Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 10/11 juni 2017,

Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

 

Barmhartig, medelijdend

 

GEBED

 

Uw Woord van waarheid, Vader, en uw Geest van heiligheid hebt U de wereld in gezonden om het wondervol mysterie van uw God-zijn aan de mens te openbaren. Geef dat wij in het oprecht belijden van het geloof de eenheid erkennen van uw heilige Drievuldigheid en dat wij U aanbidden, God in macht en majesteit. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Dit volk is halsstarrig”.

Zo stort Mozes zijn hart uit bij God.

De woestijntocht was eigenlijk op een bittere teleurstelling en mislukking uitgelopen.

Terwijl Mozes op de berg Sinaï de woorden ontving, de Wet, de Tora, de Tien Woorden of Geboden, geloofde het volk het verder wel. Of beter: de Israëlieten hadden hun geloof stap voor stap losgelaten. Ze hoorden maar niets en nog minder zagen zij iets. Wat was die Mozes toch hoog en droog met God bezig. Leefde Mozes nog wel, bestond God nog wel?

 

De rest van het verhaal is bekend. De mannen en de vrouwen van Gods volk verzamelden goud. Van goud kun je tenminste zeker zijn. Dat behoudt zijn waarde. Je kunt beter goud kopen dan geld op de bank zetten, zeggen sommige mensen; ik heb het zelfs een bisschop horen zeggen. Goud, o goud. Ze smolten hun gouden munten en sieraden om en maakten een gouden kalf. Beeld van rijkdom, van vruchtbaarheid, welvaart. Nu kunnen we ons tenminste neerwerpen voor iets tastbaars. We kunnen onze pret niet op.

 

Toen Jozua en Mozes van de berg afdaalden met de twee stenen platen met de Woorden van God hoorden zij een enorm gejoel en geschreeuw. Mozes zei tegen Jozua: “Het zijn geen juichkreten van overwinnaars, en het is ook geen gejammer van overwonnenen, ze zijn aan het zingen, hoor ik”.

 

Zingen voor de Heer is twee keer bidden (Domino cantare bis orare), zei sint Augustinus. Zingen kan heel  vroom zijn, toegewijd, vanuit het hart. Maar dit zingen van de mensen klonk vals. Ze zingen buiten zinnen, laveloos, met een niet te laven dorst naar nog meer goud, schittering; met een niet te stillen honger naar zich onderwerpen aan de rijkdom. ‘Deze geldgod is het die ons uit Egypte heeft bevrijd’. ‘Zonder geld kun je niks’, wat die vrome Mozes daar bovenop zijn berg ook aan het bidden is.

Leefde Mozes nog wel, bestond God nog wel? We hebben al zo lang niets van hem gehoord. God is iets van vroeger. Nu zijn we alleen in deze woestijn, in dit harde leven.

 

Halsstarrig, zegt Mozes, is het volk. Het keert God de rug toe en gaat zijn eigen weg.

Zo kan het gaan in je geloofsleven: dat God verdwijnt, niet uit alleen uit Jorwerd, maar ook uit je persoonlijke leven. Niet in elk pastoraal gesprek gaat het uitgesproken over God. Je kunt een heel godsdienstig gesprek voeren zonder de naam van God uit te spreken. Soms zegt iemand, zonder God te noemen, iets over haar of zijn vertrouwen. ‘Hoe ziek ik ook ben, ik heb vertrouwen, ik ben niet alleen’. Soms zegt iemand: ‘ik ben teleurgesteld; wat heb ik fout gedaan; waar heb ik dit aan verdiend?’

Maar soms is God daar heel uitgesproken, in heel zijn majesteit of in zijn afwezigheid. ‘Waar is God, nu ik zo ziek ben, zo afhankelijk?’ Of: ‘wat er ook gebeurt, God is bij me.’

 

Hoe was dat voor Mozes?

Hij was al op jaren. Hij had een heel leven, een zwaar leven achter de rug. Alles leek voor niets. Hij had een ervaring gehad van God. Zoals je dat kunt hebben: een intens gebed, een stilte in de kerk, een lied, een woord, een persoon die zomaar om je geeft.

Maar nu is hij oud, wat een leven, wat een moeite, wat een teleurstellingen. Waar heb ik het allemaal voor gedaan? Een stotterende oudere man, die het allemaal niet meer zo goed weet. Ooit geloofde hij vast en zeker, alles was duidelijk. Hij blaakte van energie. Eigenlijk een beetje te veel energie. Dat werd hem bijna fataal. Zijn rechtvaardigheidsgevoel was zo groot dat hij een onderdrukker doodsloeg. Jarenlang moest hij op de vlucht. Een harde, eenzame tijd als vluchteling. Maar er waren gelukkig mensen die hem opvingen. Hij kon een nieuwe start maken. Hij had zijn enorme energie ingetoomd, onder het juk geplaatst van zijn geloof; hij was een nederig mens geworden, dat wil zeggen: met beide benen op de grond.

Nu, ouder geworden: waar is God, in deze wereld waar de meeste mensen alleen maar lijken te gaan voor het goud, geld of het grote graaien?

 

Op een goede dag gaat hij nog eens de berg op, dat wil zeggen, hij zoekt de eenzaamheid, het gebed, de ontmoeting. De twee stenen platen nam hij mee. Er stond nog niets op. Alles is onbeschreven, leeg wat hij heeft. Zo kan het gaan in je leven: dat de oude woorden en formules niet meer werken. Daar hoef je niet van de te schrikken. God gaat dat avontuur met jou aan, om Hem in een nieuwe fase van je leven opnieuw te zoeken, te ontdekken, zoals je dat ook kunt beleven in je relatie met de meest dierbare mensen. Geen grote woorden en waarheden meer. Hij gaat met lege handen, een leeg hart.

“De Heer ging hem voorbij en riep”.

‘De Heer ging hem voorbij’. Je kunt God niet in het gelaat zien, vastpakken, zoals bij dat gouden kalf. ‘Hij gaat aan je voorbij’. Alleen in het voorbijgaan kun je Hem ervaren, in het voorgaan van de jaren, jouw ervaringen, jouw grootste vreugde en je diepst verdriet.

“De Heer ging hem voorbij en riep: ‘De Heer! De Heer is een barmhartige en medelijdende God, groot in liefde en trouw”.

 

Barmhartig en medelijdend. Een God die mee-lijdt, die niet vanuit de hoogte neerkijkt op ons zwerven en zoeken, onze zuchten en ziekten, maar uit liefde met ons meegaat, meelijdt.

Johannes zegt: “Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven”.

Zo is de naam van God, heeft Mozes gehoord en ervaren: barmhartig, medelijdend.

 

Vandaag vieren het mysterie van de ene God, drievuldig.

Hoe barmhartig en medelijdend God is hebben wij gevierd in de veertigdagentijd en in de paastijd tot en met Pinksteren.

Zo medelijdend dat Hij, Vader, Schepper, Verlosser, Zichzelf geeft:

in zijn Zoon, God-met-ons.

Dat Hij bij ons wil blijven, in ons wil wonen, God-in-ons, zijn Heilige Geest, heiligend, heel-makend, genezend.

Moge het gebed van Mozes stap voor stap ook ons gebed worden,

- als wij halsstarrig worden, alleen, zonder veel ervaring van Gods nabij zijn:

“Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee”.

Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Schriftlezingen: Exodus 34, 4b-6.9-9; 2 Korintiërs 13, 11-13; Johannes 3, 16-18


Verkondiging Pinksteren, zondag 4 juni 2017.

Handelingen 2, 1 - 11; 1 Korintiërs 12, 3b-7.12-13; Johannes 20, 19-23

 

Vrede zij U

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, de kring van vijftig dagen is voltooid waarin het paasmysterie werd ontsloten. Verleen dat de mensen die elk in eigen taal hun eigen wegen gaan, weer tot elkaar komen in het belijden van uw Naam: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

Op de derde dag, in de avond van Pasen zijn de leerlingen bijeen, de deuren op slot; de eerste kerkgemeenschap is bang voor de buitenwereld.

Jezus doorbreekt hun angstige beslotenheid:

“Vrede zij u”.

 

Ook wij doen meestal de deur op slot, althans letterlijk. Wij zijn bang dat er iets kan gebeuren met de kerk en houden haar daarom gesloten. Maar gelukkig gaan haar deuren aan het einde van de ochtend meestal open. Voor de viering van de liturgie, kort, rustig, eenvoudig, maar geconcentreerd, en om open te zijn voor gebed, stilte, zomaar even binnengaan. De kerk is geen vergaderlokaal, maar een huis van ontmoeting met God en zijn levende lichaam, de kerkgemeenschap. De lamp brandt. De Heer is hier in de schaduw van brood.  Maar helaas, meestal is de deur op slot. Misschien kunnen we daar ooit iets aan doen. Deze weken is de kerk trouwens vaker open. De wijksafari is begonnen en Adelheid Roosen, zelf intens rooms opgevoed, heeft me gevraagd of de kerk wil meedoen aan dit bijzondere toneelproject, van buurtbewoners en van jonge studenten van de toneelschool in Amsterdam. Van woensdag tot en met zaterdag gaat de kerk half drie ’s middags open. Diaken René of ik staan bij het altaar terwijl de acteurs en het publiek binnenkomen. Een kort woord volgt over de kerk: waarom zij hier staat, wat hier gebeurt: mensen op zoek naar het geheim van leven en sterven, op zoek naar God, naar elkaar, enkele honderden per week die hier komen op zondag of door de week, om te rouwen of te feesten of stil biddend bij de aanwezigheid van Jezus onder de schaduw van brood. Daarna zing ik iets, een ‘Kyrie eleison: wees bij ons, ontferm u over ons op onze levensreis, onze safari door de wijk, de stad, het leven’. Een student speelt orgel, prachtig weemoedig en krachtig tegelijk.

Eerst wilde ik helemaal niet meedoen. Het kost me teveel tijd. Ik heb nuttiger dingen te doen. Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken, bleef ik maar denken en soms ook zeggen. Maar ze hielden aan. Wilt u alstublieft de deur opendoen voor ons? ‘De kerk staat midden de wijk; die kunnen we toch niet missen?’ Wat een teksten! Uiteindelijk voelde ik me beschaamd dat ik durfde te aarzelen. Als de kunstenaars en de buurtbewoners nu willen binnenkomen…

Na de repetities en het begin deze week ben ik dankbaar, dat die niet- of niet meer kerkelijke mensen mij, ons dat geven, dat hebben veroorzaakt: de deuren open, de kerk als deel van de safari, de reis door de buurt, door de tijd. Wat is het goed hier te zijn zonder veel nuttigheid en efficiëntie, de tijd voorbij te laten gaan. Mensen de kans geven binnen te gaan door onze bijna altijd gesloten deuren.

 

“…toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden (volksgenoten die anders dachten), kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij u”.

Ook al had Jezus geen reden om vrede te hebben met deze bange leerlingen, toch is zijn eerste woord vrede. Hij schenkt hen vergeving. Hij maakt met die angstige apostelen een nieuw begin.

Wat moeten zij nu doen, nu het lijden en sterven en het opstaan uit de dood, nu de paastijd vrijwel voorbij is? Jezus blaast over hen. Op wondere wijze geeft Hij hen de kracht van de Heilige Geest. Al zijn levenskracht geeft Hij door aan zijn leerlingen, aan u en mij. Vanaf Pinksteren wil Hij doorleven in ons, zijn kerk, zijn levende lichaam. Dat zich niet moet verschansen achter gesloten deuren, bang dat het mis kan gaan, angstvallig dat de kerk zou kunnen afgaan, fouten maken. Ik herinner me dat een kerkleider een tijd geleden zei: ‘nee, ik ga niet in op uitnodigingen van talkshows op televisie, want het zou zomaar kunnen gebeuren dat ze zullen spotten met het geloof en met de kerk; dat de kerk te schande wordt gemaakt’. Begrijpelijk maar dramatisch. Kerk achter gesloten deuren, bang dat er iets mis kan gaan. Zo wordt de Heilige Geest opgesloten of zal Hij elders aankloppen en Zich laten zien en voelen, met voorbijgaan aan zijn Kerk met koudwatervrees. De apostelen die in de ochtend van Pinksteren in alle talen spraken zaten er niet mee dat zij voor dronkaards werden gehouden. Zij zetten zichzelf op het spel. Wat hebben wij nu te verliezen?

 

Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvangt de Heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zij ze vergeven en als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven”. Dat is de eerste opdracht die de apostelen krijgen: zonden vergeven. Van jullie hangt het af of er vergeving komt onder de mensen; nieuwe, herstelde verhoudingen. Een nieuw begin, vergeving komt niet uit de lucht vallen. Die moet door de gelovigen worden gegeven en doorgegeven. Wat een opdracht. Het sacrament van boete en verzoening gaat terug op dit woord van Jezus. Maar eigenlijk hebben wij allen deze opdracht. Wij zijn allen bedienaars van de vergeving. Als jullie dat niet doen, zegt Jezus, dan verandert er niets, dan zijn de zonden niet vergeven. Dan blijft het doorzieken in je hart, in je familie en vriendenkring.

 

Vandaag, op Pinksteren, gaat Jezus door onze gesloten deuren. Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, toneelspelers en buurtbewoners, Eritreeërs en Filippino’s, Surinamers en Antillianen, Polen en Libanezen zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door de doop een enkel lichaam geworden en allen werden gedrenkt met een Geest. Zo moge het worden. Amen.

 

N. van der Peet


Verkondiging Hemelvaartsdag, 25 mei 2017, De Nieuwe Augustinus[1]

                    

 

GEBED

 

Almachtige God, laat ons jubelen in heilige vreugde en U dankzeggen in blijdschap. Want in de hemelvaart van uw Zoon hebt Gij ook ons verheven. Aan het hoofd van allen is Hij voorgegaan en zo heeft Hij hoop gewekt bij allen die met Hem tot één lichaam zijn verbonden. Door onze Heer…

 

 

VERKONDIGING

 

De elf leerlingen begaven zich naar Galilea.

Zij waren gehoorzaam aan het woord van Maria Magdalena en de andere Maria die op de morgen van Pasen van de verrezen Jezus deze opdracht hadden gekregen: “Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen zij Mij zien”.

De broeders, dat wil zeggen de apostelen gehoorzamen de vrouwen. Dat is eerlijk gezegd toch wel iets om even de aandacht op te vestigen. Daar hebben de apostelen en hun opvolgers niet altijd in uitgeblonken: het luisteren naar de vrouwen die op haar beurt hebben geluisterd naar het woord van Jezus. Gelukkig zijn er in de geschiedenis wel een paar bijzondere voorbeelden of zo u wilt uitzonderingen. Ik denk aan Hildegard van Bingen, abdis, geleerde, mysticus, heilige, die in de twaalfde eeuw een enorme invloed had op de bisschoppen, op theologen en wereldlijke bestuurders. Vanuit haar klooster, haar stille gebed en haar beschouwing had zij antwoorden op ingewikkelde problemen en geloofsvraagstukken van haar tijd, voor mannen die te weinig tijd namen om rustig te beschouwen.

In onze tijd was Moeder Teresa van Calcutta een zeer invloedrijke vrouw in kerk en wereld. Vanuit een innige gehechtheid aan Christus, de lijdende Heer,  wees zij dat deel van de wereld waar overvloed is, op het schandalig trieste lot van de armen, de weerloze mensen. Zij had grote invloed in onze kerk, op de paus, de bisschoppen.

 

Wat is de boodschap, de opdracht die de vrouwen in het evangelie in naam van Jezus aan de mannen hadden meegedeeld: Dat ze naar Galilea moeten gaan. ‘Daar zullen zij Mij zien’.

 

Naar Galilea gaan: dat is de landstreek waar zij vandaan kwamen, de plaats waar zij ooit door Jezus geroepen waren, achter hun netten vandaan, om Hem te gaan volgen. Teruggaan naar je roots, je wortels, de oorsprong van je roeping. Daar zul je de Heer zien.

 

Gisteren was ik weer even terug op de plaats, waar mijn roots liggen, in Haarlem, in de kathedraal en in Haarlem-Noord waar ik ben geboren en opgegroeid. In de kathedraal was ik om de uitvaartmis te celebreren van een van mijn beste vrienden, Frans Geels, priester van ons bisdom Haarlem-Amsterdam. Hij was bijna acht jaar ouder dan ik. Veel te jong gestorven. Een begaafd musicus die na het conservatorium en een muziekcarrière een priesterroeping was gevolgd. Tijdens mijn eerste Mis in september 1990 heeft hij op mijn verzoek gepreekt. Onvergetelijk mooi. Over geroepen worden in een tijd waarin wij godsdienstig gezien in de winter leven, dat wil zeggen een tijd waarin weinig tekens van nieuw godsdienstig leven in onze kerk zijn te ontwaren. De winter serieus nemen, adviseerde hij mij in die bijzondere preek. Actief en beschouwend leven, vol hoop op een nieuwe lente. Dus niet zozeer leven uit optimisme, maar uit de hoop die je put uit je band met Jezus, uit het woord van Jezus: “Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld”. Jezus, zegt de tweede lezing, heeft ons voor zijn heengaan uit de wereld hoop gegeven waartoe Hij ons roept, zicht op de heerlijkheid en ons kracht, ja macht gegeven. De zelfde macht die God betoonde toen Hij Jezus uit de doden deed opstaan. En het is Jezus die Hij als Hoofd heeft gegeven aan zijn kerk. De kerk is niet uw en niet mijn eigendom noch eigendom van een synode of van de paus. Nee, de opgestane Heer is Zelf het Hoofd van de kerk. We hoeven dus niet al te veel te tobben.

 

Gisteren was ik weer in de kathedraal voor die verdrietige opdracht een van mijn beste vrienden te gedenken, voor hem de eucharistie te vieren en daarna te begraven, in Haarlem-Noord, waar hij en ik zijn opgegroeid. Teruggaan, zeg maar naar Galilea, naar de plaats van Jezus je heeft geroepen. Voor ieder ligt Galilea ergens anders, de plaats namelijk waar je ontdekte wie je bent, waartoe jouw hart getrokken wordt, naar wie jouw hart getrokken wordt. Jezus wil dat je daarnaar terug gaat. Dat wil zeggen, Hij zoekt jouw hart, jouw kwetsbare hart. Hij wil zijn leerlingen weg hebben uit dat verwarrende Jeruzalem waar zo verschrikkelijk veel is gebeurd. Waar die leerlingen zoveel lijden, pijn en verdriet hebben gezien; waar zij Jezus zo lelijk in de steek hadden gelaten; waar hun menselijk falen zo erg aan het licht was gekomen. Wat is dit toch mooi, dat Jezus hen niet alleen laat met hun verdriet, hun falen, hun tekort, maar dat Hij hen, dat Hij ons weer opzoekt, ons roept door mensen van wie je het misschien nooit zou verwachten, in hun geval bij monde van die twee vrouwelijke volgelingen van Jezus. Wat een geluk dat die trotse kerels uiteindelijk zo nederig zijn geworden dat zij naar haar geluisterd hebben.

 

Wanneer je dan terug gegaan bent naar jouw roots, de plek waar het allemaal ooit begonnen is, wanneer je je dan losgemaakt hebt uit alle verwarring, verdriet, ontrouw en falen, dan wacht Jezus op jou om jou opnieuw een opdracht te geven, aan te nemen als zijn volgeling, zijn vriend. Dan krijgen zij, dan krijgen wij te horen: “Je zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over je komt, om mijn getuigen te zijn…Gaat dan…zie, Ik ben met jou alle dagen tot aan de voleinding der wereld”. Dat waren volgens Matteüs de laatste woorden van Jezus.

 

De Heer is naar de hemel opgestegen, een wolk onttrok Hem aan hun ogen. Wij zien Hem niet meer. Hij is bij ons onder de tekenen van de sacramenten, brood en wijn, lichaam en bloed; het vormsel, het huwelijk, de wijding. Onzichtbaar, onder de tekenen van ons gewone leven in Galilea is Hij bij ons. We staan er niet alleen voor. ‘Blijf niet naar de hemel staren’, blijf niet staren naar alles wat voorbij is, hoe begrijpelijk dat ook is. Hij zal wederkeren, maar in afwachting daarvan zul je kracht ontvangen om van Hem getuige te zijn. Die kracht geve ons God. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

----------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 1 - 11; Efeziërs 1, 17 - 23; Matteüs 28, 16-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Eerste heilige Communie, vijfde zondag van Pasen, 14 mei 2017[1]

 

Helemaal vol vreugde

 

GEBED

 

God, U hebt ons verlost en tot uw geliefde kinderen aangenomen.

Zie in uw goedheid naar alleen die U als een vader bemint. Geef hun die in Christus geloven, de ware vrijheid en het erfdeel in het eeuwig leven.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Helemaal vol vreugde worden,

zegt Jezus ons vandaag, zegt Hij jullie vandaag in het bijzonder, beste Kinderen.

 

Ook grote mensen worden altijd helemaal blij van het Eerste Communiefeest. Zij moeten dan vanzelf terugdenken aan de dag van hun eerste heilige Communie. Ik werd aangenomen 22 mei 1966, 51 jaar geleden. Och hemel, ik word oud.

Een onvergetelijke zondag. Het was een koude meizondag. Tientallen meisjes en jongens liepen plechtig in de rij de kerk binnen, de meisjes rechts, de jongens links. De meisjes allemaal prachtig gekleed, in het wit, als bruidjes. Onderweg naar de tafel, het altaar van Jezus, de Bruidegom. De jongens in een korte broek met een blazer/colbertje. Waarschijnlijk het eerste dat zij droegen. Behalve ik. Ik had net zo lang gezeurd bij mijn vader en moeder tot ik een lange broek mocht dragen. Ik vond mezelf toen al te lang voor een korte broek. Dat was dus een goeie zet op die koude meizondag. Ik heb de foto nog, ik kan het bewijzen.

 

Een onvergetelijke zondag. Jezus komt bij, je ontvangt Hem, had de pastoor ons geleerd. Jezus is bij je, je bent nooit meer alleen. Je bent voortaan met Jezus verbonden. Wat een mooie zondag was dat, nooit meer alleen, altijd met Jezus verbonden.

Daarom vinden alle grote mensen jullie feest vandaag zo prachtig. Daarom zit de kerk propvol.

Wij, grote mensen, zouden wel weer dat kind willen zijn, opnieuw als kinderen worden.

 

Ik zal mezelf en alle grote mensen een geheim verklappen.

Dat kan, je kunt weer worden als een kind, verbonden als een rank met Jezus, de wijnstok. Je moet er iets voor doen, maar er wordt op je gewacht, Jezus wacht op ons, grote mensen, totdat wij opengaan voor Hem, tijd maken voor Hem.

 

Jezus wacht op ons. Hij is de wijnstok, wij de ranken. Wij kunnen alleen maar groeien en bloeien en vrucht dragen als wij verbonden blijven met Hem.

Jezus zegt ons vandaag (we hoorden het): “Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken. Wie met Mij verbonden blijft die draagt veel vrucht”.

 

Hoe blijf je verbonden?

Ik zie drie manieren.

 

Ten eerste. Door te bidden.

Maar je zult zeggen: daar heb ik geen tijd voor. Ik moet werken, ik moet naar het sportveld, ik moet mijn mailtjes lezen, mijn youtube-filmpjes bekijken.

Dat is waar, Dat moet je allemaal doen.

Maar ik geef je een tip. Als je twee of drie youtube-filmpjes minder kijkt per dag dan houd je genoeg tijd over om de rozenkrans te bidden of samen een bijbelverhaal te lezen.

Dat is één: samen bidden. Om Jezus, om God, om Maria niet te vergeten; om verbonden te bleven. Connected, niet alleen met het internet, maar met God, met Jezus.

 

Dan de tweede manier om met God en Jezus verbonden te blijven.

Je kunt thuis bidden, maar hier is ook de kerk, jouw tweede huis. Het huis waar Jezus op je wacht. Hij is hier altijd. Hij woont in het tabernakel. Daarin worden de heilige Hosties bewaard. De Godslamp brandt. Er is vuur in dit huis. Het vuur van Gods liefde. Het vuur van Gods verlangen naar jou, naar u, naar mij. Dit huis is meestal stil. Tussen mijn gesprekken en werkzaamheden door loop ik er een paar keer per dag in. Ik kniel neer voor het altaar en het tabernakel. Jezus wacht op mij. Al die drukte, al dat belangrijke gedoe van mij. ‘Word toch eens stil, man. Luister toch eens naar de stilte. Dan kan Ik iets influisteren in de stilte van jouw hart. Geef Mij een kans om met jou verbonden te zijn.’

Dat is de tweede manier. Naar de kerk komen, het huis van God, het huis waar Jezus in het tabernakel op jouw wacht, om met jou verbonden te zijn.

 

Dan, lieve kinderen, dierbare grote mensen, de derde manier om met God en met Jezus verbonden te blijven.

De heilige Mis of eucharistie met een moeilijk woord, de heilige Communie. We hoorden het in de eerste lezing. Jezus nam brood: ‘Dit is mijn Lichaam’. En de beker met wijn: ‘Het nieuwe verbond in mijn Bloed’.

Vandaag, beste kinderen, ontvangen jullie voor de eerste keer de heilige Communie. Het is eigenlijk hetzelfde brood dat Jezus in zijn handen nam in de laatste avond van zijn leven. Hij wacht hier in dit huis van de kerk, ons tweede huis, op jou, om Zich aan jou te geven. Hoe is dat mogelijk?

Dat is een groot geheim, een mysterie. Al 51 jaar geleden deed ik mijn eerste heilige Communie. Eb nog steeds is het voor mij een mysterie. Zoals ook de liefde van je ouders voor jullie een mysterie is dat je nooit helemaal begrijpt. Dat hoeft ook niet. Jezus houdt zoveel van ons dat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven, toen en nu nog steeds.

Je eerste heilige Communie. Zorg dat het niet je laatste communie wordt. Vraag aan pappa, mamma, om een echt nieuw begin te maken.

Een paar youtube-filmpjes minder per dag of een film minder op de teevee en je hebt op zondag of zaterdagavond genoeg tijd om naar de kerk te gaan, je tweede huis, waar Jezus op je wacht, waar je steeds weer met Hem verbonden kunt zijn.

Nooit meer alleen. Helemaal vol vreugde worden!

Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------

[1] Lezingen: 1 Korintiërs 11, 23-26; Johannes 15, 1-11


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 7 mei 2017, vierde zondag van Pasen[1]

   

“Een vreemde echter zullen zij niet volgen.”

                 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, leid ons binnen in de gemeenschap waar uw vreugde heerst. Laat de kleine kudde komen tot bij de herder, die met de inzet van zijn leven is voorop gegaan: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft en heerst…

 

VERKONDIGING

 

“Een vreemde echter zullen zij niet volgen.”

Op vier mei stond ik ’s avonds op de Dam. Waar ik ook sta, de goede God heeft mij zo gemaakt dat ik het gebeuren bij het monument voor de gevallenen goed kan zien.

Zo niet een ventje van ongeveer acht jaar dat dichtbij mij stond. Zijn vader - al op jaren, in elk geval ouder dan ik - had hem meegenomen naar de herdenking. De jongen wilde vooral de koning zien. Tot grote hilariteit van mij en enkele andere omstanders siste hij, vlak nadat hem was meegedeeld dat koning en koningin het paleis hadden verlaten en aan hun plechtige wandeling naar het monument waren begonnen: ‘ik ruik de deftigheid”.

Hij moest en zou de koning zien. Dringend smeekte hij zijn vader: ‘mag ik op jouw schouders?’ Stelling antwoordde deze: ‘pas na de twee minuten stilte'.

Steeds vaker maten de ogen van het kind mijn gestalte op. Hij moet gedacht hebben: ‘die is zo lang; als ik op zijn schouders kan dan zou ik alles kunnen zien’.

Maar hij durfde het niet te vragen net zo min als ik het durfde aan te bieden, eerbiedig de overduidelijk zorgvuldig geregelde verhoudingen tussen vader en zoon respecterend.

 

“Een vreemde echter zullen zij niet volgen”.

Vandaag gaat het over de vraag: wie volg je, aan wie durf je je toe te vertrouwen; op wiens schouders zit je vertrouwd, naar wiens stem luister je?

Het is roepingenzondag. “Een vreemde echter zullen zij niet volgen…omdat ze de stem van de vreemde niet kennen”.

 

Zoals dat ventje op de Dam voelde ik me vertrouwd bij mijn vader. Toen ik werd geboren was hij al veertig. Ook hij had moeite mij op de schouders te nemen. Hij was gasfitter. Zijn rug was al vroeg versleten. Wat een zegen dat je vader betrouwbaar is, zijn stem herkenbaar tussen tallozen, de menigte op de Dam. “Loop maar sneaky tussen de grote mensen naar voren,” zei zijn vader. Daar ging hij. Ik dacht: die durft. Maar nee, al gauw keerde hij terug en vleide zich tegen zijn vader aan.

 

“Een vreemde echter zullen zij niet volgen.”

“Wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover”. Deze dagen herdachten wij die aardedonkere tijd waarin dieven en rovers de schaapskooi, de hof, de veilige ruimte van onze samenleving zijn binnengegaan. “De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen”. Zo heeft de roversbende van toen het gedaan.

 

Jezus waarschuwt zijn tijdgenoten. Poog tussen alle stemmen en geluiden die op jou inpraten de stem te horen die jouw hart raakt, die voor jou bestemd is.

Al als kind. als jongere kun je diep van binnen geraakt: ‘zo ben ik, dat is mijn weg’. Roeping noemen we het. In onze tijd, ook zevenentwintig jaar geleden, toen ik priester werd gewijd, spreken we van een roepingencrisis.

 

De kerk kent twee sacramenten die met roeping te maken hebben: het huwelijk en de wijding. Beiden zijn in crisis. Zoals er heel weinig sacramentele huwelijken worden gevierd, zo worden er ook heel weinig priesterwijdingen gevierd. Eerlijk gezegd zijn het uitzonderlijke gebeurtenissen geworden. Vormden beide, het sacrament van het huwelijk en dat van de wijding, in vorige generaties het hoogste ideale levensproject, al sinds tientallen jaren zijn beide sacramenten onder kritiek gesteld. Wie een van beide aangaat wordt daarin veelal niet bevestigd maar bevraagd.

 

De diepste crisis is niet die van het huwelijk of van het priesterschap, maar die van het geloof, het gelovig vertrouwen. Die beide sacramenten hebben alleen maar zin, waarde, betekenis als je gelooft in God; als je gelooft dat je veilig bent; dat jouw leven in Gods hand is; dat jouw huwelijk niet alleen van jou en van jouw partner afhangt, dat jullie samen niet alleen staan als de dagen van de moeite komen, de lange duur, de beproeving; als je gelooft dat jouw weg als priester geen vastlopende, eenzame is, maar een weg samen met Christus, Hem achterna: “En als Hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt Hij voor hen uit…” Als je weg ook een weg is van gebed, van gesprek met Hem die al voor jou uitgaat. Een weg van gesprek met elkaar, als levenspartners. Opdat de relatie niet verzandt in stilte of -even erg- nietszeggend gepraat. Opdat het priesterambt, het pastorale werk zich niet uitholt in onbezield gepraat en activisme.

 

Roepingenzondag: geen moederdag nog, geen vaderdag en ook geen priesterdag, maar een dag - om te spreken met de apostel Petrus uit de eerste lezing - van bekering, van diep getroffen zijn, van nieuw vuur, van zoeken naar-, bidden om nieuw vuur in je relatie, je huwelijk, je vriendschap, je band met je kinderen en kleinkinderen, je priesterschap.

In de tweede lezing zegt Petrus: houd Jezus voor ogen die veel, zelfs het uiterste geduldig heeft verdragen. “Het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden, en u een voorbeeld nagelaten; gij moet in zijn voetstappen treden”.

We hoeven het lijden, de crisis niet te zoeken of te verheerlijken, maar wij kunnen ons wel laten vormen, louteren, zuiveren, genezen door de beproeving, - in je relatie, in je ambt. En daarin luisteren naar die bekende, vertrouwde stem van de mens die er voor jou is, je partner en daardoorheen de stem van de goede herder, die als een deur is, die toegang geeft tot de Vader, tot Gods nabijheid bij alles wat het leven ons brengt, ten einde toe.

 

Die vader van dat ventje.

De twee minuten stilte, dit jaar werkelijk volmaakt onderhouden, waren nog niet voorbij of hij tilde, getrouw aan zijn belofte, het joch op zijn kwetsbare schouders. Ik moest hem even ondersteunen anders was hij gevallen.

Het mannetje straalde. Hij zág de koning.

Op aarde teruggekeerd liep hij -hand in hand- verzaligd achter zijn vader aan: ‘tot in lengte van dagen blijf ik in zijn hand’[2].

Amen

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------------

[1] Lezingen: Handelingen 2, 14a.36-41; psalm 23; 1 Petrus 2, 20b-25; Johannes 10, 1-10

[2] uit de gezongen tekst van psalm 23


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Derde Zondag van Pasen, 29/30 april 2017[1]

 

Een vreemdeling op aarde

 

GEBED

god, nieuwe levenskrachten hebt gij in uw volk gewekt. u hebt ons tot uw kinderen aangenomen. laat ons u steeds in vreugde hierom loven en doe ons uitzien naar de dag van de verrijzenis, de vervulling van al wat wij verwachten. door onze heer…

 

VERKONDIGING

In de afgelopen week was ik enkele dagen op reis. Onder andere bracht ik een bezoek aan twee religieuzen in het noorden van Parijs, twee kleine zusters van Nazareth. De kleine zusters (ook in Amsterdam, op IJburg wonen enkele kleine zusters) zijn volgelingen van de zalige Charles de Foucauld. Hij leefde ruim honderd jaar geleden in de woestijn van Algerije een contemplatief, biddend leven en kwam op voor de armen.

Zo leven zijn volgelingen ook. De kleine zusters zijn wel de meest bijzondere religieuzen die ik heb leren kennen. Zij leven niet in kloosters, kunnen niet terugvallen op een gemeenschappelijk bezit. Zij verrichten eenvoudig, laagbetaald werk in een fabriek of in de zorg; zij wonen in een sociale huurwoning. Een uur per dag houden zij stille aanbidding. Zij leven in arme wijken of in wijken waar de kerk verder niet aanwezig is.

De twee kleine zusters in het noorden van Parijs wonen in het 19de arrondissement: ten noorden van het rijke centrum. Om het gebouw te bereiken waar zij een woning huren moest ik door een menigte van jonge mannen, die - het was zeven uur ’s avonds - van alles en nog wat stonden te verkopen. Wat zichtbaar is: telefoons, broekriemen, portemonnees en - hoogstwaarschijnlijk - wat onzichtbaar is: allerlei soorten pillen en drugs. Jongemannen die dag na dag, nacht na nacht een bestaan bij elkaar sprokkelen, net buiten het rijke, vrolijke centrum van die verrukkelijke, in menig opzicht rijke stad.

 

In het appartementengebouw waarin de kleine zusters wonen zijn zij de enige Europeanen. Zij worden daar op handen gedragen: door de katholieken die er wonen uit allerlei landen en door de vele moslims die er wonen. Zij brengen hun dagen door met zorg voor een aantal van die talloze jonge mannen die leven aan de rand van die rijke wereld; die eigenlijk met de rug gekeerd naar die maatschappij leven, of beter gezegd: pogen te overleven.

 

Vandaag spreekt het evangelie over twee mannen, twee leerlingen die de stad Jeruzalem, de stad van vrede, de rug toe keren.

Zij hebben de boodschap van de verrijzenis van Jezus vernomen: “Wel hebben twee vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht…zij hadden een boodschap gehoord dat Jezus weer leefde”. Het lege graf was gezien, maar Jezus hadden zij niet gezien. Teleurgesteld hadden zij de stad verlaten. Op weg naar Emmaüs. Zij konden het niet geloven dat er een toekomst was, dat er leven was, voorbij hun diepe teleurstelling, voorbij het lege graf. “Wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen”.

 

Bij de vreemdeling die zij onderweg ontmoeten doen de mannen hun verhaal, het verhaal van hun teleurstelling. Ja, Jezus wordt hier een vreemdeling genoemd.

Opeens ontdekte ik vandaag dat in de oorspronkelijke tekst het woord ‘parochiaan’ staat. Bent u de enige parochiaan in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?” En juist dit woord hoort vertaald te worden door: ‘vreemdeling’. Jezus is de vreemdeling in Jeruzalem, de vreemdeling in onze wereld. Parochianen, u en ik, zijn als vreemdelingen. Zij mogen een beetje afstand nemen van alle gevestigde waarden en meningen, niet zo gevangen in vaststaande posities en tradities, maar een beetje innerlijk vrij.

 

Zoals die twee oudere kleine zusters, levend van een schamel inkomen als hun buren; die als enige witte Europeanen in die straatarme wijk wonen vol met mensen uit alle volken en rassen en talen. Mensen die met hun rug naar het rijke Parijs leven en zo gehoopt hadden dat er voor hen een menswaardig leven zou zijn.

Die beide op het oog kwetsbare, maar innerlijk sterke vrouwen organiseren in de zaal van hun parochie wekelijks een ontbijt. Gezeten aan de tafel weten zij die mannen van de straat met hun schamele, half toelaatbare half illegale handeltje, te transformeren tot mensen die niet alle hoop en niet alle menselijkheid verliezen. “Brandde ons hart niet zoals Hij onderweg tot ons sprak en ons de schriften ontsloot?”

 

Zo kan Jezus, de verrezen Heer, in ons midden aanwezig zijn: als wij zoals Hijzelf een vreemdeling willen zijn in deze wereld, een parochiaan; als wij het brood van het gewone leven, het dagelijks brood met elkaar breken en delen; als wij het leven, de stad van de mensen. Jeruzalem, stad van vrede, niet meer de rug toekeren. Dan kan Jezus in ons midden zijn en ons helpen ons verdriet, onze teleurstelling te overwinnen; weer hoop te hebben, het leven lief te hebben, om te keren. En zoals die twee Emmaüsgangers, boodschappers te worden van leven door de dood heen, vertellend wat er op onze levensweg gebeurd is en hoe wij Hem - ook dadelijk weer aan de tafel van de eucharistie en de communie - herkennen aan het breken van het brood. Zo moge het ons gebeuren. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

-----------------------------------------------------

[1] Handelingen 2, 14. 22-28; 1Petrus 1, 17-21; Lucas 24, 13-35