Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 15 juli 2018,

                      Vijftiende zondag door het jaar.[1]

 

De last van veel verleden. Jezus draagt het mee. Hij heeft nog maar juist het debacle van Nazareth beleefd. De stad van zijn jeugd. Voor het eerst was Hij terug geweest. Hij had Zich verwonderd over hun ongeloof. Zij zagen Hem nog als de jongen uit de timmerwerkplaats. Zij namen Hem niet serieus zoals Hij nu geworden was. Een onthutsende ervaring: niet erkend, gewaardeerd, geacht te worden als de persoon waartoe je je ontwikkeld hebt.

 

De last van veel verleden. Wij - vooral de ouderen- dragen die allemaal met ons mee. De kinderen en jongeren gelukkig nog maar weinig. Maar toch hoor en zie je om je heen dat ook niet weinig jonge mensen de herinnering aan diep ingrijpende, verschrikkelijke gebeurtenissen met zich meedragen en met die last moeten leren omgaan. Dezer dagen denken wij aan al die vele families die een of meerdere geliefden hebben verloren bij de tragedie van de MH-17, deze week vier jaar geleden.

Of we proberen ons in te leven wat kinderen meemaken, door hun ouders meegenomen naar een ander land, op zoek naar meer vrede en een zekerder toekomst dan hun vaderland kon bieden. We zien dat landen van aankomst steeds strenger worden, harder of zelfs hardvochtig en ouders en kinderen uit elkaar halen, opsluiten. Wie bedenkt zoiets?

De last van veel verleden.

Hoe vaak heb ik de afgelopen jaren wel geen mensen gesproken die in hun kinder- of jeugdjaren slachtoffer werden van seksueel misbruik, binnen gezin of familie of binnen de kerkgemeenschap, door priesters of religieuzen. Getekende, beschadigde levens.

De last van veel verleden. Jezus draagt die last mee. Kind van ouders die met Hem op de vlucht sloegen, nog maar pas na zijn geboorte, met de dood bedreigd als Hij werd.

Onbegrip, verwerping, Hij heeft er weet van. Nog maar pas in Nazareth, zijn vaderstad, zijn moederhuis.

 

Maar Hij trekt verder. Hij zal die last omzetten in nieuwe kracht. De harde ervaring maakt Hij vruchtbaar. Hij doet er iets positiefs mee. Er staat dat Hij na de teleurstelling van Nazareth van de ene plaats naar de andere ging, in de omgeving van Nazareth, het dorp waar het misging. Een mens moet langzaam herstellen, cirkelen rond het gebeurde, rond de pijn. Door erover te spreken worden de cirkels geleidelijk wat groter, ook al gaat het nooit helemaal weg.

Maar dan zet Jezus een stap en roept Hij de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij geeft hun leven een zin, een richting, een profiel. De eerste kerkgemeenschap vormt zich. Eindelijk kunnen zij hun roeping gaan uitoefenen. Je wist al wat jouw roeping was, maar nu eindelijk word je gezonden. Apostel betekent letterlijk: gezondene.

 

De eerste gelovigen en de kerkgemeenschap moeten bij de kern blijven, tot het hart van Jezus’ opdracht, zijn missie terugkeren. Jezus wil zo min mogelijk bijzaken: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in the pocket. Alleen een stok en sandalen. Dus alles wat jouw last verzwaart en jouw voortgang vertraagt, mag je achterlaten, loslaten. Heel de last van het verleden. Maar wat je helpt bij het gaan, bij het voortgaan, het verder trekken: de stok waarop je kunt steunen en waarmee je de gevaarlijke dieren of mensen op afstand kunt houden, mag je meenemen, en de sandalen die jouw lopende voeten ondersteunen mag je aantrekken.

 

Twee aan twee heeft Jezus hen uitgezonden. Geen individualisme dus. We hebben juist elkaar nodig. “Hij gaf hun macht over de onreine geesten”. Door ons doopsel en ons vormsel hebben wij die macht ontvangen. Om onze mond open te doen tegen alle onzin, alles wat onrein is, wat niet koosjer is, niet deugt, de harde schreeuw van het materialisme, de verslaving aan het geld, de minachting van de vluchteling, de vreemdeling, de kleine man en vrouw, de armen. Wij hebben de macht en het gezag gekregen om een tegenstem te laten horen, een tegenwicht te bieden. Zoals Amos in onze eerste lezing. Hij was geen officiëel aangestelde profeet, maar hij deed zijn mond toch open. Hij praatte de regering, de koning, het establisment niet naar de mond. Hij zocht niet naar goedkeuring, maar leefde en sprak uit zijn innerlijke overtuiging, zijn hart.  Zo moge het ook bij ons zijn; dat wij leven en spreken bevrijd van de last van het verleden, als mensen die door Jezus gezonden zijn om het evanglie, de blijde boodschap van Gods liefde te verkondigen. Zo moge het zijn. Amen.

 

N. van der Peet

 

-------------------------------------------

[1] Amos 7, 12-15; Efeziërs 1, 3-10; Marcus 6, 7-13


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1 juli 2018, dertiende zondag door het jaar[1]

 

Het kind is niet gestorven

 

GEBED

 

Barmhartige Vader, uw Zoon Jezus is omwille van ons arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. Geef ons dat wij de liefdedaad die Hij in deze wereld is begonnen voortzetten, door de inspiratie van uw heilige Geest.

Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

De tweede lezing, de apostel Paulus aan de Korintiërs, is een grote troost voor penningmeesters van parochies en voor de pastores die collectes moeten aankondigen en de actie Kerkbalans moeten aanbevelen.

De lezing vormt een deel van een bedelbrief. In meerdere parochies die Paulus zelf gesticht heeft, bedelt hij geld bijeen voor de medegelovigen in Jeruzalem en wijde omgeving. Daar leven vooral arme gelovigen. Sommigen leven zelfs in bittere armoede. Paulus, met zijn wereldwijde netwerk, heeft hen beloofd geld bijeen te brengen, ook als een middel tot onderlinge verbondenheid in geloof, over grenzen heen. De gelovigen uit het Heilig Land zijn straatarm, de christenen van Korinte zijn welgesteld, sommigen zelfs steenrijk. Paulus heeft veel ruzie met de inwoners van de welvarende handelsstad Korinte. Zij zijn eigenwijs, op het arrogante af; ze weten alles beter en komen tegen het apostolisch gezag van Paulus in opstand. Ze willen geen solidariteit met andere gemeenschappen, ze blijven liever geheel op zichzelf. ‘Waarom moeten wij, die zo’n fijn lopende parochie hebben, die wij onze eigen centen onderhouden, dat arme Jeruzalem op sleeptouw nemen?’

 

U hoort het, er is vandaag niets nieuws onder de zon. Ook nu huiveren rijke parochies de arme op de been te houden. ‘Straks gaan we nog met z’n allen de financiële afgrond tegemoet!’

Gelooft u me, soms weet je niet wat je hoort en meemaakt!

 

Paulus gebruikt het armoedeprobleem van de gelovigen in Jeruzalem en de rijkdom van die lastige en op zichzelf gerichte Korintiërs, om enkele werkelijk prachtige en ontroerende zinnen te schrijven over de armoede van Christus. ‘Jezus is om uwentwil arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u rijk zou worden door zijn armoede’. Paulus vraagt een liefdewerk van de Korintiërs, een zak geld voor de armen, met verwijzing naar Jezus, de Zoon van God, die rijk was aan de rechterhand van de Vader, maar die alle eer en rijkdom losgelaten heeft; ‘Hij heeft zichzelf vernederd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan ons gelijk geworden’: zijn liefdedaad, zijn passie voor ons. Hij gaf zijn leven voor ons als losgeld, als verlossing: leven zelfs door de dood heen. Van ons wordt alleen geld gevraagd om de nood van onze medemensen te lenigen.

 

Paulus is ziedend! Wat heeft Jezus’ passie, zijn armoede - waardoor wij verrijkt zijn, bevrijd uit zelfzucht en zonde - eigenlijk voor jullie betekend? Zijn jullie wel veranderd, nieuwe, royale mensen geworden, of verkeren jullie nog in het egoïsme, waarin deze wereld dreigt weg te zinken.

 

De liefdedaad van onze Heer Jezus Christus.

Wij zien die aan het werk, operationeel zoals wij tegenwoordig zeggen, in ons evangelie: twee verlossende liefdedaden kunstig inééngevlochten.

Twee zeer uiteenlopende mensen zoeken Jezus’ nabijheid. Eerst de overste van de synagoge. Een man voor wie ruimte wordt gemaakt. Iedereen gaat voor hem opzij. Hij is een man van aanzien, een man van geloof. Hij beheert de synagoge, het leerhuis, het gebedshuis.

Hij is in grote nood. Zijn dochtertje kan elk ogenblik sterven. ‘Kom toch haar de handen opleggen’.

Wat een drama. Bestaat er wel iets ergers dan de dood van je kind? Ze is nog maar twaalf. Maar ook: al twaalf. Dat is de leeftijd in de geloofsgemeenschap van Israël waarop het kind godsdienstige volwassenheid bereikt: bar mitzwa;

en in onze dagen, in liberaal-joodse kringen, voor de meisjes bath-mitzwa: zelfstandig lezen uit de Wet van Mozes, de Tora.

Dan kan het kind, zoals wij na de genezing van het meisje ook lezen, vrij en rechtop rondlopen, wandelen in de weg van de Heer.

 

En dan de liefdedaad van Jezus voor die vrouw. Die stille, aangrijpende figuur. Voor haar, de vrouw, gaat niemand opzij. Twaalf jaar leed zij aan bloedvloeiing. Verzwakt was ze, geen dokter kon haar helpen. Onrein was zij in de ogen van haar medegelovige. Toch raakt zij Jezus aan. Alsof zij weet en gelooft: deze Man heeft al mijn onreinheid overwonnen, Hij draagt mijn ziekte weg. Hij is daarbovenuit, Hij is het te boven: de verdeling van de mensheid in rein of onrein, man of vrouw, rijk of arm.

 

“Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”. Wellicht doelt de vrouw op de gebedsmantel die orthodoxe gelovigen onder hun gewone kleding droegen en nog steeds dragen. De mantel die vrome joden dragen wanneer zij bidden. Zij vertrouwde op het gebed van Jezus. Zij raakt Hem aan, in zijn band met God, in zijn goddelijkheid.

Daardoor doorbreekt zij in stilte haar isolement, die onverdraaglijke eenzaamheid waartoe zij al twaalf jaar lang veroordeeld was, waartoe mensen, gelovigen ook elkaar kunnen veroordelen. Zij siddert als Jezus vraagt wie Hem heeft aangeraakt. Hij had immers kracht uit Zichzelf voelen wegvloeien. Jezus prijst haar, bevestigt haar in haar gelovige moed Hem -de reine, de enige mens zonder schuld- te durven aanraken.

Hij zegt haar, na haar genezing, niet: ‘Ik heb u genezen’, maar

“Dochter, uw geloof heeft u genezen”, uw vertrouwen, uw durf, uw vastberadenheid.

 

‘Dochter’, noemt Jezus de vrouw. De Zoon van God staat naast deze Dochter. Zij wordt door haar geloof genezen van haar isolement, uit haar in zichzelf opgesloten leven. Zij, de dochter, mag naast de Zoon staan, in zijn gemeenschap.

Ook de andere dochter, die van Jaïrus wordt genezen. De dood had geen macht over haar.

“Het kind is niet gestorven, maar slaapt…”

Doch ze lachten Hem uit.

Hoezo, ‘zij slaapt’.

De mensen zeggen: ’Dood is dood’.

 

“Talita Koemi…Meisje sta op.”

Jezus trekt beide dochters uit hun isolement, uit het gebied van de dood.

Ze worden dochters van God.

Wij kunnen zusters en broeders van elkaar worden. Erin leren geloven dat een nieuw bestaan mogelijk is.

De liefdedaad van Jezus ons eigen maken.

Elkaar raken en het liefdewerk dat Jezus ons heeft voorgedaan in onze tijd voortzetten, van onze rijkdom uitdelen. Dat zal de armoede van onze naasten verlichten en onszelf verrijken. Zo moge het zijn. Amen.

 

 

--------------------------------------------------

[1] Wijsheid 1, 13-15; 2Kor. 8, 7+9+13.+15; Marcus 5, 21-43


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 23/24 juni 2018

            Hoogfeest van de Geboorte van de heilige Johannes de Doper[1]

 

Voor U is de nacht even licht als de dag

 

Deze week beleefden wij de langste dag, de zomerzonnewende. Elk jaar betrap ik me erop dat die het mij een beetje overvalt. Dag voor dag worden de dagen een beetje langer. Maar dan opeens wordt je je bewust: we hebben het hoogtepunt van het licht, de zon al achter de rug. Als dat is gebeurd, juist dan viert de kerk het hoogfeest van de geboorte van de heilige Johannes de Doper. In het midden van de winter, over zes maanden vieren we de geboorte van de Heer in Bethlehem, midden in de winternacht, vlak na de winterzonnewende, juist als de dagen weer langer beginnen te worden en de opgang van het licht begint. De komst van Christus de Heer. Geboorte van Hem die het Licht der wereld wordt genoemd. Geboorte van het Licht in een donkere wereld, die wordt verdreven door de Mens van Licht. ‘God uit God, Licht uit Licht, ware God uit de ware God.’

Vandaag vieren wij de geboorte van Johannes, die de Voorloper is, die het ware Licht moet aankondigen. Deze dag wordt ook wel eens ‘kerstmis in de zomer’ genoemd.

Een nieuw begin, dat is geboren in het kleine volk Israël, twee millennia geleden. In een tijd waarin er duisternis heerste in dat volk, vernederd en bezet als het was door duistere machten, een machtig bezetter, heerser: de Romeinse wereldmacht die het land, de stad Jeruzalem en de tempel in de tang had.

 

In die tempel verrichtte Zacharia zijn werk. Het priesterschap in Israël, in de tempel werd verkregen door geboorte. Af en toe moest Zacharias het offer brengen. Daar in de afzondering van de tempel, in het versluierde licht van het wierookoffer, hoort Zacharia een stem die belooft: jouw oude vrouw Elisabeth, afstammelinge van de hogepriester Aäron, zal zwanger worden, een zoon ter wereld brengen. Je moet hem een nieuwe naam geven, tot nu toe in jouw familie onbekend: Johannes, dat betekent: ‘De Heer is genadig’.

Hij kan het niet geloven. ‘Wij zijn oud, mijn vrouw en ik, de toekomst is niet meer aan ons’. Zoals het volk, die kleine, bezette geloofsgemeenschap. Eigenlijk geloven zij niet meer in de toekomst. De tempel, de kerk, het geloof hebben hun tijd gehad. De dagen zullen korter worden, de duisternis zal het winnen. Hij wordt letterlijk met stomheid geslagen, tot kort na d geboorte van zijn zoon. Met stomheid geslagen zoals niet weinigen van ons, die niet meer kunnen of durven spreken over hun geloof. Misschien nemen zijn nog wel deel aan de kerkgemeenschap, maar hebben nauwelijks nog woorden om hun geloof te bespreken, door te geven. Of misschien geldt dat ook wel voor de kerk als geheel, belast als zij is door een onvruchtbaar of soms zelfs schandalig verleden.

 

Maar wat de mensen ook zeggen;  wat nota bene de priester Zacharias met zijn vrome offers ook zegt, de priester die een man van geloof zou moeten zijn; de man die het offer wel opdraagt, maar zijn hart, zijn geloof in de toekomst is uitgeblust, - God, de onzichtbare, verborgen in de tempel aanwezig, in de versluiering van de duistere wierook-wolk, God laat zich niet afremmen door de melancholieke priester, het terneergeslagen gelovige volk.

In de stilte van de tempel, in het heiligdom van de moederschoot wordt een mensenkind als een weefsel gevormd. “Zou ik uitroepen: “duisternis, bedek mij, licht, verander in nacht, voor U bestaat de duisternis niet. Voor U is de nacht even licht als de dag, de duisternis even stralend als het licht”.

Vandaag vieren wij de geboorte van dat kind. Zijn profielschets hoorden wij vandaag bij monde van de profeet Jesaja, die eeuwen eerder iets nieuws moest aankondigen, namelijk de bevrijding, de terugkeer van het volk uit de ballingschap. Hij moest een licht zijn voor de heidenvolken. Heel de geloofsgemeenschap moest het licht van God laten stralen. Zo is het ook met Johannes. Hij moest het Licht aankondigen.

 

“Het kind groeide op en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israël in het openbaar vertoonde”.

U hoort het: de Geest kun je niet sturen. Wij kunnen de Heilige Geest niet beheersen, de tempel niet en ook de kerk en haar hiërarchie niet. De Heilige Geest beheerst Johannes en ons allen en niet wij de Heilige Geest. Zoals Johannes moeten we eindelijk eens naar de woestijn. Hij gaat niet zoals zijn vader Zacharias aan het werk in de tempel. Dat had eigenlijk wel gemoeten. Het priesterschap werd van vader op zoon doorgegeven. Johannes gaat niet naar de tempel, maar naar de woestijn, dé plaats waar het volk eeuwen eerder geroepen werd om Gods volk te zijn, een begin te zijn in deze wereld van licht, van gerechtigheid en menselijkheid.

Hij maakt zich los uit overleefde structuren. Hij gaat -om het zo eens te zeggen- ‘out of the box’ geloven, leven, bidden en preken.

 

Dat is het zeer hoopvolle van deze hoogfeestdag aan het begin van de zomer. Ook wat wij, met de oude, weinig hoopvolle Zacharias en Elizabeth eigenlijk niet kunnen voorstellen: God zoekt in ons uitgebluste hart en in onze weinig vurige kerk naar een plek in ons innerlijk en in onze gemeenschap, die hij kan beheersen, kan bekeren en nieuw elan kan geven. Moge de Geest ons die geven. Amen.

 

Pastoor N. van der Peet

 

-------------------------------------------------------------

[1] Jesaja 49, 1-6; Handelingen der Apostelen 13, 22-26; Lucas 1, 57-66. 80


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 26/27 mei 2018.

                      Hoogfeest Allerheiligste Drieëenheid[1]

 

Zie, Ik ben met u

 

GEBED

 

Eeuwige God, U bent niet ver gebleven van Wie U aanbidden, niet hoog en breed van ons vandaag, Gij zijt zo menselijk in ons midden, dat Gij ons gebed wilt verstaan. Geef dat wij door ons leven U mogen belijden als Vader, Zoon en Heilige Geest, één God, die met ons bent tot aan de voleinding van de wereld en die voor ons leeft vandaag en alle dagen tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

VERKONDIGING

 

“Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld”.

Deze zin is de laatste van het evangelie volgens Matteüs. “Zie, Ik ben met u, met jou, tot aan de voleinding”.

Dan heb je wel alles gezegd.

 

Vorige week zaterdag keken wereldwijd ontelbaar veel mensen naar het huwelijk van de Britse prins met zijn Amerikaanse bruid. We keken naar een schitterend schouwspel van een eeuwenoude kapel, naar koninklijk geklede mensen; we hoorden welhaast hemelse koorzang en een verrukkelijke preek. Waarom kunnen wij het niet laten om naar zo’n koninklijke huwelijksplechtigheid te kijken, midden op een zomerse lentedag?

Wellicht omdat het ons diep beroert dat twee mensen tegen elkaar zeggen: ‘ik ben met jou, in goede en kwade dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid, alle dagen van ons leven’. Het raakt aan een diep verlangen van ons allemaal dat je niet alleen bent, dat iemand met jou gaat in alle stadia van je leven, tot de dood ons scheidt, zoals de aartsbisschop van Canterbury gewoon onomwonden uitsprak. Ook de dood bleef niet ongenoemd tijdens die dromerig mooie, sprookjesachtige viering.

Even later op diezelfde zaterdag vond ook hier, voor ons altaar een huwelijksplechtigheid plaats, ook deze geheel in het Engels. En ook wij waren ontroerd door twee mensen, die uit de grond van hun hart elkaar hun belofte deden: ‘ik zal er zijn, voor jou, al de dagen van ons leven’, ‘until death do us part’.

 

Vandaag vieren wij het hoogfeest van de Allerheiligste Drievuldigheid. Wij vieren niet een vaag godsbegrip, geen hersen-krakende theorie over een onuitsprekelijke, geheimzinnige macht, lichtjaren bij ons vandaan, zetelend in een ongenaakbaar hemels paleis. Wij vieren God-met-ons, God die met ons meetrekt.

 

In de eerste lezing, uit het laatste boek van de Wet van Mozes, Deuteronomium, ziet Mozes terug op heel de weg die het volk heeft afgelegd, die zware weg door de woestijn veertig jaar lang. Alleen aan de hand van het gewone leven kun je over God spreken. Mozes vraagt: “Heeft ooit een God gepoogd uit een ander volk u te komen uitkiezen”, u te bevrijden uit de macht van het land van de verslaving, de depressie, de dood? God lijkt in de ogen van Mozes en van zijn volk wel een bruidegom, die zijn volk heeft uitgekozen, die in goede en kwade dagen bij zijn mensen is gebleven en voor hen uit is getrokken naar bevrijding en leven.

 

Wij zijn kinderen van God, zegt Paulus, in de tweede lezing. Wij mogen ‘Abba, Vader’ zeggen tegen God. Geen slaafsheid, geen angst. Wij hebben de Geest van kindschap ontvangen. In navolging van Jezus zijn wij kinderen van God. Wij horen eigenlijk ook bij de Drieëenheid. Wij zijn gedoopt in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Wij horen erbij, in het leven van God. Wij zijn geen bange dienstknechten, wij zijn kind aan huis bij God. Zoals Jezus het was. Hij doet het ons voor, Hij, dé Zoon. Hij is ons voorgegaan, door het leven, door het lijden en zelfs in de bittere dood.

 

Ons evangelie vertelt wat Hij zegt na zijn verrijzenis, vlak voordat Hij weggaat, terug naar zijn Vader. We hoeven niet bang te zijn: Hij heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat en maakt alle volken tot mijn leerlingen…doopt hen…Ik ben met u.

 

Kort geleden werd ik geroepen om een man de laatste sacramenten te komen geven. Hij was nog niet oud. Opeens had een dodelijke ziekte toegeslagen. Geen behandeling, geen dokter kon hem meer helpen. Zijn kinderen stonden verslagen rond zijn bed. Hij was nog maar weinige jaren geleden gedoopt. Het was een bewuste keuze geweest. ‘Ik ben kind van God’, had hij ervaren. Hij had zich als volwassen man laten dopen, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Te zwak om tijdens de ziekenzalving het tekstboekje in de hand te houden bad hij met inspanning van al zijn krachten de gebeden uit het hoofd mee. Dat is toch een heel andere, intense manier van bidden, zomaar uit het hart, uit het hoofd. Indrukwekkend en ontroerend. Toen de zalving was verricht, de gebeden gezegd, zei hij: ‘Jezus gaat voor mij uit’.

 

Vandaag moet ik weer aan hem denken: dat is geloof in de Drieëenheid. Jezus gaat voor mij uit. Hem is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Hij heeft vanwege de Vader de Geest aan ons geven. Hij neemt u en mij bij de hand, wat het leven ook brengt, op de dag van je grootste geluk, van je huwelijk bijvoorbeeld, en op de dag dat de dood je scheidt: Hij is met ons alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld, de voleinding van ons leven.

 

Mogen we vreugde vinden en moed in dat geloof, in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, aan Wie eer is en lof, -zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

N. van der Peet

 

 ------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 32-34. 39-40; Romeinenbrief 8, 14-17; Matteüs 28, 16-20


Verkondiging in de Nieuwe Augustinus, Pinksteren, 19/20 mei 2018[1]

 

God in ons

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, de kring van vijftig dagen is voltooid waarin het paasmysterie werd ontsloten. Verleen dat de mensen die elk in eigen taal hun eigen wegen gaan, weer tot elkaar komen in het belijden van uw Naam: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

 

“Parten, Meden, Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, va Pontus en Asia, van Frygië en Pamfylië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden…”

Persoonlijk vind ik dit één van de mooiste zinnen van het Nieuwe Testament. Niet alleen vanwege de veelbetekenende inhoud, maar ook vanwege de schoonheid, het bijna poëtische ritme van deze zin.

 

Als jongen van 13 jaar zat ik in de klas bij mijnheer Prenen, leraar geschiedenis aan het Mendelcollege in Haarlem. Hij was een bijzondere verschijning op onze grote middelbare school, gesticht door paters Augustijnen, maar in de jaren zeventig steeds meer in handen van leken-leraren. Mijnheer Prenen was één van de eersten. De meeste leraren gingen met hun tijd mee. Zij kleedden zich wat vlotter, noemden soms hun voornaam en durfden ook wat meer moderne opvattingen over de politiek en over het katholieke geloof te ventileren. Maar onze geschiedenisleraar, meneer Prenen, bleef geheel zichzelf. Elke dag weer gekleed in driedelig kostuum -weliswaar enigszins morsig-, de les aanvangend met gebed, en aan het eind van de dag ook daarmee afsluitend. Hij moest geschiedenis geven, maar zijn lessen waren veel meer dan dat. Hij was behalve historicus vooral kunstenaar: een groot tekenaar (sommige boeken van zijn boezemvriend Godfried Bomans heeft hij geïllustreerd), een verdienstelijk dichter en een kenner van de literatuur. Wat een voorrecht van zo’n begaafde man les te krijgen. Last but not least, hij was een gelovige man, Hij protesteerde niet tegen de vele vernieuwingen. Als historicus wist hij terdege dat je de tijdgeest niet kon keren. Maar ook op dit terrein bleef hij geheel zichzelf: devoot, vroom, diepzinnig. Het godsdienstonderwijs was in crisis, maar hij ging heerlijk zijn boekje te buiten en gaf in de geschiedenisles tussen neus en lippen ook godsdienst. Niet volgens de nieuwe boekjes, maar vanuit hét Boek. Want hij was één van de weinige katholieke intellectuelen die de bijbel kende.

 

Toen de dag van Pinksteren naderde vertelde hij uit zijn hoofd (hij bezat een fenomenaal geheugen) het verhaal van de nederdaling van de Heilige Geest, zoals wij dat in de eerste lezing, uit het boek Handelingen der Apostelen, hoorden. En dan vooral die laatste zin: “Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië…” en ga maar door, ik ga u er niet nog eens mee vermoeien. Maar hij wel ons. En bovendien vond hij dat we deze zin maar uit het hoofd moesten leren. Wat wij gewoon deden. Kom er nog eens om. Dat zoek je toch gewoon op in je smartphone. Maar wat is het mooi het by heart te kennen.

 

Godsdienst is iets van het hart, vond hij. Wat je als een baggage, een geestelijke rugzak bij je moet dragen. Niet om eronder gebukt te gaan, maar om het iets van jezelf te maken. Geen hard juk, maar een lichte last. Het moest iets van jezelf worden, een geestelijk huis waarin je kunt wonen.

 

Pinksteren. Nu woont God in de mensen, vertelt het Pinksterverhaal volgens Lucas in zijn Handelingen der Apostelen. Niet langer staren de apostelen en de vrouwen naar de hemel. Niet langer houdt de kerkgemeenschap de deuren en de ramen uit angst voor de boze wereld gesloten, maar zij gaat de straat op en iedereen verstaat haar. Die prachtige lange laatste zin uit de eerste lezing, die wij, dertienjaren, uit ons hoofd moesten leren, is ook werkelijkheid geworden. Het geloof, het bevrijdende verhaal van Jezus’ leven, lijden, dood en verrijzenis is verder verteld in welhaast alle talen onder de hemel en in alle volken. De Heilige Geest is gegeven aan allen. Wij beleven het in onze dagen, ook in onze kerk. Vanmiddag/ gisterenmiddag nog mocht ik voorgaan in een kerkelijk huwelijk in het Engels gevierd, de bruidegom uit Groot-Brittannië, de bruid uit de Filippijnen, wonend in Tuindorp-Oostzaan, meelevend met onze parochie. Stap voor stap leren wij elkaar verstaan, gaan onze ramen en deuren open, die van ons kerkgebouw, niet langer alleen gevuld met één welomschreven groep, maar met vele volken en talen.

 

Langzamerhand mogen ook de ramen en de deuren van ons hart opengaan, voor de Heilige Geest. Dat is de kern van ons geloof: dat God geen verre monolitische god is gebleven, maar mens geworden is in Jezus en na zijn hemelvaart in u en mij wil neerdalen;  in onze levens, na onze innerlijke strijd tussen ons egoïsme en het verlangen van de Geest (zoals Paulus zo drastisch uitlegt) aan het woord wil komen.

 

Als gelovigen, als kerk moeten wij in deze tijd een beetje tegen de stroom oproeien. Het groepsegoïsme, het nationalisme maakt zich groot. Velen voelen zich onzeker en keren zich liever af van vreemden. Ook aan onze wereldwijde kerk is het niet vreemd. De strijd is nooit helemaal ten einde. Maar het hoeft ook niet meteen perfect te zijn. “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen”. Jezus is als een leraar, die weet dat zijn leerlingen niet alles meteen kunnen begrijpen, doorgronden, in praktijk brengen. Hij heeft geduld met u en mij, met zijn kerk. Hij trekt zich niet terug in een burcht van gelijk hebben en rechtzinnigheid. Hij heeft de deur opengezet. Hij is uit de hemel neergedaald. Hij is teruggekeerd naar Vader. Vandaag zendt Hij van de Vader de Heilige Geest. “Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de volle waarheid brengen”. Die Geest moge ons allen geven worden, opdat wij onszelf leren doorgronden en elkaar leren verstaan: “Parten, Meden, Elamieten…Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden”. Amen.

 

N. van der Peet

 

------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 2, 1-12; Galaten 5, 16-25; Johannes 15, 26-27; 16, 12-15


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 12/13 mei 2018[1]

 

De kracht van het gebed

 

GEBED

 

God, wij belijden dat Christus bij U is in heerlijkheid en de Verlosser is van alle mensen. Wil luisteren naar ons bidden: dat de Heer bij ons blijft tot in de vervulling van de tijden, zoals Hij ons heeft toegezegd, Jezus onze Heer. Die met U leeft…

 

VERKONDIGING

 

“Ik zal voor u, ik zal voor jou bidden”.

Soms spreek ik dit korte zinnetje meerdere malen per dag uit.

Vaak is het onderdeel van het afscheid na een gesprek met een medegelovige, hier in het kerkgebouw, in de spreekkamer van het pastoraal centrum, aan het einde van een ziekenbezoek of een huisbezoek, of na een onverwachte ontmoeting en gesprek op straat of in de supermarkt.

Ik houd van mijn werk als pastor, als priester. Eigenlijk heb ik alle tijd. Soms is het zo druk, dat ik op die gedachte kom: ik heb alle tijd. En wanneer je alle tijd hebt dan is het leven vol ontmoetingen, gesprekken, heel lang of heel kort. Soms kun je in een heel korte ontmoeting even iets van jezelf vertellen, wat er op je hart is; hoe zwaar de beproeving nu is in je leven; dat je enorm tegen iets opziet; dat je zo mateloos gelukkig bent, verliefd, of juist ontzettend door een ander in de steek gelaten. Of je door God verlaten voelt.

Na het luisteren en het samen overzien en bespreken van wat er in het hart en in de gedachten of tobberijen van een mens kan zijn, loopt het gesprek soms uit tot een kort gebed, een zegenbede of - als daarvoor de gelegenheid of de sfeer niet is, de belofte: “Ik zal voor u, ik zal voor jou bidden”.

 

Als je zo’n belofte doet dan moet je je daar ook aan houden. Elke avond, als onderdeel van mijn avondgebed, de vespers, breng ik de mensen in herinnering, in mijn gebeden, aan wie ik die belofte heb gedaan. Bidden is een serieuze zaak, daar moet je niet op bezuinigen en daarmee moet je niet schipperen. Nooit heb ik woorden tekort in mijn gebed. Er zijn zovelen om aan te denken, om voor te bidden, bij God te brengen; Hem aan zijn mensen te herinneren. Hoewel, soms ben ik ook wel eens sprakeloos, als ik bedenk wat sommige mensen moeten doorstaan, wat zij meemaken. Maar ook dat is gebed: zonder woorden je hart uitstorten.

Worden onze gebeden gehoord? God alleen weet het. Wij mogen erop vertrouwen. Jezus doet het ons voor. We hoorden het vandaag.

 

Jezus bidt voor zijn leerlingen: “Heilige Vader, bewaar in uw naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij”. Jezus bidt om eenheid. Dat is zijn eerste gebed: dat de gemeenschap van de mensen, van de gelovigen die verdeelt raakt, in stukken valt, genezen wordt, geheeld, weer eenheid terugvindt. In de eerste lezing van vandaag zien wij hoe de eerste geloofsgemeenschap werkt aan die genezing. Eén van de twaalf apostelen heeft verraad gepleegd. De kerk is van God, maar is ook mensenwerk. De kerk is gewond door het verraad van een van de leerlingen. Een ánder moet zijn plaats innemen. Er zijn twee kandidaten. Zij gaan bidden. Zij leggen het aan God voor. Hij moet beslissen. Toen liet men hen loten, en het lot viel op Mattias.

Je moet maar durven. Naar mijn weten wordt er alleen in de Koptische, de Egyptische kerk geloot. Daar stelt men voor de hoogste functie, de patriarch/de paus, enkele kandidaten voor. Een onschuldig kind moet een lootje trekken. Wiens naam daarop geschreven staat, die wordt het. 

Zo werkte de eerste kerk: aan de heling, de genezing van de verbroken eenheid. Niet door eindeloze praatsessies, maar door gebed. “Gij, Heer, die aller harten kent…”

 

Bidden betekent dat je het een beetje of helemaal uit handen geeft.

Dat doen wij niet meer zo gemakkelijk. Het kost ons moeite te wachten op uitkomst, duidelijkheid, een beslissing. Het geduld is in onze dagen niet de meest beoefende deugd. In zijn grote gebed, het hogepriesterlijk gebed, waaruit wij een stukje hoorden, bidt Jezus voor ons. Hij brengt onder woorden wat wij ervaren: dat het niet gemakkelijk is als gelovigen te leven in deze wereld. “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben…Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor het kwaad.”

De gelovigen moeten niet vluchten voor de wereld. Zij moeten er midden in staan en zich zo goed mogelijk inspannen om deze wereld menselijker te maken, rechtvaardiger. Maar wij moeten er niet in opgaan, er niet alles van verwachten. De hemelvaart van Jezus, die wij deze dagen gedenken, leert ons dat onze eindbestemming ergens anders ligt, in Gods wereld, in zijn nieuwe hemel en nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.

 

Geloven in de hemel. Velen hebben dat geloof, dat uitzicht verloren. Tijdens een bezoek aan het Rijksmuseum op hemelvaartsdag hoorde ik twee jongemannen vragen: wat is nu hemelvaart in hemelsnaam? Dat is de vraag van talloze mensen in onze tijd, vastgeklampt aan de aarde als wij moderne mensen zijn. Maar we mogen ontspannen zijn, Jezus is ons voorgegaan naar de hemel, er wordt voor ons gebeden, er wordt op ons gewacht, wij zijn niet vergeten. Hij denkt aan ons nu Hij in zijn Koninkrijk gekomen is.

 

Laten wij Jezus volgen in ons gebed, laten we elkaar niet vergeten, voor elkaar opkomen, in ons werken en in ons bidden. Zo moge het zijn. Amen.

 

 

Nico van der Peet

 

 

------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 1, 15-17.20a.20c-26;1Johannes 4, 11-16; Johannesevangelie 17, 11b-19