst op aarde was geen besluit van de wereldheerser Augustus. Hij zag mensen als nummers, exemplaren van de soort, die geteld moesten worden, belastingbetalers, consumenten. Voor dit Kind, door Gods Geest gewild, gewekt

was geen plaats in het gastverblijf die deze aarde zou moeten worden.

 

In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten. Alleen de buitenslapers, de herders hebben oren en ogen voor de boodschappers, de engelen. Zij slapen niet achter deuren om deze Moeder met haar Kind buiten te sluiten. Gelukkig zijn zij, zijn wij, als wij de boodschap van de engelen, de boodschap uit de hemel kunnen horen; gelukkig zijn wij als wij geestelijk buitenslapers worden, herders, vreemdelingen op aarde.

 

In dit gastverblijf, deze geestelijke herberg, deze kerk, klinkt vanavond de vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk.

Heden is voor u, voor jou, voor mij een Redder geboren. Een pasgeboren Kind in doeken gewikkeld. Zo kwetsbaar wordt de Zoon van God, wordt God als een Kind. Hij deelt onze dakloosheid, lichamelijk of geestelijk.

Hij heeft zijn geloofsgemeenschap, zijn Kerk gesticht, om ons een gastverblijf te geven. We mogen hier welkom zijn.

We begroeten Hem als Kind, maar Hij wil zoals elk Kind opgroeien in ons midden.

Geef Hem de kans in u, in jou te groeien, tot volwassen, beproefd geloof. Van Kerstmis, tot Pasen en over Pinksteren heen.

Hij wil ons maken tot zijn eigen volk, -zegt Paulus in onze tweede lezing- tot zijn eigen volk, gereinigd van zonde, vol ijver voor alle goeds.

Vanavond geeft Hij Zich aan ons, in dit gastverblijf, zo kwetsbaar als gebroken Brood, zijn leven, zijn liefde, zijn Lichaam, dat Hij voor ons heeft aangenomen: Et incarnatus est, vlees-, mensgeworden God.

Geve God dat op dit Kerstfeest ons uitzicht grondig zal veranderen, ons perspectief op het leven, op God en onze medemensen, en dat dit Kind-ons- geboren ons zijn vrede kan schenken. Zalig Kerstfeest. Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

---------------------------------------------------------

Jesaja 9, 1-3. 5-6; Titus 2, 11-14; Lucas 2, 1-14


 Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 15/16 december 2018

                     Derde zondag van de Advent

 

De Messias is niet te stoppen

 

GEBED

God, U ziet hoe uw volk met geloof en vertrouwen het feest van Kerstmis voorbereidt. Wij vragen: maak ons ontvankelijk voor de vreugde van die dag, en laat ons steeds weer vol blijdschap de geboorte vieren van Christus Jezus, onze Heer. Die met U leeft en heerst…

 

VERKONDIGING

Wie de riem van zijn sandalen losmaakt of laat losmaken stopt met lopen, met reizen, met verder trekken.  

Johannes de Doper wordt door het volk aangezien voor de Messias. Maar hij wijst van zichzelf af. Hij verwijst naar Jezus. Het gaat niet om mij. Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik. Het karakter van Johannes de Doper is mooi afgebeeld op het plaatje dat u vindt op uw liturgieboekje. Heel zijn bestaan, zijn karakter, zijn missie komen samen in zijn rechterhand, zijn wijsvinger. Hij wijst ons naar Wie we nog niet zien, die wij verwachten, naar Wie wij verlangen. Er staat ook een Latijns zinnetje op dat plaatje: “Illum oportet crescere, me autem minui”: “Hij moet groter wordt, ik kleiner.” Een man die van zich af wijst, die mensen voorbereidt op de grote ontmoeting, op de komende Messias.

 

Johannes zegt: “ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken”. Hij die na mij komt, de Messias, de Christus, zal zijn weg gaan. Hij is niet tegen te houden. Zijn weg is niet te stoppen. Ja, Hij zal Zelf de weg zijn. Wie Hem wil volgen zal in beweging moeten komen en blijven. Wat Johannes doet is maar het begin. Hij doopt met water. Maar er komt iemand die sterker is dan hij. Hij zal dopen met de heilige Geest en met vuur. De doop met water is het begin. Johannes doopt al die mensen die een nieuw begin willen maken. U hoorde het: rijke mensen met dubbele kleding, tollenaars, soldaten. Wat moeten wij als christenen doen om ons geloof handen en voeten te geven? Daar is geen eenduidig antwoord op. Voor iedere groep, voor ieder mens is dat anders. Of anders gezegd: iedere mens heeft een eigen, unieke roeping als volgeling van Jezus. Wie rijk is, dubbele kleding heeft moet delen; wie belasting heft in naam van de staat, ziet zich voor grote verleidingen geplaatst om meer te eisen en er zelf beter van te worden. Hij moet niet méér vragen dan is vastgesteld. De soldaat moet zijn gewapende macht niet misbruiken, maar zijn grenzen kennen.

 

De doop met water is een begin.

Vroeger werden kinderen als vanzelfsprekend gedoopt. Hele families, hele schoolklassen waren gedoopt. Nu is het een bewuste keuze geworden. Een kleine minderheid wordt nog gedoopt. Ouders, kinderen worden niet meer gesteund door een gedoopte samenleving. De doop met water is een begin. Daarna moet de doop met de heilige Geest en met vuur komen. Christus zal u dopen mer de heilige Geest en met vuur.

Johannes zegt: ik zal de riem van zijn sandalen niet losmaken. Ik kan de weg van Jezus niet stoppen. Hij gaat zijn weg in deze wereld. Hij laat zich niet ophouden. Hij zoekt naar mensen die in beweging willen komen; die met Hem de weg van God willen afleggen, de weg van het Rijk van God; deze wereld eindelijk menselijk geworden, vol gerechtigheid en vrede, waarachtig menselijk leven, eeuwig leven.

 

Die weg vraagt praktische actie: wie dubbele kleding heeft laat hij delen met wie niets heeft en wie voedsel heeft laat hij hetzelfde doen. Niet meer en niet minder kunnen wij doen onderweg naar Kerstmis, de komst van Christus. Wij doen het bijvoorbeeld door onze adventsactie, door ons wekelijks voedsel bijeenbrengen voor de voedselbank. Laten we dat niet vergeten of verwaarlozen. Zo concreet moet ons geloof zijn. Anders wordt het iets vaags, al te vergeestelijkt, wereldvreemd. De vreugde om Jezus’  komst moet je kunnen voelen, moeten de buitenstaanders kunnen voelen: de niet-gelovigen, de anders gelovigen, de burgers vanouds en de nieuwkomers. Ze moeten het aan ons kunnen merken dat de Heer komende is.

De derde zondag van de advent is de zondag van de vreugde, ‘Gaudete, verheugt u’, genoemd naar de eerste woorden uit de tweede lezing van vandaag. Paulus struikelt bijna over zijn woorden: “verheugt u…nog eens verheugt u…wees onbezorgd”. Voor mopperende wereldbewoners die wij zijn is dat nogal een ding: onbezorgd zijn. “Laat al jouw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder te bedanken”.

(Soms zingt het koor die prachtige adventswoorden: Rejoice in the Lord alway - dus niet always- alway, and again Ik say rejoice…be careful for nothing…)

 

Paulus roept ons in de tweede helft va de advent op om te bidden en te smeken, om onze zorgen bij God bekend te maken, bij Hem neer te leggen, er niet in ten onder te gaan. Omdat er een vrede is die alle begrip, al ons menselijke, kerkelijke, kleinmenselijk getob te boven gaat. Een weg van vrede en recht, Hij die dé Weg is en de riem van zijn sandalen niet laat losmaken, tot zijn weg helemaal is afgelegd, wanneer het rijk van God voor allen is gekomen. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

------------------------------------------

Sefanja 3, 14-18a; Filippenzen-brief 4, 4-7; Lucas 3, 10-18

 


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                      8/9 december 2018, tweede zondag van de Advent.[1]

 

Een Naam die bevrijdt

 

GEBED

 

God, doe ons met verlangen uitzien naar de ontmoeting met uw Zoon.

Laat het bezig zijn in deze wereld ons niet verhinderen Hem tegemoet te gaan, maar geef ons de wijsheid die ons verenigt met Christus, onze Heer.

Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

Deze week kon je op het televisiescherm een zeldzaam tafereel bekijken. In één kerkbank zag je vijf Amerikaanse presidenten. Het overlijden van een oud-president, de vader van één van die vijf, had hen naar de kerk gevoerd, afgelopen woensdag. Grote namen, mensen die in hun persoon, in hun beleid en karakter, de geschiedenis van het machtigste land ter wereld symboliseren.

Het was naar mijn indruk niet een heel gemakkelijk treffen van deze mannen (ja het is nog steeds ‘a man’s world’) en hun echtgenotes. Sommige gaven elkaar een aarzelende hand, anderen knikten vormelijk en beleefd, een enkeling keek strak voor zich uit. De groten der aarde, we kennen ze bij name en soms weten we nog in welke jaren zij de wereld regeerden. Wij kijken naar hen op of wij protesteren tegen hen, sommige doen dit zelfs met grof geweld, zoals veel Fransen deze weken tegen hun machtige president.

 

Op deze tweede adventszondag worden de groten der aarde genoemd van Jezus’ tijd. Eerst de grote Tiberius, de Romeinse keizer en daarna Pontius Pilatus, de landvoogd in Israël in naam van de keizer. Zijn naam en persoon is zelfs in onze geloofsbelijdenis terechtgekomen. “Hij, Jezus, heeft geleden onder Pontius Pilatus…” De rechter van Jezus, afgebeeld ook op onze eerste kruiswegstatie. Zo’n bestuurder, zo’n heerser aan wie niets blijft kleven. Hij waste zijn handen in onschuld. ‘Ik ben maar gestuurd. Dat is nu eenmaal mijn werk, mijn taak. Ik had dit liever niet gewild, maar ja, zo liggen nu eenmaal de verhoudingen.’

De naam van Herodes valt, de vorstelijke familie van de zetbazen. Voor het staatsbelang was alles toegestaan, zelfs kindermoord, zullen wij drie dagen na kerstmis horen, de moord van onnozele, onschuldige kinderen, die toen en de eeuwen door geofferd worden, toen in de straten van Bethlehem en Juda, nu in de straten en de huizen van Jemen, niet door het zwaard omgebracht nu, maar uitgehongerd door een oorlog die ook westerse, zogenaamde beschaafde landen gaande houden.

En dan Filippus, Lysanias en tenslotte de hoge geestelijkheid: Annas en Kajafas. Ook die beide hogepriesters gaan we op Goede Vrijdag weer tegenkomen, in het proces om Jezus.

 

In die wereld van grote namen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharias, die in de woestijn verbleef.

In de woestijn, in the middle of nowhere, is een mens die een woord hoort. Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek. De Jordaan, de smalle rivier, was de grens. Het woord van God begint niet opnieuw in de paleizen van de vorsten of de hoge zalen van de hogepriesters, maar in het grensgebied, aan de rand van de samenleving, in de marge.

Zeker, wij kijken naar de regering, naar het parlement, naar de koning; wij zien op naar presidenten, naar het Vaticaan, de paus of de bisschop. Zouden zij met nieuwe inspiratie en  beleid komen, zodat er vrede komt, rust; zodat onze planeet wordt gered van de opwarming, verwoesting van natuur en ondergang? Moeten wij het van de machtigen verwachten? Volgens de heilige Schrift begint het in de afzondering van woestijn; waar je het niet zou verwachten.

 

Johannes preekt in de woestijn een doopsel van bekering tot vergeving van zonden. Wij horen deze woorden in de advent. Wij worden opgeroepen tot bekering en uitgenodigd tot de vergeving van zonden.

Zonden betekent: alles wat tussen mij en God instaat; alles wat tussen mij en mijn medemens instaat; alles wat het contact met God en uw naaste verstoort, verzuurt, verpest. De liturgie van de advent nodigt ons uit daar iets aan te doen; om ons om te keren, te bekeren, om het uit te praten, je uit te spreken voor God in de biecht, in het gesprek met elkaar, je partner, je kinderen of ouders, een verwaarloosde vriend. Of de buren, of de vreemdelingen die je niet begrijpt of voor wie je bang geworden bent, aangevuurd door harde woorden in de media.

 

 De advent is een tijd van stille vreugde, van blijde verwachting, samen met Maria. Maar vandaag horen wij: het is ook een tijd van bekering. Johannes komt niet met macht en grote woorden. Zijn woord, zijn persoon zijn maar heel kwetsbaar. Het nieuwe begin komt niet uit het paleis, het geweld op de straat, het klerikalisme van de tempel, maar uit de woestijn, aan de grens, uit de mond van de zoon van een onbeduidende priester, die gebroken heeft met een burgerlijk bestaan, een zonderling zonder diploma’s en referenties. We worden opgeroepen door een man zonder pretenties. Hij verkondigt: heel de mensheid zal Gods redding zien. Redding is mogelijk voor de wereld, heel de mensheid.

De advent houdt die hoop en verwachting levend, de adventsactie doet moedige pogingen door over redding en gerechtigheid groot te denken en klein te doen, dat wil zeggen: door concrete, behapbare hulp kun je een begin maken met redding.

 

Paulus schrijft: “moge jouw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt”.

Moge de advent ons dat brengen. Rijke liefde voor God en voor elkaar. Weer leren onderscheiden waar het op aankomt, wat echt van waarde is in je leven en onszelf en elkaar bevrijden van bijzaken, van het geroep en het nepnieuws van grote monden en machtigen.

 

Opdat Christus kan komen, geboren kan worden, aan het woord kan komen in ons leven, in ons hart, in onze beslissingen.

Geen grote namen hoeven wij te verwachten, te eren, maar de heilige, bevrijdende Naam van Jezus, tot lof en eer van God. Amen.

 

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------------

[1] Baruch 5, 1-9; psalm 126; Filippenzenbrief 1, 3-6. 8-11; Lucas 3, 1-6


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1/2 december 2018

                      eerste zondag van de Advent

 

Stand houden

 

“Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven”.

Afgestompt raken, dat betekent je scherpte verliezen.

Deze week, van maandag tot op de vrijdag was ik op retraite, zoals vrijwel elk jaar in de laatste week van het liturgisch jaar, in een Vlaamse abdij. Met twee zusters-religieuzen, een diaken, negen priesters een een hulpbisschop. Laatstgenoemde hield tweemaal daags een conferentie, een overweging, die hij ons meegaf als richting voor onze gedachten, meditatie, gebed.

Daarvoor is zo’n retraite onder andere, dat je niet afgestompt raakt door de roes die zich aandient, door de zorgen van het leven.

 

Meer dan ooit was deze retraite voor mij een stevige oefening, een grote inspanning, geestelijk vooral. Lichamelijk maak ik er altijd een flinke inspanning van door grote wandelingen te maken door het prachtige bos in De Kempen, waar het klooster ligt. Lange wandelingen in het deze week meestal druilerige, duistere bos onder een zwaarbewolkte hemel en aan het einde van de week in het late licht van de lage zon. Allebei de stemmingen vind ik heel mooi, passend bij het einde van het liturgisch jaar, de tijd van de voltooiing, de stille hoop en verwachting.

 

Maar bovenal was deze retraite een geestelijke oefening, inspanning. De hulpbisschop die ons toesprak was -naar mijn aanvoelen- nogal terneergedrukt door de zorgen van het leven, om met het evangelie te spreken. Hij noemde zichzelf een hoopvolle pessimist. Maar ik hoorde in zijn woorden en ik zag in zijn houding, zijn oogopslag vooral pessimisme. De hoop kreeg naar mijn indruk amper de kans om door kieren van de zorgen met zijn licht binnen te dringen. Meer dan ooit waren deze dagen van afzondering, bezinning en gebed een geestelijke inspanning tegen het gewicht van de zorgen.

 

Nu begrijp ik zo’n bisschop wel. Meer dan wij, gewone gelovigen, draagt hij de zorg voor de toekomst van de kerkgemeenschap, haar gebouwen, haar pastores, haar naam en faam en het verlies daarvan, het doorgeven van het oude geloof aan een nieuwe generatie.

 

Wees daarom altijd waakzaam…dat je stand mag houden voor het aangezicht van de Mensenzoon.

Stand houden. Daarover gaat het in de Advent. Voor het aangezicht van de Mensenzoon. Dat is een hele inspanning. Ik hoorde dat deze week ook van sommige medepriesters over de terugloop van hun parochie, op het platteland nog meer dan in onze stadsparochies, om hun ambtsuitoefening waarin zij zoveel teleurstelling ervaren.

Jezus, die Zelf heel veel teleurstelling en afwijzing heeft moeten ervaren, vraagt van u en van mij, dat u, dat ik blijf zoeken naar het zijn aangezicht, naar het gelaat van Christus. Ad te levavi, heet deze eerste adventszondag vanouds; Tot u, Heer, richt ik mijn geest.

 

Stand houden. In onze dagen zeggen we vaak: je moet gefocust blijven, je niet laten afbrengen van jouw doel, van degene die je zoekt. Zoals je ook mag blijven proberen in je huwelijk, je relatie: ondanks de roes en de zorgen van het leven het gelaat, het hart van de ander blijven zoeken.

In het leven van de christen staat de zoektocht naar de naaste, naar God en naar het aangezicht van de Mensenzoon, van Jezus centraal. Vooral in de advent, waarin wij ons voorbereiden op de ontmoeting met Jezus die in onze wereld komt. Wij hoorden: Hij vraagt waakzaamheid van ons, opdat wij in staat mogen zijn te ontkomen aan al de dingen die zich gaan voltrekken.

 

Die arme hulpbisschop die ons deze week elke dag twee keer toesprak, was heel bezorgd over alles wat zich voltrekt in de wereld en in de kerk. Hij was nauwelijks in staat hoopvol te zijn.

Eerst maakte het me een beetje boos. Met een goed bevriende deelnemer besprak ik mijn plan met de man in gesprek te gaan onder vier ogen, in discussie te gaan. Hij raadde het me af. Hij voorzag dat hij krachtig in de verdediging zou gaan en zich nog meer zou terugtrekken in zijn gepantserd pessimisme. Later in de week gingen mijn ogen en oren open voor Jezus’ vraag om waakzaamheid en gebed, om je niet te laten meesleuren door al die bedreigende dingen, maar het gelaat van Jezus te blijven zoeken.

 

Dat is onze roeping, daarom nodigt de advent ons uit. We kunnen deze dagen leren van de kinderen die vol hoop zijn om de komst van sint Nicolaas, die vol verwachting zijn in deze donkere dagen, gefocust op de goedheiligman.

Laten wij onze geest scherpen, niet afstompen door welke roes en overbezorgdheid ook, maar vol goede moed Christus zoeken en navolgen, die ons op het Kerstfeest wil ontmoeten. Amen.

 

N. van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 4 november 2018

                      31ste zondag door het jaar[1]

 

Een hart dat luistert

 

GEBED

 

Almachtige God, in de liefde tot U en tot de naaste doet U de bron ontspringen van het geluk waartoe wij allen zijn geschapen. Laat uw wet het richtsnoer van ons leven zijn. Leer ons daaruit de wijsheid putten, die wij nodig hebben om te komen tot uw koninkrijk. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Wat is het eerste van alle geboden?”

De schriftgeleerde die aan Jezus deze vraag stelt doet dat vanuit sympathie en bewondering voor Jezus. Hij had eerder naar Jezus geluisterd en was onder de indruk van zijn uitleg van de Wet van Mozes, de Thora.

Daar gaat het om in de godsdienst van Jezus, de godsdienst van Israël, het jodendom, tot op de dag van vandaag. Het gaat om uitleg, overleg, gedachtenwisseling, persoonlijke beleving van de oude woorden en geboden en die beleving met elkaar delen. Door te discussiëren, soms op het scherp van de snede, maar vooral door naar het woord en naar elkaar te luisteren.

 

“Wat is het eerste van alle geboden?”

Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor Israël!”

Alles begint met luisteren.

Aan de oorsprong van ons bestaan staat het luisteren. Het eerste zintuig dat wij gebruiken en ontwikkelen is horen, luisteren. In de schoot van de moeder kan het kind niet zien, niet spreken, maar het kan wel al horen, de harteklop van de moeder, haar liefhebbend hart op de eerste plaats. Daarmee begint ons bestaan. Pas na de geboorte gaat een mensenkind heel langzaam leren zien, eerste heel vaag en onbestemd, dan veel scherper. En daarna komt pas het spreken, gebrabbel, kreetjes, aparte woordjes, korte zinnetjes.

Ons bestaan begint met luisteren.

 

Jezus citeert de oude wet van Mozes: Shema, luister, hoor Israël!

U weet: dat is de dagelijkse geloofsbelijdenis van gelovige joodse mensen.”Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer”.

Pas daarna kun je gaan nadenken en praten over de liefde tot God en de naaste. Wie naar de ander kan luisteren, kan hem of haar ook liefhebben. Wie niet kan horen naar de ander, zoekt bij de ander alleen bevestiging van zichzelf, zijn woorden en meningen, zijn behoeften en lusten. Een relatie waarin niet meer naar het hart, de hoop, het verlangen van de ander geluisterd wordt, heeft geen toekomst. Waar ik alleen nog maar spreek, het hoogste woord, waar ik alleen nog maar uitzend, daar vervreemd ik van de ander, te beginnen met de mens die mij het meest nabij is.

 

Wij zien het misschien heel dichtbij in onze eigen familie- en vriendenkring: de vreugde van een vriendschap, een huwelijk waarin partners werkelijk met elkaar begaan zijn, speuren naar het hart, de gevoelens, de verlangens van de ander.

Maar we zien helaas ook het tegendeel, het zwijgen, de desinteresse, het naast elkaar leven.

Ook in het groot. Ook vanouds heel beschaafde landen zijn steeds meer innerlijk verdeeld geraakt. Verschillende partijen, politieke, religieuze stromingen die niet meer met elkaar overleggen; zo fanatiek overtuigd van het eigen gelijk, de eigen overtuiging en belijdenis, dat de andere groep alleen nog maar bestreden wordt, geminacht, belachelijk gemaakt.

Zelfs in onze eigen wereldkerk lijkt het wel of er verschillende werelden zijn van leven, geloven, zonder de bereidheid naar de ander te luisteren, op zijn minst te informeren wat de ander bezielt. Alle mogelijke media worden hierbij gebruikt. Hoe meer communicatiemiddelen we tot onze beschikking hebben hoe meer we ons opsluiten in de kring van gelijkgezinden.

 

Ook Jezus heeft de gevolgen van de weigering naar elkaar te luisteren moeten dragen. Mensen die zich van Hem afgesloten hadden wilden van Hem af.

Maar in het gesprek dat ons evangelie vertelt gebeurt er iets heel moois. Het gesprek vindt plaats kort na de intocht van Jezus in Jeruzalem, enkele dagen voor zijn lijden en sterven. Hier lijkt een wereld van onderlinge luisterbereidheid en begrip mogelijk te zijn. De schriftgeleerde luistert goed naar Jezus en stemt in met zijn antwoord. Ook al is Jezus’ antwoord heel wonderlijk. Hem was gevraagd naar het eerste van alle geboden. Maar het antwoord van Jezus is tweeledig. Het leven is niet terug te brengen tot één keuze, één opinie, één dogma, één waarheid. De grondwaarheid is: luister naar God en naar de ander.

Die grondwaarheid van het luisteren naar het hart, het verlangen van de ander, breng je in praktijk door de Heer met alles wat in je is lief te hebben, voor Hem te kiezen boven alle machten die zich groot maken in deze wereld en die zichzelf aan je opleggen.

En je naaste lief te hebben, te zoeken, naar hem/haar te luisteren, zoals je zelf zou willen worden gehoord en bemind.

Dat luisteren en liefhebben, houdt de schriftgeleerde ons met instemming van Jezus voor, dat beminnen en naar de ander horen, gaat boven alle brand- en slachtoffers, boven alle cadeau’s met andere woorden die wij de ander of God zouden kunnen geven.

Het enige geschenk dat ertoe doet, is voor God en onze naaste een liefhebbend hart te hebben dat luistert. Amen.

 

 

Nico van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 6, 2-6; Hebreeën 7, 23-28; Marcus 12, 28b-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Hoogfeest van Kerkwijding,

                      13/14 oktober 2018[1]

 

God te gast

 

GEBED

 

Heer, ieder jaar herdenken wij de dag waarop deze kerk aan U werd toegewijd. Verhoor het gebed van uw volk: laat ons op deze plaats U steeds in geest en waarheid dienen en uw verlossing in overvloed ontvangen. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

De jonge koning Salomo beleeft de dag van zijn leven. Zijn grote bouwproject is voltooid. Zijn tempel is klaar, staat te blinken van nieuwheid in de zon van het Midden-Oosten, hoog op de berg Sion in Jeruzalem. “Hoe verblijd was ik toen zij mij zeiden: wij gaan op naar het huis van de Heer”.

 

Zijn vader David had de tempel al willen bouwen. Maar hij mocht het niet. Hij had te veel oorlog gevoerd, te veel bloed aan zijn handen. David had zich erbij neer gelegd. Hij zag in dat beter een volgende generatie dit heilige werk kon doen. Een mens moet zijn grenzen kennen.

Salomo, zijn zoon, zijn opvolger op de troon, mocht dit enorme bouwproject ter hand nemen. Wat is bouwen toch heerlijk, ook als het verbouwen is, renoveren. Nu eindelijk één huis waarin ruimte is voor het heilige, voor dé Heilige, voor God.

 

Wij, parochianen van deze Nieuwe Augustinus, kunnen erover meepraten. Na lange voorbereidingen mochten wij dit huis van steen en woord opnieuw opbouwen, vernieuwen. Bestuursleden, vrijwilligers, wij allen hebben meegedacht, meegebeden, naar de voltooiing uitgezien en dezer dagen precies vier geleden is de bisschop gekomen om dit huis te consacreren, toe te wijden aan de liturgie, aan het samen komen van ons als levende stenen.

 

Het werk was voltooid. Maar het huis is nooit helemaal af. Er is altijd nog iets te wensen. Op de eerste plaats natuurlijk dat deze kerk goed gevuld zal zijn. Een van onze kerkgangers stelde in het afgelopen jaar vast dat iets belangrijks aan ons kerkgebouw ontbrak: een luidklok, die ons samenroept, ons vermaant niet rustig thuis te blijven, maar ons huis uit te komen, onze comfortzõne te verlaten en naar Gods huis te gaan op zondagmorgen of zaterdagavond; om op te roepen tot doop, vormsel, huwelijk; en om onze geliefde doden uit te luiden, op hun laatste tocht van deze kerk, waar zij ooit als kind voor de doop voor de eerste keer binnengedragen werd, naar graf of crematie. Zo’n luidklok hadden we nog niet. Vandaag (morgen) zal die worden gezegend en voor de eerste keer klinken, dadelijk.

 

Het huis is nooit af. Aan het huis van onze kerk moet steeds gewerkt worden, opgeknapt, verfraaid, versierd, zoals nu ook weer met mooie bloemschikking. Gevuld vooral met mensen, levende stenen. Vandaag (morgen) met gelovigen die zich voorbereiden op hun huwelijk en in de weg daarnaartoe vandaag -met toestemming van de bisschop- het heilig Vormsel zullen ontvangen.

Het huis is nooit af. Het huis van de kerk is een beeld van onszelf. Ook wij mensen -u en ik- zijn nooit af.

Gods Geest is in ons aan het werk, om ons leven op te bouwen, te renoveren, te verfraaien, om van ons innerlijk, ons hart steeds meer een woonplaats te maken van echte menselijkheid; om ons op een goed of beter spoor te brengen; ons àf te brengen van wat ons ongelukkig, onvrij, verslaafd maakt.

 

Salomo,  de koning, is enorm blij met zijn tempel, gebouwd vlak naast zijn paleis. Hij wil de onzichtbare God dichtbij zich hebben. God als buurman.

Maar wanneer die schitterende tempel dan baadt in de zon en de koning zijn handen opheft naar de hemel, dan duizelt het hem: “Maar, zou U, God, werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten! Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb?”

 

Zou God werkelijk op aarde wonen? Komt Hij werkelijk zo dichtbij de mensen?

Het evangelie van het Kerkwijdingsfeest vertelt ons het verhaal van Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen. Een man van het geld. Hij heeft een hoge baan. Hij int de belasting voor de bezetter. Hij heeft alles, maar is eigenlijk nergens meer. Hij woont in Jericho. Die stad is de laatste halteplaats op weg naar Jeruzalem, naar de tempel, het huis van God. Maar Zacheüs leeft innerlijk ver van de tempel, een unheimisch bestaan, ver van de mensen, ver van God. Niemand wil het huis van deze overloper, meeloper, afperser betreden. Een rijk, maar eenzaam bestaan.

 

Totdat Jezus, onderweg naar Jeruzalem zoekend naar een plek om ontvangen te worden in de oasestad, na een lange tocht door woestijnachtig gebied, hem ziet: de letterlijk en figuurlijk kleine, armetierige man, die in een vijgenboom is geklommen, om Jezus te zien en tegelijk zich verborgen heeft -net als Adam- van schaamte achter de grote vijgenbladeren.

“Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn”. Ongehoord: Jezus gaat eten bij een zondaar. De oppassende burgers morren: “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen”.

 

Jezus neemt de zondaar, de afperser zoals hij is. Hij hoeft niet eerst volmaakt te worden. De maaltijd met Jezus, aan zijn tafel, zijn altaar, is geen beloning voor de volmaakten, maar een geneesmiddel voor de mensen die er nog niet zijn, aan wie nog iets mankeert, die nog moeten werken aan zichzelf, hun leven, zoals u en ik.

 

Zacheüs, die het heel hoog zocht, hoog in de vijgenboom, moet afdalen, naar Jezus, de Zoon van God, die met beide benen op onze aarde is komen staan, om ons op te tillen uit onze ellende, onze kleinheid, onze menselijke zondigheid, ja uit onze sterfelijkheid. In Jezus is God op aarde komen wonen. Hij wil bij ons te gast zijn. Hij vraagt ons onderdak. Hij zoekt een plek, een huis om ons te ontmoeten. Hij klopt bij ons aan door de vraag van de bekeerling, de vreemdeling, de weduwe, de wees, de eenzame, de zieke, de arme. Hij is gekomen - hoe u en ik ook zijn - om met ons maaltijd te houden, om ons te zoeken, en om te redden wat verloren was.

Amen.

 

------------------------------------------------------

[1] 1 Koningen 8, 22-23. 27-30; Efeziërs 2, 19-22; Lucas 19, 1-10