Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 6/7 april 2019

                      Vijfde zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

Eén en al toekomst

 

GEBED

 

Heer onze God, uit liefde heeft uw welbeminde Zoon zich uitgeleverd om te sterven voor ons allen. Wij vragen dat wij in zijn liefde mogen leven en, blijmoedig en zeker van uw hulp, de wegen gaan die Hij betreden heeft: Christus onze Heer. Die met u leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God door de eeuwen der eeuwen.

 

 

VERKONDIGING

Vandaag is het de zondag van de vergeving.

Daarvoor is de veertigdagentijd ook bedoeld, een tijd van bekering, vergeving, verzoening. Komende woensdagavond half acht vindt de jaarlijkse boeteviering plaats. Eerlijk gezegd één van de minder goed bezochte vieringen in onze kerk.

 

Vroeger had de katholieke kerk een enorm omvangrijke boetepraktijk. De senioren onder ons hebben deze volop meegemaakt. Vooral in de laatste weken en dagen vóór Pasen vormden zich enorme rijen voor de biechtstoelen. Die praktijk is verdwenen. De bekering, de boete en de verzoening niet. We hebben allemaal ons verleden en we verlangen allemaal naar een bevrijde toekomst. Mijn priester-jaargenoot Pierre Valkering, al bijna 25 jaar pastor van de Vredeskerk, heeft bij zijn zilveren priesterfeest vorige week, waarbij ik de gastpredikant mocht zijn, een boek gepresenteerd. Een boek dat één grote confessie is, biecht is. Hij spreekt zich uit over zichzelf, tot in de meest intieme details van zijn bestaan. Velen zijn hem dankbaar voor zijn ongekende openhartigheid. Alleen zo kun je naar de toekomst: als je stiekem gedoe, hypocrisie achter je laat en als je daarvan geneest. Alleen zó kan onze katholieke kerk naar de toekomst, als zij stiekem gedoe, schijnheiligheid achter zich laat, daarvan geneest.

Andere mensen zijn boos en willen deze priester gestraft zien.

 

Wat is dat nu: bekering, boete doen, vergeving?

De bijbel leert ons vandaag dat God met zijn volk, met u en mij naar de toekomst wil kijken.

Wij horen de Heer bij monde van Jesaja: “Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik, de Heer, onderneem iets nieuws”

En Paulus: “Ik vergeet wat achter mij ligt, ik reik naar wat vóór me ligt; ik storm af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping”.

En Jezus, de Heer Zelf in het evangelie, dat aangrijpende, diep-ontroerende evangelie van de overspelige vrouw en de hardvochtige mannen: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer”.

 

God is één en al toekomst. “Het meeste gaat voorbij, maar meer en meer wordt Hij de toekomst die ons wacht”.

Wij, mensen, zijn van het verleden. Voortdurend dragen mensen elkaar hun verleden achterna. Innerlijk houden wij een kasboekje na. Hij heeft mij dit geflikt. Ik wacht op mijn moment om hem terug te pakken.

 

Deze week was ik gesticht door de bisschop, die verklaarde over mijn klasgenoot en medepriester Pierre Valkering: als hij in de toekomst zijn celibaats-belofte trouw is, dan kunnen we verder met elkaar. Eén en al toekomst.

 

Dat leert ons dus de bijbel: God is één en al toekomst.

Van de priester bij wie ik enkele keren per jaar mij meld voor een gesprek, een gesprek van bekering, boete en verzoening, zeg maar met het oude woord, de biecht, heb ik geleerd dat je in de confessie, in de belijdenis altijd mag en moet beginnen met lof en dank, met het positieve. Dat je eerst God mag bedanken voor alles wat er gelukt is in jouw leven, voor je successen dat God mag prijzen voor de liefde en de warmte die je van mensen hebt ontvangen. Wanneer je al die lichtende ervaringen en herinneringen hebt uitgesproken, zie je vanzelf wat er duister is in jouw leven; wat je dwars zit, wat je ongelukkig maakt, waar je er naast zat.

 

Daarna praat je meestal nog even met de priester: wat kan ik doen om nog dankbaarder te leven en te herstellen wat ik misschien heb beschadigd in mijn contact met God en met medemensen?

Tenslotte ontvang je dan de absolutie, een mooie, troostende zin: “door het dienstwerk van de kerk schenk ik je vrijspraak en vrede en ik ontsla je van alle zonden in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”.

 

Absolutie; dat betekent: ‘ik maak je los, ik bevrijd je in naam van de drieëne God’. Die priester is niet meer dan een bedienaar namens Jezus en zijn kerk. Het gaat niet om hem. Hij moet in deze tijd, voor jou en voor mij dat ontroerende woord spreken van Jezus: “Vrouw, waar zijn gebleven?”

Waar zijn zij gebleven, die mannen, die hardvochtige mannen, die niet aanschoven als nederige leerlingen bij Jezus, toen hij in de tempel was gaan zitten en onderricht gaf aan de mensen. Die hardvochtige mannen wisten alles al. Zij gedroegen zich als god en veroordeelden de vrouw alvast ter dood om haar ontuchtig verleden.

 

Zo zijn de mensen: zij geven de ander áán, bij de bezetter, bij de autoriteiten, bij de bisschop of bij Rome. Of bij meldpunten: anonieme telefoonlijnen zelfs zijn er waar je leraren kunt aangeven, Mijn hemel, als we dat onze kinderen toch gaan leren; wat zal er dan gebeuren als er echt nog eens bezetting en oorlog komen? Zo zijn de mensen. Zij pinnen je vast op je verleden. Maar zo is God niet, Hij is één en al toekomst. Jezus schrijft op de grond. Hij beitelt onze zonden niet in de rots, maar schrijft ze in het zand, opdat ze kunnen worden weggeveegd.

Jezus wacht zelfs niet eens op de biecht, de belijdenis van die vrouw. Zelfs zonder dat zij iets heeft gezegd wordt zij vergeven. Als zij maar in buurt van Jezus komt, in de richting om zo te zeggen van de biechtstoel, is het al genoeg: “Ook Ik veroordeel u niet: ga heen en zondig van nu af niet meer”. Amen.

 

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------

[1] Jesaja 43, 16-21; Filippenzenbrief 3, 8-14; Johannes 8, 1-11


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 24 maart 2019

                      derde zondag in de Veertigdagentijd[1]

 

Verschrikkelijke dingen

 

GEBED

 

God, alle goedheid en barmhartigheid begint bij U; en om te herstellen wat de zonde heeft verstoord, hebt U ons geleerd te vasten en te bidden en met anderen ons bezit te delen. Laat ons genade vinden in uw ogen als wij onze schuld erkennen. Wees barmhartig en, nu het geweten ons bezwaart, doe ons opstaan uit de zonde.

Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

Er gebeuren verschrikkelijke dingen.

Met Galileeërs, gewone mensen, landgenoten van Jezus, uit de streek waar Hij is opgegroeid.

De Romeinse bezetter, in de persoon van Pontius Pilatus, die Jezus later ter dood zal veroordelen (wij komen deze opportunistische bestuurder op Palmzondag en Goede Vrijdag weer tegen), heeft het bloed van die arme mensen (waarschijnlijk opstandelingen) vermengd met het bloed van hun offerdieren. Wat een lage daad. Het waren waarschijnlijk vrome mensen, die een dier hadden geofferd aan de ene God.

De cynische, genadeloze Pilatus pakt die arme gelovigen waar zij het meest kwetsbaar zijn: in de zaken van het hart, hun godsdienst, hun band met God.

 

Van nog meer onheil horen wij. Een toren die instort. Achttien doden. Dat is een ongeluk. Dat kan zomaar gebeuren, zeggen wij dan, niemand heeft dat gewild. Ja, misschien was het onderhoud onder de maat, een restauratie te laat gekomen, want te duur. Wie zal het zeggen?

 

Er gebeuren verschrikkelijke dingen.

Als mensen het kwetsbaarst zijn, in de tram naar hun werk, een familiebezoek, hun hoofd en hart bij wat er vandaag gedaan, gewerkt moet worden; of mensen die hun enige God op een heilig uur aanbidden.

Dan opent iemand het vuur, in ons eigen Utrecht en in Nieuw-Zeeland, in  een stad die nota bene naar Christus en zijn kerk is vernoemd: Christchurch. Waarom? Uit blinde woede, frustratie, verblinding, opgehitst door dwaze theorieën over volk, cultuur, ras en religie.

 

Er wordt geroepen, in onze dagen, vaak met grote, schelle, boze stem. Mensen verlangen naar een verhaal, dat hen bindt, een verhaal dat hen omvormt van een geïndividualiseerde massa tot een gemeenschap.

Een zeer begrijpelijk verlangen. Maar ook een verlangen waarop mensen met verwrongen, gevaarlijke ideeën handig, opportunistisch inspelen.

En uiteindelijk gebeuren er verschrikkelijke dingen; verstommen de woorden en de gebeden en zijn daar de kogels.

 

Menselijk bloed, in Jezus’ dagen, vermengd met dat van hun offerdieren. Mensenbloed dat offerbloed wordt.

 

Wij leven toe naar Pasen. Jezus’ bloed zal vloeien. Als een offerlam zal Hij sterven op het altaar van het kruis. Hij had dezelfde rechter -Pilatus- als die Galileeërs over wie het vandaag gaat in ons evangelie. In deze Veertigdagentijd, in deze Lijdenstijd gedenken wij dat Jezus eraan ten onder is gegaan, aan de dwaasheid van misvormde ideeën en verhalen.

 

Jezus vertelt vandaag over die twee verschrikkelijke dingen, over die Galileeërs en dat offerbloed en over die ingestorte toren met achttien doden, om zijn volgelingen wakker te schudden.

Kom tot bezinning, ga nadenken, keer je om.

Wees als een vijgenboom die vrucht draagt, die zoete vruchten geeft.

De vijgenoogst komt laat in de zomer. Na al het heerlijke, sappige fruit van het seizoen komt de natuur met een verrukkelijk, zoet nagerecht, de intens zoete vijg. Geen zoetheid die je misselijk maakt, maar een zoetheid die voor één keer weldadig is, die je helpt veel van wat zwaar op je maag ligt te verteren.

Om die verkwikkende, weldadige zoete vrucht te kunnen dragen moet je je wortels diep in de aarde naar water laten zoeken. Je moet diep graven om een mens te kunnen worden die niet steriel wordt, die niet verzuurt en verbittert.

 

Daartoe is ons deze veertigdagentijd gegeven. Om weer wakker te worden, om ons te bekeren. Om niet mee te schreeuwen, maar stil te worden, bij jezelf te rade te gaan, tot rede te komen. Om terug te keren naar het enige verhaal dat redding biedt. Het verhaal van Mozes, die achter in de woestijn, na een periode van eenzaamheid en crisis, het vuur weer in zich voelt, die de stem van de ene God weer hoort.

Hoe is uw Naam? Wie is God? Waar is God? Hij is niet ver van wie Hem aanbidden. Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend. Niet Hij is ver. Maar wij zijn soms of vaak ver, de weg kwijt.

 

Hij wacht op ons, achter in de woestijn, de plaats waar u en ik eindelijk stil vallen en gaan luisteren naar elkaar, naar ons eigen innerlijk, naar God. Dan kan Hij eindelijk spreken. “Ik ben die Ik ben…Ik zal er zijn voor jou…Achter mij zijt Gij en voor mij uit, Gij legt uw handen op mij…Uw rechterhand die mij vasthoudt”, zullen wij zingen.

 

Er gebeuren verschrikkelijke dingen.

De meeste ervan doen mensen elkaar aan. God kan daar niets aan doen. Wij zijn geen marionetten. Wij zijn vrije mensen. Dat is ons geluk, onze menselijke majesteit én het kan onze diepe val worden.

God, vertelt dezelfde Schrift ons vandaag, heeft “de ellende van zijn volk gezien”, Hij “kent ons lijden”.

 

Ja, Hij kent ons lijden. Hij heeft het Zelf ondergaan.

Ook zijn Bloed werd offerbloed,

zijn leven gegeven en waarachtig opgestaan.

Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

------------------------------------------------------------------

[1] Exodus 3, 1-8a. 13-15; psalm 103; 1 Korintiërs 10, 1-6. 10-12; Lucas 13, 1-9


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, eerste zondag van de 

                      Veertigdagentijd, 9/10 maart 2019[1]

 

Staande blijven

 

GEBED

 

Almachtige God, doe ons in deze veertigdagentijd dieper doordringen in het mysterie van de verlossing. Geef dat wij deze gunstige tijd weten te gebruiken en niet voorbijgaan aan uw genade in ons dagelijks leven. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Het begint met de heilige Geest en het dreigt te eindigen met de duivel.

“In die tijd ging Jezus, vervuld van de heilige Geest, weg van de Jordaan”.

Als je door deze grensrivier bent gegaan en de andere oever betreedt, ben je in het land, het goede land van melk en honing, waarover we in de eerste lezing hoorden. In die lezing ging het over de dankbaarheid voor het land, voor het leven, dat dat een gave is, dat we te eten hebben; dat het land niet ons bezit is, maar een geschenk. Een land om in te wonen na alle verschrikkingen van slavernij en geweld in Egypte, of welk ander land dan ook waar het geen harden was of is. Vult u maar in: Soedan, Syrië, Irak, Eritrea. Wat zijn we soms toch krampachtig en bang, bij elke beproeving, dat dit godsgeschenk van vrede en rust ons uit de handen valt.

 

Jezus is gedoopt, het water door gegaan en heeft voet gezet in dat heerlijke land. Nu moet Hij een keuze gaan maken. Hij staat aan het begin van een periode van veertig dagen, zoals wij vandaag op de eerste zondag van de veertigdagentijd. Hij moet kiezen. Hij gaat ons daarin voor, Hij gaat voor ons uit, wij zijn christenen, wij proberen Hem beter nog dan in andere tijden te volgen. ‘Wat zou Jezus doen, in mijn omstandigheden?’ Of anders gezegd: wat is mijn roeping hier en nu? Welke richting zal ik het beste kiezen in mijn leven? Moet ik doorgaan met waar ik bezig ben of moet ik nog eens goed nadenken, mijn hart nagaan? Daarvoor is deze veertigdagentijd.

 

Dat doet Jezus ons voor. Hij gaat naar de woestijn. Hij zoekt tijdelijk het alleen zijn. Hij pakt het stevig aan, moeten wij zeggen. Hij laat niet alleen de koekjes staan, het vlees en de wijn: “Gedurende die dagen at Hij niets…”

Zoiets drastisch’ kun je doen als je je een tijdje uit het gewone leven terugtrekt. Voor u, jou of mij is dat niet aan te raden. Wij moeten immers gewoon aan het werk, naar school, het huishouden doen.

Wel kunnen we in deze veertig dagen anders leven, terwijl we onze gewone verplichtingen nakomen, - meer innerlijk, eenvoudiger; ons eigen hart onder de loep nemen, eerlijk zijn met onszelf, ons leven waar nodig beteren.

 

“Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger”. En alsof de duvel ermee speelt, dan krijgt Jezus het moeilijk. Als je met een lege maag boodschappen gaat doen dan gaat het mis, dan raakt je karretje overvol met onnodig, ongezond voedsel.

Al bij het eerste hongergevoel staat de duivel voor Jezus. “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan aan die steen daar dat Hij in brood verandert”. Lekker je maag vullen. Erst das Fressen. ‘Maak je niet zo druk, Jezus. Zet al die grote gedachten, dat verlossingswerk, die bevrijding, die dienstbaarheid, die mooie idealen uit je hoofd. Zorg gewoon dat je lekker kunt eten en drinken en rijk worden.’

 

Misschien ga ik toch te snel. Ik praat over de duivel alsof dat voor u en mij gesneden koek is. Er staat: ‘diabolos’. Dat betekent: de verdeler, die lastert, die je van je stuk brengt. Het is een kracht, een macht die wij allen herkennen. Je wist wat je wilde. Je had een grote beslissing genomen in je leven: een vriendschap voor altijd, een belofte, een groots plan, een ideaal. Maar het leven komt met al zijn aangename, verleidelijke of onaangename verrassingen en dan raakt je hart verdeeld. De bijbel zegt: de verdeler, de zet je de voet dwars. Maar er is ook de menselijke vrijheid. Je kunt de kracht krijgen om hem, om die macht te weerstaan. Jezus doet het vandaag. Hij citeert de bijbel: “Er staat geschreven: De mens leeft niet van brood alleen”.

En nog eens citeert Jezus de bijbel, wanneer Hem alle macht wordt beloofd, als Hij tenminste door de knieën gaat. Even wat snel geld scoren met een deal. Je hoeft maar één keer je rug niet recht te houden en de wereld ligt aan je voeten. Jezus antwoordt: “Er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen”.

 

Dan de laatste van drie beproevingen. Eerst was er die gevaarlijke lege maag. Maar die was nog maar kinderspel. Daarna het grote mensenwerk: macht, de baas zijn over anderen, jouw haan koning kraaien, ik maak hier de dienst uit.

Maar dan: het leven zelf, ja macht over leven en dood.

“Als Gij de Zoon van God zijt, werp u dan vanaf deze plaats naar beneden”. Let wel, we zijn hier niet zomaar ergens, we staan op de bovenbouw van de tempel in Jeruzalem. Dat is nog eens een verleiding. De duivel dringt gewoon binnen in het huis van God, de tempel. Maar dat is toch een heilige plaats? In de tempel, in de kerk is toch alles goed? Alles wat daar gezegd en gedaan wordt is toch heilig? Maar wat blijkt: juist dat waar alles waar is en goed, het huis van God, zijn Woord, zijn Sacramenten, juist daar kruipt het kwaad naar toe. Nu is het niet Jezus die als eerste de bijbel citeert. De verdeler, de verleider blijkt zelf de Bijbel heel goed te kennen. “Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen en zij zullen U op de handen nemen…” De duivel citeert psalm 91, prachtige woorden. Wij hebben ze gezongen: “Hij heeft zijn engelen last gegeven, op al uw wegen u te bewaren”. En wij zullen ze aan het einde nog eens zingen: “Engelen zendt Hij alle dagen om hem tot vast gids te zijn. Zij zullen Hem op handen dragen door een woestijn van hoop en pijn.”

 

Maar Jezus reinigt de tempel. “‘Gij zult de Heer, uw God, niet op de proef stellen’…Toen gaf de duivel het op…”

 

Het begon bij de doop van Jezus met de heilige Geest. Zoals het ook bij ons, in het sacrament van doopsel en vormsel met de Geest is begonnen.

Jezus heeft de verleidingen weerstaan. Mogen wij de kracht vinden zoals Hij staande te blijven, onze roeping trouw te blijven en er beter naar te luisteren. Opdat de Geest in ons mag overwinnen. Amen.

 

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 26, 4-10; psalm 91; Romeinenbrief 10, 8-13; Lucas 4, 1-13


Verkondiging Achtste zondag door het jaar

                       (Quinquagesima, zondag voor Aswoensdag),

                       3 maart 2019[1]

 

Zieke boom

 

In het hart van het evangelie van deze zondag staat het woord ‘hypocriet’, huichelaar. Een mens dus die iets verborgen houdt. Achter het masker van zijn goedheid, zijn deugdelijkheid schuilt een ander gelaat.

Deze zondag is de zondag van de maskers en van de ontmaskering. Juist op carnaval gaat het daarover. Hotemetoten, gewichtige mensen worden te kijk gezet in de talloze carnavalsstoeten die deze dagen door de straten van vooral vanouds katholieke streken trekken. Eén keer per jaar konden en kunnen mensen lucht geven aan hun hart, de autoriteiten te kijk zetten, de hypocrisie van de belangrijke mensen openlijk bekritiseren. Mensen zetten een masker op om wat normaal verborgen blijft te onthullen. Wonderlijk feest. Als het om carnaval gaat moet ik oppassen, ik ben een Hollander, Haarlemmer bovendien: ‘muggen' weten er niks van.

 

In het hart van de blijde boodschap van deze zondag, vlak voor het begin van de Vasten, staat het woord hypocriet, huichelaar. Jezus spaart zijn leerlingen niet. Juist bij vrome, gelovige mensen, volgelingen van Jezus, joden, christenen en ook bij moslims kan het erin sluipen. De dubbele moraal, de theatraliteit van de beleving, de twee gezichten. Vorige week heeft de paus er uitvoerig over gepreekt, bij de afsluiting van de conferentie in het Vaticaan over het seksueel misbruik. Zijn gehoor werd gevormd door meer dan 170 bisschoppen uit de hele wereld, vertegenwoordigers van alle kerkprovincies. Zij hadden onder leiding van de opvolger van Petrus de hypocrisie onder ogen gezien van talloze vrome mannen, geestelijken met twee gezichten. Veelal mensen met een bord voor hun kop, een balk in hun oog, die vaak niet te beroerd waren of zijn, om met een pincet de geringste splinter uit het oog van hun gelovigen te peuteren. Wat is er soms zwaar geoordeeld door machtige heren geestelijken beladen met - naar nu blijkt - grote zonden, over kleine mensen met kleine gebreken.

 

De paus noemde de ten hemel schreiende hypocrisie bij name. Hij zei in zijn preek: de toorn, de woede van God wordt weerspiegeld door de woede van talloze mensen die tekeer gaan tegen de kerk, die één voor één de kerk verlaten; mensen die in het doopboek bij hun naam laten bijschrijven dat zij er niets meer van willen weten. De toorn van God. God is liefde en barmhartigheid. Maar God is geen mantel der liefde, die het allemaal bedekt en wel best vindt. Er is volgens de bijbel óók die duistere kant van God, zijn toorn, zijn begrijpelijke woede.

Zoals de liefde van God bemiddeld wordt door mensen zo bemiddelen mensen - bewust of onbewust - ook zijn toorn.

 

In het hart van de blijde boodschap van vandaag staat het woord hypocriet. In het hart van de blijde boodschap: ook als die duistere kant van de mensen aan de orde komt is het een blijde boodschap. Mensen worden op carnaval en de laatste jaren in onze kerk, voor rechtbanken en in rapporten ontmaskerd, niet om hen af te schrijven, voorgoed af te serveren, maar om de verhoudingen in de samenleving en in de kerk te herstellen, slachtoffers eindelijk recht te doen. Aanstaande woensdag worden de gezichten van vele mensen met as bekruist, opdat wij ons ware gelaat weer tonen, namelijk dat van kwetsbare, sterfelijke mensen; die zich niet verbergen; die weer met onverhuld, ongemaskerd gezicht God en hun medemensen onder ogen willen komen.  We zullen te horen krijgen: ‘gedenk dat je stof bent, bekeer je en geloof in het evangelie’.

 

De sterfelijke mensen die wij zijn, hoorden wij sint Paulus zeggen, zullen met onsterfelijkheid worden bekleed: de dood zal zijn verzwolgen, de zege behaald! Dood, waar is uw overwinning”.

De blijde boodschap van vandaag is dat God ons de overwinning wil schenken over alle hypocrisie, over al ons verborgen zondigen en falen. We mogen veertig dagen eraan werken weer standvastig te zijn en onwankelbaar. Het heeft zin om ons ondanks alle hypocrisie die onze kerk heeft verziekt, in te spannen. Dank zij Jezus Christus zal onze inspanning niet tevergeefs zijn, hoorden wij Paulus zeggen.

Moge in de tijd die voor ons ligt de zieke boom van onze kerk genezen en mogen we -met Gods genade- weer goede vruchten plukken van waarachtigheid, eerlijkheid en gezuiverde liefde.  Amen

 

Nico van der Peet, pr.

 

------------------------------------------------

[1] Ecclesiasticus 27, 4-7; ! Kor. 15, 54-58; Lucas 6, 39-45


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23/24 februari 2019

                       Zevende zondag door het jaar[1]

 

Aards en hemels

 

GEBED

 

Barmhartige God, geef dat wij steeds voor ogen houden hoe de mensen en al wat bestaat door U geschapen zijn, en geroepen om te delen in uw liefde. Wij vragen dat onze woorden, onze daden, beantwoorden aan uw verwachting. Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

 

Vandaag horen wij de zogenaamde gulden regel: “Zoals u wilt dat de mensen u behandelen, moet u ook hen behandelen”. Wat een uitspraak. Je vindt hem in verschillende bewoordingen op meerdere plaatsen in de bijbel. Een prachtige menselijke wijsheid, die nog niet zo gemakkelijk in praktijk te brengen valt. Het vraagt van u en mij inlevingsvermogen in de ander, geduld, uitstel van oordeel. 'Word een kind van de Allerhoogste die immers ook goed is voor ondankbaren en slechten’. Jezus betoogt dat we uiteindelijk ook heel praktisch voordeel zullen hebben van deze manier van leven: “de maat die u gebruikt zal men ook voor u gebruiken”. Laat door jouw oordeel, jouw wraak, hoe begrijpelijk en terecht ook, in het hart van de ander geen spoor van haat, boosheid achter.

 

In de eerste lezing horen wij hoe dit advies van Jezus in praktijk werd gebracht door David, eeuwen voor Jezus. David was bestemd, geroepen om koning te worden. Maar de zittende, oude koning Saul, eerst hecht verbonden met de jonge David, is hard en bitter geworden. De jonge herderszoon is populair bij het volk. Saul heeft hem verjaagd van het koninklijk hof, weg uit de stad. David is met een groep volgelingen, haveloze strijders en zwervers, dakloos geworden. Hij heeft alle reden de oude koning te haten en misschien zelfs te doden, want de koning gunt David geen deel van leven.

 

Op een goede of beter kwade dag ziet hij zijn kans schoon. Abisaï, zijn belangrijkste volgeling, volgt de logica van de soldaat. Bovendien een soldaat die God erbij haalt. U weet: dat is altijd levensgevaarlijk, als de godsdienst wordt ingezet bij een militaire campagne. Hij fluistert David in: “Nu levert God uw vijand aan u over”.

 

David doet het niet. Hij ziet méér in Saul dan een vijand. Hij ziet méér in hem dan de man die hem wil doden, die hem te vuur en te zwaard vervolgt. Wat zag hij in Saul? Hij zegt het zelf: de gezalfde van de Heer, een man met een roeping om het volk te leiden, als het goed is als een herder en niet als een heerser. Hij ziet een oude man, geplaagd door het leven, door tegenspoed, achterdocht, paranoia, depressie.

 

“Bemin uw vijanden…dan ben je een kind van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten”.

Jezus nodigt ons uit een poging te doen de positie van God in te nemen. Tegenover ondankbaarheid en slechtheid stelt Hij goedheid. Zo doet David. Hij weet los te komen van de vijandschap. De ander is meer dan zijn vijandschap, zijn geweld, zijn slechtheid. David breekt het geweld in zichzelf.

 

Dat is een grote, moeilijke opgave. Tot mijn grote verdriet maak ik het vaak mee dat families, gezinnen uiteengevallen zijn. Juist in dagen van verlies van een dierbare, in dagen van rouw komt een breuk in de familie aan de oppervlakte. In het gewone leven weten we die wel verborgen te houden, erom heen te lopen en aan voorbij te leven. Maar dan wordt de breuk onvermijdelijk zichtbaar en voelbaar, als een wond die nooit helemaal wil genezen.

Soms gebeurt er voor of na de uitvaart een wonder en komen mensen, die elkaar soms al jaren geleden uit het oog en het hart zijn verloren, tot verzoening, tot voorzichtig nieuw contact, gesprek, onderling begrip, tot het vermogen zich te verplaatsen in de ander, zijn standpunt, zijn verhaal, onmacht, verdriet.

 

Zoals David, die in zijn verbeten vijand - ooit zijn geliefde koning, die hem graag zag - nu een geplaagd man ziet, oud en verbitterd. En door al deze sporen van een zwaar leven ziet hij over het gelaat van de koning de zalving, het chrisma waarmee hij gezalfd werd ooit - zoals u en ik bij doopsel en vormsel - om koninklijk te leven, royaal, herderlijk, liefdevol, barmhartig en welgezind.

 

Uitgeput van wraaklust, achtervolgingswaan en frustratie is de koning in een diepe slaap gevallen, zo weerloos geworden als een kind. David had hem zo kunnen doden. Zoals president Obama Osama Bin Laden liet doden. Iedereen zou het begrepen hebben, ook al blijft er altijd ergens in een hoekje van je ziel een beroerd gevoel over. Kán dit wel?

 

Maar David deed het niet. Hij liet de man slapen, de gezalfde van de Heer, hij wekte hem met zijn woord van barmhartigheid. “Zoals u wilt dat de mensen u behandelen, moet u ook hen behandelen”. Zo betoont David zijn ware grootheid en koninklijke macht, niet door zijn zwaard maar door zijn menselijke woord.

 

Zo doet Hij ons zijn verre Nazaat, Jezus, al voelen. ‘De eerste mens, uit de aarde genomen, is aarde; de tweede is uit de hemel. Zoals de eerste mens van aarde, zo zijn alle aardse mensen’, vol gerechtvaardigde vijandschap, vergelding, we slaan erop, ik heb er recht op, ik kom stevig voor mij zelf op.

'Zoals de hemelse mens, zo zullen alle hemelsen zijn’. Bidden we vandaag dat het ons gaat lukken de trekken te vertonen van de Gezalfde, Christus, dat wij het beeld gaan dragen van de hemelse mens en dat wij dit in onze naaste, ja in onze vijanden gaan ontdekken. Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------

[1] 1 Samuël 26 pass.; 1 Kor. 15, 45-49; Lucas 6, 27-38


Verkondiging in de De Nieuwe Augustinus, 16/17 februari 2019,

                      zesde zondag door het jaar[1]

 

Hij is de berg afgedaald

 

GEBED

 

God, U hebt gezegd dat U verblijf zult houden bij hen die oprecht willen zijn en eerlijk van hart. Heilig ons, zodat U onder ons kunt wonen, en uw tegenwoordigheid de ziel wordt van ons leven. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Wij hoorden in het evangelie het begin van de zogenaamde Veldrede. Jezus is van de berg afgedaald. Daar had Hij een hele nacht doorgebracht in gebed. Toen het dag geworden was  riep Hij zijn leerlingen. Uit deze grote groep koos Hij er twaalf, die Hij ook apostelen noemde. Apostel betekent: iemand die gezonden is. Hij komt niet namens zichzelf, hij heeft een missie. Zo stelt Jezus zijn kerk, zijn gemeenschap in. Een groep mensen die niet alleen voor zichzelf, hun persoonlijk voordeel, plezier en genot leven, maar mensen met een missie, een opdracht, een doel in hun leven.

 

Na die uitverkiezing daalt Hij af naar de vlakte, naar het gewone leven waar het gebeuren moet, waar onze missie in praktijk gebracht wordt.

De Kerk mag niet leven voor zichzelf, veilig op een hoge heuvel.

Zij moet van haar -ook- Vaticaanse heuvel afdalen naar het gewone leven.

 

Terwijl onze actualiteitenprogramma’s vrijdag enigszins gretig, gulzig en smullend berichtten over de vermeende levensstijl van een een aantal hoge en lagere prelaten in het Vaticaan, had de paus, die al jaren klerikaal wangedrag aan de schandpaal nagelt, de Vaticaanse bubble verlaten en was te vinden op de vlakte van het gewone leven, ongeveer 20 kilometer buiten Rome.

 

Hij had daar een ontmoeting met katholieken die zich inzetten voor talloze armen in Italië; die zich het lot aantrekken ook van vluchtelingen en vreemdelingen, die in het nationalistische en populistische Italië van onze dagen worden weggekeken of nog erger. Daar moet de kerk zijn, vindt Franciscus. In de modder, in de soms kale, gure vlakte van het dagelijks bestaan.

 

Helaas hadden 2Vandaag en Nieuwsuur geen aandacht voor die kant van onze kerk. Men denkt in Hilversum: televisiekijkers smullen liever van schandaal-kronieken en seksuele onbehouwenheid van een grotere of kleinere groep geestelijken.

Overigens is het goed, mochten deze heftige verhalen kloppen, dat dit gedrag onthuld wordt en dat de omgang met seksualiteit, of die nu gericht is op mensen van het andere of hetzelfde geslacht, eerlijk zal zijn, waarachtig, zonder huichelarij. Zo kan deze crisis in onze kerk het begin zijn van zuivering, vernieuwing, een tijd van genade.

 

Het gebed van Jezus hoog op de berg heeft een doel, een zin. Zoals elk goed gebed richting geeft aan je leven. Bidden doen we niet om de wereld te ontvluchten, de harde realiteit, de grote uitdagingen van het leven, maar juist om meer gefocust te worden, kracht, concentratie, vertrouwen, hoop, gedrevenheid op te doen voor jouw missie in het leven, als echtgenoot, vriend, vriendin, als diaken of priester, als student, als grootouder, als medewerker in het parochiewerk, als ziekenbezoeker. Jezus neemt jou in het gebed apart hoog op de berg, zou je kunnen zeggen, en geeft jou je eigen roeping, maakt jou tot leerling, apostel, gezondene.

Hij wil ons niet alleen maar tot vrome of minder vrome toeschouwer, die zich verkneukelt of ergert aan de tragische fouten en huichelarijen van medechristenen, van geestelijken.

 

Wat zegt Jezus daar op de vlakte, in het gewone leven, tot zijn apostelen? “Zalig gij die arm zijt, honger lijdt, weent, gehaat wordt…”

Ook bij Matteüs, in de zogenaamde Bergrede, vinden wij dergelijke uitspraken. Daar vind je acht zaligsprekingen. Die zijn heel positief geformuleerd.

In het evangelie van Lucas zijn de uitspraken van Jezus uitdagender.

Er is sprake van scherpe tegenstellingen, die we ook al hoorden bij de profeet Jeremia (Pittige, pijnlijke woorden: “Vervloekt is hij die op mensen bouwt…Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt”). In het evangelie worden vier groepen zalig, gelukkig geprezen: de armen, de hongerige mensen, de huilende mensen en de vervolgde mensen omwille van Jezus.

Over vier groepen wordt ‘wee’ geroepen: de rijken, de verzadigde, volgegeten mensen, de lachers en spotters, de populaire types die overal applaus ontvangen.

Jezus’ woorden zijn niet wereldvreemd, maar klagen het onrecht aan in onze wereld; de enorme verschillen tussen arm en rijk; de lieden die veel applaus krijgen omdat zij de mensen naar de mond praten.

 

Zo zijn de eerste woorden die Jezus spreekt tot zijn pas gekozen apostelen. Zij en hun opvolgers, de bisschoppen en kardinalen; en wij, opvolgers van de overige leerlingen van Jezus, mogen niet denken dat wij de harde wereld kunnen ontvluchten. Integendeel, Jezus neemt ons mee naar de vlakte, het gewone bestaan, beneden, met beide benen op de grond. Daar moet het Koninkrijk van God beginnen, niet pas in een verre toekomst, ontheven aan aardse zorgen. ‘Niet in een graf van voorbij, niet in een tempel van dromen’, zingt een mooi lied. ‘Hier, in ons midden is Hij, hier in de schaduw der hoop’. De schaduw der hoop. Wij zien dat koninkrijk van God nog niet in volle glorie, maar in ons gewone leven mogen wij er stap voor stap iets aan doen: Jezus achterna, die al uit de dood is opgestaan. Hij heeft de dood al overwonnen, hoorden wij Paulus zeggen in de eerste lezing. Deze apostel zegt: als je daarin niet gelooft, wat heeft al je zwoegen dan voor zin? Naar de verrezen Christus mogen we opzien. Bij Hem kunnen we elke dag weer de moed vinden om door te gaan, hoop te houden, mét Hem op te staan uit alle menselijk falen, menselijke huichelarij en onrecht.

‘Hier in ons midden is Hij, hier in de schaduw der hoop’. Amen.

 

 

pastoor N. van der Peet

 

------------------------------------------------------

[1] Jeremia 17, 5-8; 1 Korintiërs 15, 12. 16-20; Lucas 6, 17. 20-26


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 3 februari 2019

                      vierde zondag door het jaar[1]

 

Liefde die geeft

 

GEBED

 

Heer onze God, verleen ons uw genade. Geef dat wij U eren met geheel ons hart en dat wij alle mensen betrekken in onze liefde.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Laat u door hen niet afschrikken”.

Twee lezingen vandaag over weerstand, afwijzing, verwerping.

Jeremia -eeuwen vóór Jezus- hij had de loodzware taak profeet, religieus leider te zijn in de moeilijkste periode uit de geschiedenis van het oude Israël: de tijd van de ballingschap.

Jeremia had de moed niemand naar de mond te praten. Hij liet zich niet leiden door populariteitscijfers; hij bewoog niet mee met de publieke mening, de populaire stem; hij sprak rustig de waarheid. De waarheid zal sterker blijken dan alle kortstondige, vluchtige volksgunst. Willen we overleven dan moeten we de crisis kalm en gelovig onder ogen zien.

Het maakte hem niet geliefd. De hiërarchie van land en tempel wilde van hem af. Zij maakten de voorraden liever op; ‘na ons de zondvloed, de politieke crisis, de klimaatcrisis’.

 

Jezus heeft het wel heel erg moeten ondervinden. Niet alleen aan het einde van zijn korte leven, maar al in het begin van zijn leven. Eerst als kind. Zijn ouders moesten vluchten naar Egypte, vluchten voor het geweld in hun eigen land. Ook toen was er niet vanzelf een kinderpardon. Ook toen moest daarvoor hard gebeden en gestreden worden. Het Kind Jezus had ternauwernood het geweld van Herodes overleefd. Pas toen het eigen land weer veilig was, gingen zijn zorgzame, behoedzame ouders terug naar hun vaderland. Tot die tijd werd hun asiel verleend in een vreemd land. De Egyptenaren, de koptische christenen, die hier verderop aan de Kamperfoelieweg kerken, zijn er nog dankbaar voor en trots op, dat hun land Egypte asiel heeft geboden aan de Messias van Israël, de Zoon van God.

 

Later zal dit Kind zeggen: “Wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeft”. Wie een vreemdeling, een vluchteling als mens aanziet en ontvangt, ontvangt de Mensenzoon Zelf, Christus, die een vreemdeling was op aarde.

 

Juist in zijn vaderstad Nazareth willen zij van Hem af. Zij willen geen kritiek, geen actualiserende lezing van de Wet, de Tora. Laat ons toch met rust in ons religieus gevoel, onze lichte, warme, keurige godsdienstigheid.

“Ze joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was”.

Wat een gruwel. Wat begon als een vrome liturgie in de synagoge, met de eerste preek van Jezus: ‘dit oude Schriftwoord gaan nu in vervulling; nu ga Ik in praktijk brengen wat hier al die jaren is voorgelezen’, - eindigt in bruut, levensbedreigend geweld.

 

Ook de christenen van Korinte, de rijke haven- en handelsstad Korinte, wilde liever met rust gelaten worden, met hun zelf gefabriceerde kerkelijke verhoudingen. De kerkgemeenschap van de welvarende Griekse stad Korinte was gesticht door de apostel Paulus. Joden en niet-joden waren kerkleden geworden. Paulus kon trots zijn op zo’n sterke parochie.

Maar wat begon als een kerkelijk succesverhaal ontwikkelde zich tot een hoofdpijndossier.

 

In de prille parochie van Korinte brak een strijd aan om de macht.  Gelovigen pronkten met hun talenten. De één kon spreken in tongen, de ander wierp zich op als een profeet naar wie geluisterd moest worden, een derde vond zichzelf een geweldig geleerde, die het laatste woord moest krijgen. Nog weer een ander strooide opzichtig vanuit zijn rijkgevulde portemonnee met geldbedragen en er waren ook mensen die fanatiek waren in hun geloof en er niet voor terug schrikten het avontuur, het geweld op te zoeken om hun gelijk te halen.

Paulus de apostel, de kerkstichter ziet het met lede ogen aan. Die Korintiërs die hij tot geloof heeft gebracht zijn dan wel enorm actief, maar zij hebben de kern van het geloof, het evangelie uit het oog verloren. “Als ik de liefde niet heb baat mij heel die godsdienstigheid niets”.

 

Als ik de liefde niet heb.

Er zijn drie woorden voor liefde in de taal van het Nieuwe Testament. Je hebt de eros: die liefde die zich uit in lichamelijke lust en teder verlangen naar de ander. Er is de philia: de vriendschappelijke liefde.

Ten derde de minst gebruikte: de agape. Dat woord gebruikt Paulus in dit prachtige gedicht over de liefde. Agape betekent: de liefde als gave, als geschenk. Deze liefde richt zich op de behoeften van de ander, zoekt wat het beste voor de ander is en laat de ander de vrije keus om die liefde te beantwoorden of niet. In het Latijn: caritas. Liefde die niet wil bezitten, maar haar grootste vreugde en voldoening vindt in geven.

 

Als wij in de kerkgemeenschap die liefde niet hebben, houdt de apostel ons vandaag voor, als wij die gevende liefde niet centraal stellen dan baat al onze godsdienstigheid ons niets.

 

Twee lezingen vandaag over weerstand, afwijzing door gelovige mensen.

In het midden staat het grote liefdesgedicht, misschien wel de meest geliefde tekst uit de heilige Schrift. Moge die gevende liefde, geheel gericht op de ander, onze gemeenschap en ons leven bezielen. Amen.

 

N. van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Jeremia 1, 4-5. 17-19; 1Korintiërs 12,13- 13,13; Lucas 4, 21-30


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 26/27 januari 2019

                      Derde zondag door het jaar[1]

 

Een openbaring

 

GEBED

 

God, menigmaal hebt Gij gesproken door uw profeten, maar in Jezus van Nazareth herkennen wij gelovig uw mensgeworden Woord, de blijde boodschap voor alle mensen. Wij bidden U: maak ons bereid gelovig naar U te luisteren; dat wij uw Woord ter harte nemen en het aan allen te verkondigen. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Soms kan het je gebeuren dat iemand een woord spreekt, dat je diep raakt en waarin iets wezenlijks over jezelf gezegd wordt.

Jongstleden vrijdag is overleden mevrouw Virginia Lassing. Twee dagen eerder had ik haar op haar verzoek een bezoek gebracht in haar woning in Nieuwendam. Niets wees er op dat zij enkele dagen later zou heengaan. Zij had behoefte aan gesprek, dat vrijwel een monoloog was, een fascinerende  alleenspraak van deze vrouw die veel nanacht over bijna de eeuw die zij had meegemaakt.  Een leven in Amsterdam doorgebracht. Geboren in de jaren tussen beide wereldoorlogen. Een detail uit haar monoloog wil ik u vertellen, omdat het u en mij kan sterken en haar inspiratie helpt voortleven. Tijdens de tweede wereldoorlog was zij middelbare scholiere aan Fons Vitae, dé rooms-katholieke middelbare school voor meisjes. De school, die nog bestaat, was gesticht en gerund door zusters franciscanessen van Heythuysen. De meeste zusters hadden gestudeerd opdat zij lerares konden worden aan het lyceum. Zoals zoveel katholieke meisjes was ook Virginia Lassing diepgaand beïnvloed door deze zusters.

 

Natuurlijk had zij haar voorkeuren. Eén zuster-lerares maakte diepe indruk.

In de verwarrende eerste oorlogsmaanden hield deze zuster haar leerlingen voor zich niet van de wijs te laten brengen door opvattingen en door propaganda die strijdig was met een katholieke, christelijke levensvisie. Bij al het geroep en gebrul van de bezettende macht moesten de leerlingen Christus voor ogen houden en zijn liefde voor de zwakken, de armen en onderdrukte medemensen.

Christus, zoon van het Joodse volk, dat in de oorlogsjaren gruwelijk werd vervolgd, ook in het ooit zo rustige Amsterdam-Zuid.

Houd Christus voor ogen, zijn waarheid, zijn gerechtigheid.

Houd daaraan vast in deze verwarrende tijd.

Virginia Lassing en haar klasgenotes werden aangespoord vaak naar de heilige Mis te gaan in de schoolkapel. Want in de eucharistie -betoogde de zuster met vuur- ontmoet je persoonlijk Christus, die om de gerechtigheid, de waarheid, om zijn liefde voor alle mensen zijn leven heeft gegeven, als gebroken brood en vergoten wijn, zijn bloed.

 

‘Deze zuster-lerares’, vertelde zij mij woensdagmiddag, twee dagen voor haar onverwachte overlijden, ‘heeft richting gegeven aan mijn leven. Zowel door de inhoud van haar woorden als door haar liefdevolle, kalme, vastbesloten uitstraling’.

Zij was voor de tiener Virginia een lichtbaken in duistere tijden. Zozeer dat zij als 94-jarige nog met liefde aan deze religieuze vrouw terugdacht. Deze had iets gezegd, gedaan en voorgeleefd dat over de jonge lyceum-leerlinge zélf ging. Het was een helder moment van herkenning geweest in die inktzwarte oorlogstijd, - een openbaring. Zo kan ik leven, denken. Dit is mijn overtuiging, mijn weg.

 

Over zo’n moment van helderheid horen wij in de lezingen van vandaag.

De priester Ezra leest voor uit de boeken van de Tora, de Wet. Het volk had die woorden misschien nog wel nooit gehoord. Ze waren immers pas terug uit ballingschap. Eén, twee generaties waren geboren en opgegroeid op vreemde grond. Nu was een nieuwe wereldmacht opgestaan. Ze mochten terugkeren naar het land van hun voorouders. Eindelijk waren ze weer in de stad en kon de tempel weer worden opgebouwd.

Maar voordat de stenen van de tempelruïne weer worden opgestapeld moet het volk eerst innerlijk worden opgebouwd, gesticht. Wat heb je aan een tempel, aan luisterrijke kerkgebouwen als de bezoekers, de gelovigen innerlijk niet vaststaan, gefundeerd zijn?

De gelovigen luisteren geduldig van de dageraad tot de middag.

Vandaag waren ook ónze schriftlezingen nogal lang, maar we hoeven toch niet de héle ochtend te luisteren.

Ze luisteren, ze verstaan het en begrijpen het omdat er duidelijk werd gepreekt en wat méér is: de mensen zijn ontroerd. “Het hele volk was in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de Wet hoorde”.

Eindelijk klinkt er een woord dat richting geeft aan hun leven, na de jaren van verwarring die zij hadden moeten meemaken.

Dat gebeurde toen op het tempelterrein in Jeruzalem, dat gebeurde in 1940 in een klaslokaal in Amsterdam-Zuid en wellicht is het ook gebeurd in uw en mijn leven: dat je een woord hoort, een voorbeeld ontmoet; dat iemand spreekt en vooral voorleeft met gezag. En misschien hebben u en ik ooit zelf de taak, de moed en de verplichting om met onze overtuiging voor de draad te komen, met gezag te spreken.

 

Zoals Jezus met gezag het bijbelwoord van Jesaja voorleest en in alle rust eraan toevoegt: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan”. Laten wij met de gelovigen toen in Jeruzalem; met de gelovigen in de synagoge van Nazareth en met onze overleden parochiane Virginia Lassing in alle verwarring, te midden van al het geroep in onze dagen Christus voor ogen houden en zijn liefde, waarheid en gerechtigheid; en Hem persoonlijk ontmoeten, zo vaak we kunnen, in de viering van de eucharistie.

Amen.

N. van der Peet

 

----------------------------------------------------------------

[1] Nehemia 8, 2-4a. 5-6. 8-10; 1 Korintiërs 12, 12-30; Lucas 1, 1-4; 4, 14-21