Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 16/17 september 2017, 24ste zondag door het jaar.

                       Vredeszondag[1]

 

Een delicate opdracht

 

GEBED

 

HEER ONZE GOD, UW ALMACHT ERVAREN WIJ IN DE OVERMACHT VAN UW LIEFDE EN BARMHARTIGHEID; UW TROUW EN UW GEDULD ZIJN GRENZELOOS. GEEF DAT OOK WIJ ELKAAR VAN HARTE VERGEVEN, EN ZO GENADE VINDEN IN UW OGEN. DOOR ONZE HEER JEZUS CHRISTUS UW ZOON…

 

VERKONDIGING

 

Vandaag is het Vredeszondag en wij hoorden weer een stukje uit de zogenaamde kerkrede van Jezus: zijn toespraak over de omgang van de gelovigen met elkaar binnen de kerkgemeenschap. Maar de regels die Jezus voorhoudt mag je ook wel toepassen op de samenleving buiten de omheining van de geloofsgemeenschap, op de omgang tussen volken, tussen politieke en religieuze stromingen.

Af en toe houden wij ons hart vast als er weer een raket raast over een land en zich in zee boort. Kijk eens hoe ver wij kunnen komen, hoe wij jullie kunnen treffen met dood en verderf. Of als er weer een al of niet mislukte bom afgaat  in een wereldstad, op een druk plein of in een opeengepakte menigte in een benauwd metrovoertuig waar je geen kant op kunt. Hoe ga je met elkaar om?

 

Vorige week hoorden wij in diezelfde toespraak van Jezus dat wij met elkaar moeten praten. De menselijke verhoudingen in kerk en maatschappij gaan kapot als wij niet zo eerlijk mogelijk met elkaar praten. Eerst onder vier ogen, hoorden wij, en als het niet anders gaat moet je anderen of zelfs de gemeenschap erbij halen. Een zware opgave. Een delicate opdracht. Want je kunt de ander kwetsen en je maakt jezelf kwetsbaar als je als eerste begint. Talloze families heb ik al ontmoet, waarin sommigen elkaar niet spreken, vaak al jaren niet. Op grote dagen, van rouw of van vreugde, komt het pijnlijk aan het licht, gaan wonden weer open. Jezus drukt het ons op het hart. Spreek met elkaar, onder vier ogen, voorzichtig, in het verborgene, geduldig, respectvol. En we hoorden: doe het in een geest van gebed. Begin ermee voor elkaar te bidden en blijf dat doen Als je voor elkaar, als je voor je tegenstander, je vijand begint te bidden dan ben je al begonnen de breuk te helen, jezelf en de ander te heiligen, te helen.

 

Als dat allemaal niets uithaalt , hoorden wij Jezus zeggen, beschouw die onwillige ander dan als een tollenaar of heiden. Onze diaken René, die vorige week heel mooi preekte, herinnerde ons eraan dat in het evangelie van Matteüs, de tollenaar, staat dat Jezus juist zijn hele leven op zoek bleef naar tollenaars, zondaars en heidenen. Met andere woorden: je moet een ander, hoe fout hij ook kan zitten, nooit afschrijven. Zonder ophouden zouden we op zoek mogen zijn naar de ander. Zoals Jezus doet, zoals God blijft zoeken.

 

Vandaag gaat het verder in de toespraak van Jezus over de kerk. Zijn toespraak wordt vandaag bijna absurd. Hij vertelt de gelijkenis over die man die een ongelooflijke schuld heeft bij zijn heer: tienduizend talenten. Dat zijn tienduizend grote vermogens. Van elk van die vermogens zou je kunnen rentenieren. Een ongehoorde schuld. Zo’n man is zijn leven lang veroordeeld tot de schuldsanering. Als hij daarin al wordt toegelaten.

 

Ja, dat is ook wat, de schuldsanering. Niet zelden hoor ik wat een last, wat een welhaast ondraaglijk gewicht die is op het leven van mensen met schulden. Bijna niets hebben zij te besteden. Eindeloos betalen zij terug, soms vele jaren lang. Hun leven staat bijna stil. Wij zagen het open en bloot in de in Amsterdam-Noord spelende docu-serie ‘Schuldig’. Menigmaal hoor ik verhalen van mensen die onder zo’n zogenaamde sanering gebukt gaan. Soms zie je iemand er letterlijk aan te gronde gaan…

 

De heer in het verhaal van Jezus scheldt de schuldenaar alles kwijt. Zoals ons opnieuw vertaalde Onze Vader ons indringend herinnert: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. De man heeft eerlijk schuld bekend en wordt bevrijd van de onmogelijke schuldenlast die hem zijn leven lang dreigde neer te drukken. Zo is de bestemming van de mens, zegt Jezus: dat hij of zij, bevrijd van ondraaglijke schulden mag leven, opgelucht, op adem gekomen, opgestaan, verrezen tot een nieuw bestaan. Ons evangelie op deze zondag is een echt paasverhaal. Wij zijn vergeven door God, verlost door Jezus.

 

Maar zijn verlossing, zijn absolutie, zijn vergoten bloed aan het Kruis, schept voor ons verplichtingen. Nu worden wij dringend gevraagd ook als bevrijde mensen te leven, als mensen die op hun beurt anderen doen opstaan tot een verlost bestaan. U hoorde hoe dat kan mislukken. Hoe vlug je gewend kunt raken aan vrijheid, bevrijding, vergeving. Hoe snel je kunt vergeten hoe bevoorrecht je bent kind van de verlossing te zijn. Hoe vlug je kunt vervallen tot leven op jezelf gericht, zuinig, afgemeten; pijnlijk nauwkeurig uitrekenend en opeisend waarop je recht meent de hebben.

 

Uiteindelijk ontsteekt kan de heer in het evangelie het niet meer aanzien, omdat de man geen medelijden heeft met zijn mededienaar, zijn medemens, die maar minimaal bij hem in het krijt staat.

Medelijden, geduld met je naaste. Zo bouw je een gemeenschap op, houd je een gemeenschap in stand. Anders raak je geïsoleerd, wordt het leven een kwelling, overgeleverd aan de beulen, dat wil zeggen aan elkaars ongenade, berekening, hardheid. Volgens de gelijkenis blijft God het eindeloos geduldig met ons proberen. (We zongen er ook van: ‘De Heer is barmhartig en welgezind’).

 

Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, niemand sterft voor zichzelf alleen, schrijft Paulus. De Heer heeft geleefd en is gestorven voor allen, voor ons en voor onze vijanden. Laten we op deze vredeszondag, in deze vredesweek elkaar opzoeken, het gesprek zoeken en proberen te leven als mensen die bevrijd zijn van schuld, vrij uit, royaal, verlost, -verlossing, vergeving schenkend aan onze medemensen!

Amen.

 

N. van der Peet

-----------------------------------------------------------

[1] Ecclesiasticus 27, 30-28,7; Romeinenbrief 14, 7-9; Matteüs 18, 21-35


VERKONDIGING IN DE NIEUWE AUGUSTINUS, 26/27 AUGUSTUS (LEZINGEN 21STE ZONDAG DOOR HET JAAR) FEEST VAN DE HEILIGE MONICA EN DE HEILIGE AUGUSTINUS[1]

 

GEBED

Heer, vernieuw in uw kerk de gezindheid, waarvan U de heilige Augustinus hebt doordrongen. Wij vragen U: wek ook in ons de dorst naar U alleen, de bron van de ware wijsheid, trek ons naar U, die de oorsprong van de hoogste liefde bent. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

Wie heeft de sleutels van het huis van David, wie heeft de sleutels van het heiligdom, de tempel, de kerk? “Als hij opendoet, zal niemand sluiten, en als hij sluit, zal niemand opendoen”. Vandaag gedenken en vieren wij sint Augustinus, de patroon van onze parochie en van onze kerk (28 augustus) en zijn zeer bijzondere moeder, de heilige Monica (27 augustus), die voor hem, om zo te zeggen, de deur naar het geloof heeft opengedaan. Want eigenlijk had zij de sleutel in handen. Toen de jonge Augustinus nog niets moest hebben van dat christelijke geloof met zijn kerk vol oude mensen (ook toen werd daar al over gemompeld; houd dus moed, het is iets van alle tijden), toen bezocht zijn krachtige moeder elke dag de heilige Mis in de kathedraal van Milaan en hing aan de lippen van de grote predikant, bisschop Ambrosius. Die kon nog eens preken. Uiteindelijk zwicht Augustinus voor de smeekbeden van zijn moeder (“ga toch eens naar de kerk”; het duwen en trekken van kerkgaande ouders aan hun kinderen is ook van alle tijden) en hij gáát. Ook al kun je dat nooit afdwingen en moet je uiteindelijk de onafhankelijke keuze van je kind, je neven en nichten, je petekind, accepteren en eerbiedigen.

 

De trouw van moeder Monica en de preken van Ambrosius doen in het hart en het verstand van Augustinus geleidelijk hun werk. Of mooier en geloviger gezegd: de heilige Geest deed zijn werk, heeft hem omgeturnd. Eerst bleef de deur naar de kerk en haar geloof voor hem gesloten. Hij schreef in zijn Belijdenissen (wij zullen het na de Communie zingen): “Binnen in mij was je, God, ik was buiten en ik zocht jou als een ziende blinde buiten mij en uitgestort als water liep ik van jou weg en liep verloren tussen zoveel schoonheid die niet jij is”.

 

Iemand moet voor jou openen. Ten diepste is het God Zelf die voor jou, voor u, voor mij de deur opendoet naar het leven, naar geloven, hopen, liefhebben, verlangen en vervulling. Maar God werkt niet als een potentaat met dwang uit den hoge, Hij werkt door mensen. Bijvoorbeeld door je moeder, zoals in het geval van Augustinus. Monica bleef aan de ene kant op de achtergrond, maar anderzijds was zij bij tijd en wijle heel krachtig, zelfs een beetje opdringerig. Ook al was haar begaafde, geleerde zoon al volwassen, zij kon het niet laten af en toe hem een krachtig advies te geven.

Iemand die de sleutel is in jouw leven, die de deur opent.

 

Jezus geeft aan één van zijn Twaalf apostelen/leerlingen de sleutels. Ik zal jou, Petrus, “de sleutels geven van het Rijk der hemelen, en wat jij zult binden op aarde, zal ook de hemel gebonden zijn, en wat jij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn”.

Dat lijkt erg op de woorden over Eljakim gesproken in de eerste lezing. Hij was in de plaats gekomen van Shebna als overste van de tempel, de sleuteldrager.

Shebna deugde niet, werd verjaagd van zijn post, uit zijn ambt gestoten. Er moet iets helemaal fout zijn gegaan. Ook hoge ambtsdragers zijn mensen en tasten er soms helemaal naast. Wij hebben daar in onze tijd ook maar al te veel ervaring. ‘Wie staat zie toe dat hij niet valle'. Shebna is diep gevallen. Eljakim komt in zijn plaats, als nieuwe sleuteldrager, overste van de tempel, een soort superkoster. Het kosterschap is een belangrijk ambt. Een gevoelig werk. Hij of zijn opent het heiligdom op de goede tijd, zet de deuren van Gods huis open. Een huis van stilte, geen marktplein, want God moet hier aan het woord komen in de liturgie, ook vóór de viering al. Mensen komen hier, worden uitgenodigd om stilte te zoeken, de rust, om op adem te komen, tot een soort innerlijke ordening. Je kunt natuurlijk wel zachtjes met elkaar spreken, maar liever niet op vol volume, de knoppen mogen wat lager zijn afgesteld. Oosterhuis dicht over die deur die de koster voor ons opent: “deur die naar stilte openstaan”.

 

Eljakim bleek als koster, als overste van de tempel, een schot in de roos. Hij zal een vader voor de bewoners van Jeruzalem en voor het huis van Juda zijn. Een man vastgeslagen als een spijker op een stevige plek.

Je kunt over hem lezen in het tweede boek der koningen. Hij blijkt een moedig man, die zijn mond durft op te doen tegen de grote bek van die dagen, de koning van Assur, die er op los scheldt tegen iedereen die hij tegen komt. Hij is de leider van het grootste en machtigste  en meest zwaarbewapende land van de achtste eeuw voor Christus. ‘Waar die inwoners van Jeruzalem met hun koning toch wel de moed vandaag haalden om niet met hangende pootjes naar hem toe te komen. Wat was dat voor een innerlijke overtuiging, voor een geloof dat hen dreef?’

Eljakim hield de sleutels goed vast. Hij gaf ze niet af. Hij liet zich niet bang maken door mensen met opzwepende toespraken, met bakken geld en wapens.

 

En wonder, o wonder, Jeruzalem hield stand. Het machtige Assur ging aan innerlijke verwarring en wanorde ten onder. Maar Eljakim stond pal, viel nergens van om, hij stond vast als een spijker op een stevige plek.

Zoals later Petrus. Eigenlijk heette hij Simon, maar Jezus gaf hem een nieuwe naam: Petrus, rots. Hij stond stevig. En wanneer hij ten val kwam bekeerde hij zich, zag hij zijn fouten eerlijk onder ogen.

Nu zijn de sleutels aan ons toevertrouwd, de sleutels van deze tempel, deze kerk, deze plaats van ontmoeting met God als gemeenschap. Wij zijn nu geroepen, zoals eertijds Eljakim, Petrus , Monica en Augustinus, om de innerlijke deur van ons hart en ons verstand te openen voor God en om de deur van deze Nieuwe Augustinus te openen voor iedere mens die zoekt naar leven, geloven, hopen, liefhebben, verlangen en vervulling. Dat valt niet mee. Monica had er al grote moeite mee haar bloedeigen zoon zover te krijgen. In onze tijd is het niet veel anders. De heilige Monica leert ons dat alleen een vaste overtuiging en trouw aan ons geloof en aan de kerk iets kan betekenen. Wij hebben zelf de sleutel in handen. Amen.

 

N. van der Peet

 

 

-----------------------------------------------------

[1] Jesaja 22, 19-23; Romeinenbrief 11, 33-36;Matteüs 16, 13-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 19/20 augustus 2017.

                      Twintigste zondag door het jaar[1]

 

Katholiek worden

 

GEBED

 

God, voor hen die U liefhebben, hebt U het geluk bereid dat geen oog heeft gezien. Raak ons met uw liefde, zodat wij in allen U beminnen, en het beloofd geluk aanschouwen dat elk verlangen overtreft. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

Er staat: “Jezus trok zich terug”. Het oorspronkelijke woord is nog sterker:

“Jezus ging vandaar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon”.

Dat betekent: Jezus hield het niet meer uit in zijn land, temidden van zijn eigen volk. Hij gaat helemaal naar het noorden, naar de streek van Tyrus en Sidon. Daar had de joodse gelovige niets te zoeken. Bovendien was het dichtbij de zee, waarvoor toen grote huiver en zelfs angst bestond. 

 

Jezus hield het niet meer uit bij zijn geloofsgenoten.

In een lang gesprek hadden vrome landgenoten Hem doorgezaagd over de naleving van godsdienstig geïnspireerde spijswetten. Het staat er niet letterlijk, maar ik vermoed dat de atmosfeer Hem te benauwd werd.

Dat kan je overkomen in je eigen kring, je familie, je vriendenkring of ook in de kring van geloofsgenoten. Dat het bedompt wordt; dat mensen elkaar gaan controleren, de maat gaan nemen, beoordelen. Alleen het eigen volk deugt dan nog, de eigen groep, godsdienst, cultuur, ras.

Wij zagen het deze week op de beelden uit Charlottesville in de Verenigde Staten. Mensen die van voor hun vreemde smetten vrij willen leven, die de mens die anders gekleurd, geaard, gelovig is uit hun bereik willen verwijderen.

We zagen het deze week ook in Barcelona: de gruwelijke uiting van haat tegen een cultuur, een manier van leven. Vrijdag, nog maar éé na het drama op de straat van een vakantie vierende menigte, zag je Spaanse burgers, voorbeelden van nuance. Een voor een zeiden zij heel goede moslims te kennen met wie zij leefden, collega’s, buren. Wat een verdraagzaamheid. Geen overdreven correctheid, maar zorgvuldigheid, onderscheidingsvermogen.

 

Jezus zoekt de grens op van zijn eigen leefwereld. Dat was Hij nog niet gewend. Het was een tijd zonder media en kranten. Om vreemdelingen te zien moest je letterlijk naar de grens gaan van je land, je leefgebied. Dat doet Jezus, gedreven door de intolerantie van zijn eigen volk. Alsof Hij rust wilde, alléén wilde zijn, als een soort monnik. Dat woord lees je ook: Hij trok zich terug uit de wereld, -minstens voor even.

 

Maar dat is niet mogelijk. De wereld ‘wilt mij achterna, al waar ik ga of sta of ooit mijn ogen sla’.[2] Waarheen je ook reist, je neemt jezelf mee, jouw meningen, jouw zorgen en tobberijen, je zwakheid en je talent. En waarheen je ook gaat, overal zijn mensen.

“En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten  en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David’”.

Kananees betekent: niet behorend tot de geloofsgemeenschap van Israël. Tussen de vrouw en Jezus gaapt een onoverbrugbare kloof.

Maar die vrouw doet alles om Jezus tegemoet te komen. Zij heeft de taal geleerd. Zij spreekt Hem met Hem bekende woorden en titel aan. Zij kent het Kyrie eleison: ‘Heb medelijden met mij’ en zij kent Jezus’ hoge titel en roeping: ‘Zoon van David’. Wat wil Hij nog meer? Zoveel beleefdheid, zulke juist gekozen woorden.

 

“Maar Hij gaf haar niet eens antwoord”.

 

Is het dan onbegonnen werk: het gesprek tussen de culturen, de godsdiensten?

Wat is ons evangelie toch van een confronterende actualiteit. Wat je ook probeert, steeds vallen mensen terug in hun oude oordelen, groepsliederen, vlaggen en vaandels.

De arme vrouw, ze vroeg niet eens iets voor zichzelf. Het ging om haar kind, haar dochter, haar toekomst, haar geestelijk gekwelde dochter.

Jezus antwoordt niet, maar dat is nog niet het einde van de ontmoeting. De vrouw kan nog aandringen en Jezus kan zich nog bedenken.

Maar zoals gewoonlijk doen zijn leerlingen, zijn kerkleden er nog een schepje bovenop: “Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen”.

De kerkmannen willen liever onder elkaar blijven. Geen vrouwen en zeker geen buitenlandse vrouwen.

En ook Jezus weet nog niet beter of Hij is alleen maar gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël.

 

Deze scène in later tijd opgeschreven, nadat Jezus was gestorven en verrezen, niet meer zichtbaar aanwezig was. Om de vrome, joodse gelovigen uit te leggen, hoe het heeft kunnen gebeuren dat er ook niet-joden lid waren geworden van de prille kerkgemeenschap. Het verhaal legt uit: zo is het gebeurd. Jezus is niet over één nacht ijs gegaan. Omdat de heidenen erom hebben gesmeekt; omdat zij het geloof en de taal van het geloof hebben geleerd, is die opening gekomen in de kerk; is de kerk een open gemeenschap geworden. Is zij katholiek geworden. Katholiek betekent: algemeen, iedereen insluitend.

Die vrouw heeft Jezus zover gekregen, dat Hij niet alleen is gaan zoeken naar de verloren schapen van het huis Israël, maar naar alle verloren gelopen mensen en volken van deze wereld. Jezus was al zover gekomen. Nu zijn kerkgemeenschap nog, nu wij nog.

 

Uiteindelijk, na dat pijnlijke gesprek over de kinderen en de honden, de kruimels van de tafels van de meesters, gaat Jezus naar de kern, naar het hart van die vrouw en het hart van u en mij. “Vrouw, u hebt een groot geloof!”

Haar geloof, haar vertrouwen trekt Jezus over de streep.

Ergens anders zegt Jezus dat ons geloof bergen kan verzetten. Dat is wat hier gebeurt. Dat is de opdracht van Jezus’ Kerk: dat zij naar de grenzen gaat, dat zij durft te spreken, zoals Jezus uiteindelijk durfde, met vreemdelingen, met mensen met een andere geloofsbeleving; opdat de kerk niet bedompt wordt, zuurstofarm, intern ruzie-achtig, angstig voor de grote buitenwereld.

Met andere woorden: onze kerk moet niet on-katholiek worden.

Of positief gezegd: mogen wij eindelijk katholiek worden.

 

En als al die vreemdelingen ons angst aanjagen, dan mogen wij getroost zijn door Jezus die in het begin ook grote moeite had zijn grenzen over te gaan.

Laten wij Hem met geloof volgen.

Amen.

 

N. van der Peet

 

------------------------------------------------------------

[1] Jesaja 56, 1.6-7; Romeinenbrief 11, 13-15. 29-32; Matteüs 15, 21-28

[2] uit: Guido Gezelle (1840-1899), ‘Gij badt op enen berg alleen’ 

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus en in het Korthagenhuis,

                      12/13 augustus 2017 - Negentiende zondag door het jaar[1]

 

De ogen gericht op Jezus, niet op de storm

 

GEBED

 

Heer God, U doet uw woord gestand, U bent getrouw. Kom ons ongeloof te hulp, laat niet toe dat wij ten ondergaan in twijfel. Neem ons bij de hand, zodat wij uw aanwezigheid ondervinden. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Elia was een drukke man. Hij, de profeet in Israël, had zijn handen vol. Het land was vol met valse profeten, die de inwoners poogden te verleiden tot allerlei onzin en afgoderij van geld en goed en van rare idolen. Bovendien had hij te maken met een koning, Achab, en een koningin, Izebel, die zich van god noch gebod iets aantrokken, maar alleen gingen voor macht, grondbezit, rijkdom, - over de ruggen uiteraard van de gewone mensen.

 

Elia had het niet alleen druk.

Drukte is niet zo erg. Gewoon goed plannen en prioriteiten stellen. Hard werken is vaak wel fijn en inspirerend, zeker als je houdt van je werk, je opdracht, je roeping.

Er was iets veel ergers aan de hand met Elia.

Hij werd moedeloos door alle tegenwerking, gemopper, geklaag en gedoe om hem heen.

Dan moet je uitkijken, want dan kom je in de gevarenzone. Om zo te zeggen: dan grijpt de duivel zijn kans en probeert je van je stuk te brengen.

Bovendien voelde Elia zich niet meer veilig: het koninklijk paar wilde van hem af.

 

Wat kun je doen als het je te veel wordt?

Vluchten in vertier, in drank of drugs, in geld en goed?

Voor een gelovige is dat niet de echte oplossing.

In al die drukte, verwarring en moedeloosheid zoekt Elia God.

Hij maakt zich los van zijn dagelijkse sores en zoekt het alleen zijn.

Het lijkt wel een retraite.

Hij gaat niet zomaar de deur uit, hij zoekt een bijzondere plaats. Zoals katholieken ook wel eens doen. Met hun vragen en problemen of met hun dankbaarheid en vreugde gaan ze naar Lourdes of Fatima of -fijn dichtbij huis- naar Heiloo.

Elia gaat naar de Horeb, de Sinai, de berg van de ontmoeting met God. Ooit had Mozes op die berg God ontmoet en de Wet, de Tora ontvangen.

Sommige mensen zeggen: ik vind mezelf een huichelaar als ik weer naar de kerk ga, want ik ben heel lang niet meer geweest. En nu ik nood ben, ziek, zwaarmoedig, zal ik naar de kerk gaan? Nood leert bidden. Welnu, dan ben je in goed gezelschap. Dat mag ook. Laat nood je maar leren bidden. Zo deed Eila het ook. In al zijn drukte, zijn moedeloosheid, zijn vrees zoekt hij de stilte, gaat hij bidden.

 

Maar denk nu niet dat, wanneer je eens uit de dagelijkse sleur weggaat en stil valt, het ook werkelijk aangenaam rustig is in jou.

Hoe mooi het plekje ook is, hoe fraai de berg en het uitzicht, Elia ervaart storm en aardbeving en vuur.

Elia komt -met andere woorden- zichzelf tegen.

Heel die tijd van drukte, tegenwerking, angst en moedeloosheid komt op hem af.

Mensen die eindelijk gaan bidden zeggen: wat móet ik met al die gedachten die in me opkomen, al die onrust?

Sommigen vluchten ervoor.

Ze zeggen dat ze vluchten voor de stilte, maar in werkelijk vluchten ze voor de onrust in zichzelf.

Het recept, volgens ons bijbelverhaal, is: gewoon laten gebeuren, tot heel die innerlijke storm is uitgewoed.

Bidden heeft met geduld te maken.

De innerlijke storm, aardbeving en het vuur laten uitwoeden totdat eindelijk de rust komt: het suizen van een zachte bries.

Pas daarna, als het zo stil in hem is geworden dat hij het suizen van een zachte bries kan horen, gaat Elia weer naar buiten, komt hij los van zichzelf. Daarna zal hij weer de kracht vinden zijn gewone leven op te pakken en met vernieuwde kracht zich in te zetten voor zijn levenstaak, voor geloofsgemeenschap.

 

Ook de kracht van Jezus school niet op de eerste plaats in al zijn activiteiten. Ook Hij zoekt de stilte: “Hij ging de berg op om in afzondering te bidden”.

Na de broodvermenigvuldiging, een dag waarop heel veel mensen om Hem heen waren en Hij gaf wat Hij bezat, dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan.

Zij moeten zelf de oversteek over het diepe, soms onzekere water durven maken. Hij gaat over u en mij. Hij bidt boven op de berg, aan de rechterhand van de Vader, komt Hij voor ons op. Maar wij zitten nog in het schip. Onze levensopdracht is nog niet klaar. Soms worden we in ons leven geteisterd door de golven. Soms moet u of ik diep gaan. Het duurt een hele nacht.

“Tegen de morgen kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe”.

Het lijkt wel een paasverhaal. Tegen de morgen loopt Jezus over het woeste water van leven en dood naar ons toe. “Wees gerust, Ik ben het. Vreest niet”.

 

Petrus neemt het woord. Hij durft de boot uit te stappen.

Petrus is de leider van de geloofsgemeenschap. Hij moet het avontuur aandurven. Hij moet niet bang zijn voor de golven, nee, hij moet niet op de storm letten, hij moet zijn ogen gericht houden op Jezus.

Maar Petrus, zeg maar de eerste paus, is ook maar een mens.

Hij lette meer op de storm van de wereld dan op Jezus. “Hij werd bang; hij begon te zinken en schreeuwde: ‘Heer, red mij’”. Petrus heeft getwijfeld. Hij is maar een mens. De kerk is van Jezus, is van God, maar aan de andere kant is zij maar mensenwerk. Je moet je neus niet voor haar optrekken, want dan trek je je neus op voor jezelf. “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”

 

Met Jezus stappen ze weer in de boot. De wind ging liggen.

Hoe hoog de golven ook kunnen gaan, de Heer is bij ons, in het schip van de kerk en van ons leven.

Mogen we behouden aanmeren aan de overkant.

Amen.

 

N. van der Peet

--------------------------------------------------------------------

[1] 1ste boek der Koningen 19, 9a. 11-13a; Romeinenbrief 9, 1-5; Matteüs 14, 22-33


 

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus en in het Korthagenhuis,

                    5/6 augustus 2017

                    Feest van de Gedaanteverandering van de Heer

 

Kind van God worden

 

GEBED

God, bij de glorievolle Gedaanteverandering van uw Zoon hebt U de mysteries van het geloof bekrachtigd door het getuigenis van Mozes en Elia. U hebt ons aangekondigd dat ook wij uw kinderen mogen zijn. Wij bidden U: laat ons gehoor schenken aan de stem van uw Zoon, om met Hem uw erfenis te mogen bezitten.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

Naar gelang de ontkerkelijking en de secularisatie voortschrijden ontmoet ik steeds vaker volwassen Nederlanders die weinig of niets weten van het christelijke, het katholieke geloof. Elk jaar melden zich wel enkele volwassenen aan die gedoopt willen worden of als niet-katholiek gedoopte willen toetreden tot de katholieke kerk.

Iemand vroeg mij: word je niet moedeloos van die teruggang van de kerk? Ik denk veel na over die belangwekkende vraag. Ik betreur de teruggang. Niet op de eerste plaats omdat het zo jammer is voor de kerk. Maar vooral omdat die slecht is voor de mensen en voor onze samenleving, waarin de christelijke, katholieke visie op de mens aan invloed verliest en waar een rationele, economische, soms harde, kijk op leven en dood, op ouderdom en zorg aan invloed wint.

Ik betreur de teruggang, maar ik ben niet moedeloos, durf ik te zeggen. Want ik zie dat tegen de stroom in, er mensen zijn die zoeken naar de waarden van het christelijke, katholieke geloof. In het kille, van God losgezongen klimaat, zoeken zij ware menselijkheid, die alleen God kan garanderen, hoe vreemd dit ook moge klinken. Op de kale akker van een niet-godsdienstige cultuur wordt het zaad uitgestrooid van geloof, ook al zien wij daar nog niet veel van. We moeten geduld hebben in deze dorre tijd, maar wel actief de akker bewerken. En standvastige christenen zijn, die zich niet laten wegblazen door de publieke opinie en de opiniemakers.

Soms ook voer ik zo’n geloofsgesprek met niet-christenen die willen trouwen met een katholieke man of vrouw. Dan speken we meestal met een zekere regelmaat in een periode van meerdere maanden over wat het katholieke geloof nu eigenlijk is. Persoonlijk vind ik het verfrissende gesprekken. Het gaat om mensen die vaak heel onbevangen zijn. Zij gingen nooit gebukt onder de last van godsdienst, zij kennen er ook de vreugde en de rijkdom niet van. Zij stellen vaak vragen die mij dwingen weer bij het begin te beginnen en me dwingen tot de vraag: wat geloof ik nu zelf, wat is nu eigenlijk de kern van ons geloof?

Deze week, in gesprek met een aanstaande bruidegom, niet opgevoed in enige godsdienstige traditie, de aanstaande van een praktiserende katholieke jonge vrouw, kwam die vraag weer op tafel. Wat is nu de betekenis van de bijbel en van Jezus? Hij ontlokte mij dit antwoord: in ons geloof gaat het niet om een boek, niet om woorden,maar om een mens: om het Woord dat is mens geworden, vlees geworden. Jezus.

“In mijn nachtelijk visioen zag ik met de wolken des hemels iemand aankomen, die op een mens geleek”. Hier is Daniël aan het woord, de profeet in de tijd van ballingschap, van overheersing door vreemde machten, die met harde hand regeerden, de mensen dwongen tot verering van de macht van de staat. Ook in onze tijd, nu de kerken klein en machteloos zijn geworden, lijkt het wel of de staat de grote levensvragen wil beantwoorden met verregaande wetgeving op het terrein van leven en dood. Een beangstigende ontwikkeling.

Temidden van het machtsvertoon van de staat had Daniël een visioen. Hij ziet iemand aankomen die op een mens geleek. Geen grote tot de tanden bewapende machthebbers en legers, maar een mens. Hij ontvangt van de hoogbejaarde (een bijzondere naam voor God) heerschappij, luister en koninklijke macht.

Wij belijden en beleven geen godsdienst van een boek, geen droge, dorre woorden, maar een mens. In ons geloof is een wezenlijke stap gezet: van het woord naar het mensgeworden woord. Het wezenlijke nieuwe van het christelijke, katholieke geloof is dat wij alle woorden die geschreven staan in de bijbel, alle regels, voorschriften en geboden proberen te zien, te begrijpen, te verstaan door de ogen en door het hart van Jezus. Wij zijn niet beter dan bijvoorbeeld het jodendom of de Islam, ons geloof is anders.

Het klinkt wel vriendelijk om te beweren dat alle godsdiensten ongeveer hetzelfde zijn, maar het is niet echt waar en ook niet echt respectvol voor de diverse godsdiensten.

Wij, christenen, geloven dat God een definitieve stap heeft gezet door Jezus, zijn Zoon te schenken. Iemand die op een mens gelijkt. Jezus hield van de woorden van zijn joodse geloof, de geschriften van het eerste of oude testament en hij hield van de traditie van uitleg en van de beleving van dit geloof, de eredienst en de levenswijze. Maar het unieke is: Hij belichaamde dit geloof. Het werd in Hem vlees en bloed.

Dat vieren wij vandaag. Op 6 augustus viert de kerk sinds onheuglijke tijden de Gedaanteverandering van de Heer op de berg. Drie leerlingen zijn erbij en uiteindelijk is heel de geschiedenis van het volk van Jezus ook aanwezig, namelijk Mozes en Elia, die daar staan voor de Wet, al die woorden; en de profeten, al die uitleg en actualisering van de wet, de geboden. Zij spreken met die ene Man uit Israël, de Man uit Nazaret. Hij staat letterlijk in het licht: alle spotlights zijn op Hem gericht. Of anders gezegd, in Hem komt aan het licht wat al die woorden betekenen.

In Hem komt God aan het licht. Of zoals de dichter het ons laat zingen in zijn prachtige lied: “Liefste der mensen, eerstgeboren, Licht, laatste woord van Hem die leeft”.

Dat is wel heel gewaagd gezegd, lijkt me. “Laatste woord van Hem die leeft”.

Dat geloof ik -eerlijk gezegd- niet helemaal.

Niet het laatste woord. God heeft nog veel te zeggen.

Hij wil ook dat u en ik aan het woord komen en al die mensen die in deze tijd en in alle generaties naar geloof zoeken. Het oude Woord wil ook in ons vlees worden, mens worden. Natuurlijk niet zo volmaakt en definitief als in Jezus, de Zoon, maar wel zo goed mogelijk.

Zo wil God zijn: als iemand die op een mens gelijkt.

Hij zegt het ook tegen u en mij: “Jij bent mijn zoon, mijn dochter, in jou heb Ik welbehagen”. Iedere mens is geroepen tot leven, - gewild, bemind.

Mogen we het zo beleven. Amen.

N. van der Peet


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 22/23 juli 2017

                        Zestiende zondag door het jaar[1]

                     

Maar ik geloof

 

GEBED

 

Heer God, uw wijsheid en goedheid, en uw mateloos geduld gaan alle begrip te boven.

Wij bidden U: bevrijd ons van kleinmoedigheid, geef ons geduld met onszelf en met elkaar in het geloof en het vertrouwen dat Gij alles ten goede leidt.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

 

Vrijdagavond begaf ik mij naar de Sacramentskerk, onze voormalige rooms-katholieke kerk in Tuindorp-Oostzaan aan de Kometensingel, in 2008 gesloten. Binnen enkele weken zal er eindelijk een nieuwe bestemming zijn voor deze kerk die in de vijftiger jaren werd gebouwd. Juist tijdens het Over het IJ-festival van deze zomer vond tegen de achtergrond van de neo-romaanse gevel van dit kerkgebouw een theatermonoloog plaats. Dat wil zeggen: een toneelstuk voor één man. Een indrukwekkende alleenspraak, geschreven door Timen Jan Veenstra, toneelschrijver, 33 jaar oud. Vorige zomer stond deze begenadigde schrijver opeen voor mijn neus. Hij wilde onder andere in onze kerk een eerste stap zetten op weg naar zijn monoloog, die moest gaan over de Tuindorp-Oostzaan. Over de decennia waarin dit deel van Amsterdam-Noord in het teken stond van de scheepsbouw, die indrukwekkende industrie die heel de vitaliteit van die wijk bepaalde; waar de mannen zware arbeid verrichtten aan de enorme schepen, de wereldzeeën bevarend, die hier werden gebouwd; waar de gezinnen leefden in het dorp dat in de eerste helft van de twintigste eeuw werd gebouwd; waar in de vijftiger jaren uiteindelijk ook een echte katholieke kerk werd gebouwd. De toneelschrijver schrijft kronieken van de stad. Ik lees in het tekstboekje van de voorstelling[2]: “Door middel van interviews, buurtonderzoek en allerhande speurwerk reconstrueert hij complexe gebeurtenissen die anders verborgen zouden blijven in de chaos van de moderne wereld”.

 

De schrijver raakte in gesprek met onze parochiane zuster Annie van Riel. Hij wilde zich verdiepen in het leven van pater Jos Cobessen, overleden in 2005, die als pater augustijn vele jaren gewerkt en geleefd heeft in Tuindorp-Oostzaan. Door zijn ogen en met zijn hart beleef je de gedaanteverandering van dit deel van onze stad, dat eigenlijk een dorp was, maar zijn dorpse karakter steeds meer moest verliezen aan de stad.

De oogst van zijn leven, zou je kunnen zeggen, wordt gepresenteerd in deze theatermonoloog.

 

Het was een mooie zomeravond, afgelopen vrijdag. Tegenover de Sacramentskerk was een tribune opgesteld, die geheel was bezet, alle plaatsen waren verkocht. Een tientje maar. Al in de eerste minuut wist de acteur, wisten zijn woorden mij pijnlijk in het hart te raken. Ik citeer:

“Ik wil -

Ik moet u vertellen over dit klein gevoeld gemis,

staan te midden van een wereld die niet langer

de jouwe is, en het voelen van

een uitstrekkend trillen,

licht gevoeld gekriebel, hier, vanuit

het smalste hoekje van mijn hart

tot in mijn buik, een rondzingend wriemelend weten

wat er eens was en dan nu…alleen maar dit.

Verkocht verleden.

Soms snap ik niet -

Ach.”

Einde citaat.

 

Verkocht verleden.

Die zit, die komt aan.

 

De oogst van een leven. Van een pater augustijn die de kerk, de wereld, zijn orde, zijn garderobe, zijn geloof en zijn beleving van God zag veranderen. Niet meer de statige dogmatiek van zijn kerk, zijn orde, maar God te midden van de mensen, in het hart van de mensen. God in ons. ‘De Geest komt onze zwakheid te hulp. Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden’, zegt Paulus. Al onze woorden, ook de meest traditionele en eerbiedwaardige, schieten te kort.

Hij zag de buurt, de levens van de mensen veranderen. De scheepsbouw ging failliet, de laatste statie van een martelgang met enorme menselijke, sociale gevolgen voor de bevolking. Er viel niet meer te concurreren tegen lage lonen-landen. Het dorp werd gedeeltelijk overgenomen door mensen van buiten; het NDSM-terrein na de aftakeling eerst door kunstenaars, door de talloze festivals, bevolkt door de menigten die met de steeds frequenter varende ponten worden aangevoerd, en door het grootkapitaal.

Velen voelen zich verwaarloosd, vergeten. ‘Verkocht verleden’. Ook de kerk.

 

Jezus zegt: al die verschillende vormen van leven, voelen, denken mogen samen opgroeien. Om te beginnen in jouw eigen hart. Zoals wij hier zitten zijn wij gelovige mensen. De één vroom, devoot, biddend levend, de ander zoekend en tastend, niet of nauwelijks wetend. Er leeft groot geloof in ons, maar ook gedachten, begeerten die er helemaal niet bij lijken te passen.

Jezus is oneindig mild voor u en mij. Je hebt mensen, zoals de knechten uit de gelijkenis, die voorstellen om het onkruid dat nu eenmaal ook opschiet op de bodem van ons hart en onze geest, uit te rukken, ongenadig. Maar Jezus wil het niet: “Ik ben bang dat je, wanneer je het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst”.

En zo is het ook om ons heen, ook in onze buurt, in onze stad. We moeten geduld hebben met elkaar, elkaar laten groeien tot de oogst. We zaten vrijdagavond te wachten op het Zonneplein, - we, het publiek. Vandaar zouden we naar de kerk wandelen. Het duurde lang. In de avondzon zaten wij, het publiek. En er zat een clubje jongeren zich te vervelen, te klieren zeg maar. Dat hoort zo natuurlijk, in die onbestemde, cruciale periode van je leven, waarin je van alles moet en van alles kiezen kan, maar nog niet weet en alles moet proeven en proberen. Voor het officiële toneelstuk voerden zij hun eigen theaterstukje op. Wij, keurig volwassen publiek, yuppen en ouderen zoals ik, wisten ons niet heel goed raad. Het plein was duidelijk van die jongeren. Zij zaten daar elke avond, zij leefden in de buurt. Wij kwamen maar kijken. De realiteit werd theater.

“Laat beide samen opgroeien tot de oogst”.

 

De oogst van ons leven. Wees niet te bescheiden, houdt Jezus ons voor. Jouw kleine bijdrage, zo onaanzienlijk als een mosterdzaadje, kan heel veel betekenis, beschutting bieden aan allerlei vogels, aan mensen van allerlei slag: de families die hier al generaties wonen, die nieuwelingen met of zonder geld die erbij komen. En ik zelf.

 

Uiteindelijk zegt de pater in de monoloog:

“Maar ik ben hier, en u,

voor mijn oude thuis dat straks weer

voor anderen een huis is en

u loopt straks over

mijn oude paden en…

Nou ja.

Wellicht is het tijd om los te laten (…)

Wanneer de mensen mij fluisterend vragen

hoe het verder moet, zo nu en dan,

met de mens en de wereld,

met alles dat verandert, met smartphones en

outsourcen naar China,

met bommen en hoe vertrouwd de angst

tegenwoordig voelt.

Dan zie ik de zonderlinge zondagmiddag dagen,

het praten van de werkers op de haven tegenover

moeders met bakfietsen op onze moderne geasfalteerde

straten en de nieuw opgevulde leegte en

het water dat ons niet langer scheidt.

Ik zie verandering, verslijten van gewoontes

terwijl al het nieuwe bij het oude blijft en

ik haal mijn schouders op en zeg

ik weet het niet precies.

Maar ik geloof”.

Einde citaat.

 

“Maar ik geloof”

Amen.

 

---------------------------------------------------------------------

[1] Wijsheid 12, 13. 16-19; psalm 86; Romeinenbrief 8, 26-27; Matteüs 13, 24-43

[2] Timen Jan Veenstra, Kronieken van de stad. Tussen werven en hotels. Documentaire theatermonoloog over Amsterdam Noord, Amsterdam 2017 ISBN 978 90 640 3851 8