Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 22/23 september 2018

                      25ste zondag door het jaar[1]

 

De ogen van een kind

 

GEBED

 

God, U hebt de liefde tot U en de naaste tot een wet gemaakt die heilig is en alomvattend. Geef dat wij uw geboden onderhouden en tot het eeuwig leven komen. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

“Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten”.

 

Jezus is voor alle mensen gekomen. Maar nu moet Hij alle zeilen bij zetten om zijn leerlingen, zijn trouwe volgelingen bij de les te houden, te onderrichten, hen niet kwijt te raken. Zij hebben uit zijn mond woorden gehoord die zij niet begrijpen of zelfs niet willen horen. Woorden over verworpen worden, over lijden, ja zelfs over sterven en over opstaan uit de dood. Ze begrepen van dat laatste helemaal niets. Letterlijk lezen wij een bladzijde eerder: “Waar slaat dat op, opstaan uit de doden?” Je hoort hier de moderne gelovige of niet gelovige aan het woord. Maar dus ook al in Jezus’ tijd werd die vraag gesteld.

 

Jezus moet nu al zijn aandacht besteden aan zijn leerlingen, die altijd dichtbij Hem waren. Hij was gekomen voor alle mensen, maar nu moest Hij ervoor zorgen dat Hij zijn trouwe gelovigen niet verloor. Zij moeten leren omgaan met die duistere en soms onbegrijpelijke kanten van het leven en van het volgen van Jezus. De leerlingen hadden gehoopt op een betrekkelijk rustig leven in de schaduw van de grote Meester. Zij hoopten heimelijk te delen in zijn macht en aanzien. Zonder dat Jezus het kon horen hadden zij een woordenwisseling over de vraag wie de grootste was; wie het beleid zou gaan bepalen. Macht. Daar gaat het over. Waar niet: aan het Binnenhof, in het Witte Huis, ja ook in het klooster, in het Vaticaan, God betere het. Het streven naar macht, naar de grootste invloed kan een gemeenschap verzieken, tot op het bot verdelen. Alles kan goed zijn, kansen volop en dan steekt het de kop op: het gevecht om de macht. Het wordt in onze dagen volop gevoerd in onze wereldwijde kerk. Juist nu de kerk de gelederen zou moeten sluiten, nu eenheid meer dan ooit geboden om het kwaad, de misdaden gepleegd in eigen kring, te overwinnen, en om de kerk te zuiveren, juist nu is de strijd om de macht losgebarsten. Op deze Vredeszondag lijkt de vrede verder weg dan ooit.

 

Jezus moet al zijn energie en tijd gebruiken om zijn leerlingen bijeen te houden, zijn kerkgemeenschap te redden. Wat een strijd is dat wel niet. Hij mag zich niet laten afleiden. Wij beleven ook zulke tijden. Het wordt langzamerhand een beetje trendy om in de meeste bekeken praatprogramma’s te melden dat je het gezelschap van de kerk, van Jezus verlaat. Een politicus, een man van de showbusines en onbekende gelovigen die weggaan, zich laten uitschrijven. Hoe gaan we hiermee om? Schudden we ons hoofd en wenden we ons af? Of nemen wij deze signalen serieus?

Al zijn tijd besteedt Jezus aan zijn twijfelende, redetwistende leerlingen. Hij neemt hen serieus, hun gedachten, hun ergernis, onbegrip. Alle tijd neemt Hij om hen te onderrichten.

 

Waaruit bestaat het onderricht?

Jezus zette een kind in hun midden. Hij omarmde het en sprak tot hen: “Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op”.

Jezus identificeert Zich met een kind.

Hij neemt afstand van de wereld van de volwassenen, van de mensen die zichzelf groot maken, macht nastreven. Hij plaatst het kind in hun midden. Een kind dat alles nog voor zich heeft, dat nog niet is meegesleurd in de strijd, dat nog onbevangen is, open staat voor nieuwe inzichten. We kennen dat gevoel misschien allemaal: de vreugde om kinderen. Wat een bevrijding kunnen zij zijn voor ons, soms al te ernstige volwassenen, die soms door onze zorgen, problemen en vastgezette opvattingen een tunnelvisie hebben, niet anders willen of durven zien dan we al lange tijd gewend zijn en waarin we ons min of meer veilig voelen. Wat een verlangen kan een kind in je opwekken naar nieuwe innerlijke vrijheid en onbevangenheid, naar onbekommerde kwetsbaarheid, naar een tweede, nieuwe onschuld.

Hoe kwetsbaar en kostbaar de kinderen in ons midden zijn, beleven wij deze dagen meer dan ooit, nu kinderen in Oss, onderweg naar school, uit het leven werden gerukt.

 

Het kind opnemen in je midden. Elders zegt Jezus: “als je niet opnieuw wordt als de kleine kinderen zul je het koninkrijk der hemelen niet binnengaan”. Hij vraagt van zijn volwassen leerlingen hun streven naar macht los te laten, een nieuwe, een tweede onschuld te vinden. Ook van ons wordt het gevraagd. Ook hier in Amsterdam-Noord moesten wij anders leren zien, vertrouwde verhoudingen loslaten, toen wij kerkgebouwen achter ons hebben gelaten, deuren op slot gedaan en nieuwe geopend. Dat gold ook voor de koren, die hun zelfstandigheid opgaven en samen in nieuwe verhoudingen gingen optrekken. Nu tien jaar geleden. Leden van verschillende gemeenschappen en zangculturen en keuzes, gingen samen, gingen naar elkaar luisteren en gaven veel vertrouwds op. Zo opent zich voor de kerkgemeenschap van Jezus nieuwe toekomst. Een reden tot grote dankbaarheid. Dit proces naar nieuwe onbevangenheid is nog niet voltooid. Nieuwe mensen zijn hier komen wonen en komen in onze kerk. Zij nemen hun taal, cultuur, vroomheid, geloofsbeleving mee. Jezus vraagt ons elkaar aan te zien en aan te voelen met onbevangen ogen en harten. Als wij elkaar omarmen en aanvaarden dan nemen wij Jezus op en wie Hem opneemt neemt Hem op die Jezus gezonden heeft en worden wij geliefde kinderen van de ene Vader. Amen.

 

N. van der Peet

 

--------------------------------------------------

[1] Wijsheid 2, 12. 17-20; Jakobus 3,16-4,3; Marcus 9, 30-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      24ste zondag door het jaar, 15/16 september 2018[1]

 

Vriendschap met Christus

 

GEBED

 

God, onze Vader, uw Zoon heeft het lijden te einde toe doorstaan. Wij vragen richt ons hart op Hem; laat ons de weg gaan van onze Verlosser, ons leven geven voor elkaar en de rijkdom van uw liefde ervaren. Door onze Heer Jezus Christus…

 

 

VERKONDIGING

 

Het valt niet mee om gefocust te blijven als christen, als katholiek in deze tijd, in deze weken sinds half augustus; het valt niet mee om bij de kern van ons geloof te blijven. Wij, dat wil zeggen de kerk waartoe wij behoren, zijn vrijwel dagelijks in het nieuws. Soms denk je: nu hebben we het wel gehad. Maar nee, dan komt er weer iets anders. We moeten de beker tot de laatste druppel drinken. Alles wat verborgen is gehouden moet aan het licht komen en van de daken worden geschreeuwd.

 

Zoveel wordt er gezegd en geschreven - begrijpelijk, noodzakelijk, terecht - dat wij uit het oog verliezen waarom wij eigenlijk christen zijn, kerk-betrokken, kerkgangers zijn. Als je niet uitkijkt wordt het geloof, dat je altijd dierbaar en verrijkend hebt gevonden of zelf de kern van je leven, je uit handen geslagen door alle verhalen en schandalen.

 

Deze week, afgelopen woensdag, vergaderde ons parochiebestuur. Eén van de leden, wisselend bij toerbeurt, opent altijd met een gebed, een tekst. Het jongste lid van ons bestuur las teksten voor, een krantenartikel, een stukje uit een preek, een brief van een bisschop, over de ellende van de afgelopen weken. Daarna vroeg hij ieder van ons kort zich uit te spreken, vanuit haar of zijn hart. ‘Geen discussie, spreek je uit: je inzicht, je gevoel, je vertwijfeling, je hoop en geloof ondanks alles en door alles heen, je liefde’. Het werd een indrukwekkend begin van onze vergadering. We spraken die avond niet alleen over vele belangrijke pastorale, materiële en financiële zaken. We spraken over onszelf en over onze band met onze zwaar aangevochten kerk, onze band met het geloof, met God, met Jezus.

De bisschop van Den Bosch schreef: “Laten wij, onder de inspiratie van de Heilige Geest, onze vriendschap met Christus zichtbaar maken in de wereld van vandaag”

 

Vriendschap met Christus.

Dat woord trof me. Die dreigt in onze tijd uit het zicht te raken, verdwenen onder een berg van narigheid, verloochening en verraad.

“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” vraagt Jezus vandaag aan zijn leerlingen. Hoe praten de mensen over mij?

Zou ik die vraag durven stellen? Ben ik voor die kwetsbare vraag wel voldoende innerlijk vrij of ben ik zo bang voor mogelijke pijnlijke antwoorden, dat ik haar maar niet stel? Jezus doet het wel. “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Dan volgt uit de mond van de apostelen - u hoorde het zojuist - een stroom van antwoorden. Ook wij horen allerlei opinies. Maar Jezus legt daarna de vraag heel persoonlijk aan zijn apostelen voor. Hij vraagt hun zich niet langer te verschuilen achter de mening van anderen. Vroeger kon dat wel. Je geloofde wat de pastoor zei of de bisschop en voor de echt cruciale vragen verwees je naar het hoogste niveau: de paus. Dat kan niet meer, in deze tijd waarin u en ik als individu zelf ter verantwoording worden geroepen, nu vrijwel alle hoge autoriteiten verdacht zijn.

 

Meer dan ooit is de vraag van Jezus van klemmend belang. “Maar u, maar jij, wie zeg jij dat Ik ben?”

Ik moet u bekennen dat ik op verjaardagsfeestjes in mijn vrienden- en zelfs in mijn familiekring hoop dat het geloof niet ter sprake komt; dat ik geen pijnlijke vragen hoef te beantwoorden. Soms zou ik willen wegduiken. Om onszelf als gelovige weer terug te vinden of zelfs opnieuw uit te vinden stelt Jezus ons vandaag deze vraag: Wie zegt u, wie zeg jij dat Ik ben?

 

Het is ermee zoals in een huwelijk of vriendschap, of welk type relatie ook van mensen die zich aan elkaar in liefde en trouw hebben verbonden. Die centrale vraag: ‘wie zeg jij dat Ik ben; wat beteken ik voor jou; wie ben jij voor mij?’, - die centrale vraag kan aan de oppervlakte van het gewone, drukbezette leven en de zorg van de kinderen, ondergesneeuwd raken, nooit meer gesteld, verwaarloosd. Dan kan de vervreemding, de verwijdering binnensluipen en de glans van het leven en de liefde doen vervagen.

 

Zo kan het gaan in het geloof, ons christen-zijn, ons katholiek-zijn. In de stroom van alle bezigheden als vrijwilliger in de kerk- gelukkig zijn ook in onze gemeenschap vele, toegewijde vrijwilligers -, als kerkganger, als gelovige kan die vraag vergeten worden, verlegen terzijde gelegd of de beantwoording almaar uitgesteld.

‘Maar u, jij, wie zeg jij dat Ik ben?’

Wat betekent Jezus voor jou, wat is jouw antwoord op zijn vraag, zijn kwetsbare vraag? Juist in deze voor onze kerk en geloof, stormachtige tijd worden we vandaag voor de kernvraag gesteld. Heb ik een band met Hem, met God? Het antwoord kan ik niet voor u invullen. Niets anders kan ik dan vanuit mijzelf spreken. Zonder persoonlijk gesprek met Christus zou het me door de vingers glippen, zou ik me laten meesleuren door de vele berichten en meningen, zou ik overal en nergens zijn, zonder kompas, zonder richting, zonder geduld en volharding, zonder hoop en liefde.

 

Het antwoord van Petrus luidde:

“Gij zijt de Christus”.

‘U, Jezus, bent de Messias, de Gezalfde van God’, zei Petrus, de woordvoerder van de apostelen, van de eerste kerkgemeenschap. Dat betekent: ‘U bent de mens naar wie wij hebben verlangd, U leert ons, doet ons voor wat het is om mens te zijn; wie God voor ons is: liefde tot de dood en daardoorheen.

 

Maar Jezus waarschuwt de arme Petrus: die weg van geloof, van verlangen, de weg van Christus, het leven zelf, kan enorm pijn doen, kan veel van je vragen, een zwaar lijden. Dat is een weg van jezelf verloochenen, horen wij. Dat betekent: jezelf loslaten, jezelf geven. Dat is pas leven, innerlijk vrij.

Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie zal het redden.

Laten we daarop gefocust blijven, - gericht op Christus, vriendschap met Christus en ons door niets en niemand van zijn weg laten brengen. Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------

[1] Jesaja 50, 5-9a; Jakobus 2, 14-18; Marcus 8, 27-35


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 8/9 september 2018

                      23ste zondag door het jaar.[1]

 

Ga open

 

GEBED

 

GOD, U HEBT ONS VERLOST EN TOT UW GELIEFDE KINDEREN AANGENOMEN. ZIE IN UW GOEDHEID NAAR ALLEN DIE U ALS EEN VADER BEMINT. GEEF HUN DIE IN CHRISTUS GELOVEN DE WARE VRIJHEID EN HET ERFDEEL IN HET EEUWIG LEVEN. DOOR ONZE HEER JEZUS CHRISTUS…

 

VERKONDIGING

 

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben”.

Zo luidt de eerste zin van de liturgie van het Woord van deze zondag. In de roos die zin.

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben”.

Sommigen dreigen de moed te verliezen. Zij hebben daar ook wel reden toe en misschien geldt het af en toe ook voor u. Eerlijk gezegd, in elk geval soms voor mij. Soms kan de werkelijkheid in onze samenleving of onze kerkgemeenschap me zo overweldigen, dat ik de moed dreigt te verliezen.

 

Jesaja sprak deze woorden tot mensen die hun samenleving, eeuwen voor Christus, zagen afzakken, krachteloos worden. De leiders, de politici waren verblind en doof voor de klachten van het volk; verlamd door besluiteloosheid, niet in staat om te bewegen, alleen maar uit op zelfbehoud, met het strikt volgen van hun minitieus, zelf opgestelde regels en wetten, terwijl zij het grote perspectief van menselijkheid uit het oog verloren. Wij weten waar het op uit liep: op ballingschap, de mensen gedeporteerd naar een vreemd land, jarenlang.

“Spreek tot allen die de moed verloren hebben”.

 

Jesaja moet spreken. Daar is hij ook profeet voor. Het woord helpt. Niet dat de problemen meteen opgelost zijn. Maar het geeft een mens kracht als iemand hardop durft zeggen wat er aan de hand is. Zo knapte ik deze week een beetje op van een brief van monseigneur Gerard de Korte, de bisschop van ’s-Hertogenbosch. Aan alle gelovigen van zijn grote bisdom (het grootste van ons land) stuurde hij een brief, om de ellende binnen de kerk van de laatste weken met hun te delen, hen moed in te spreken. Eindelijk één Nederlandse bisschop die zijn mond open doet, zijn pen opneemt en de oorverdovende stilte van onze vaderlandse kerkleiders doorbreekt.

“Vat moed en vreest niet: uw God komt om de wraak te voltrekken. God komt om te vergelden en om u te redden” Ho ho, dat schreef de Korte niet. Zo krachtig als de bijbel spreekt durft een moderne bisschop niet. Overigens moet er wel iets heel krachtigs gebeuren met de kerk, anders komen we nooit meer uit de ballingschap.

Jezus pakt door, hoorden wij in het evangelie. Men bracht een doofstomme bij Hem. Men. Gelukkig zijn er mensen die zich over die doofstomme oontfermen, die de moeite nemen om hem te bevrijden uit zijn isolement. Wij kunnen wel geen wonderen doen, maar dít kunnen we allemaal: een stap zetten, iemand zien staan, meenemen, bij de hand nemen, terug brengen naar de gemeenschap. Ze smeken Jezus hem de handen op te leggen. Willen ze een dramatische, publieke genezing? Een show zoals vroeger Jomanda ze wel gaf: een openbaar vertoond wonder? Jezus doet het tegenovergestelde. “Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk”. Hoe mooi, iemand terzijde nemen. Geen algemene woorden, grote gebaren uit de hoogte, uit de verte. Hoe heerlijk, hoe genezend kan het zijn dat iemand jou, u, mij apart neemt, aandacht geeft.

 

Jezus gaat verder, Hij pakt door. Hij gaat aan de slag met deze ellendige, in zijn stil isolement opgesloten mens. Hoeveel mensen zijn dat wel niet in onze samenleving, misschien wel in onze eigen familie of vriendenkring, die nooit eens aan het woord komen, niet serieus genomen worden, domweg over het hoofd gezien? Jezus haalt alles uit de kast. Het loopt uit op een soort lichamelijke worsteling. “Hij stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan en sprak tot hem ‘Effeta’ wat betekent: ‘Ga open’.

 

Soms moet er diep in u of mij gegraven worden om het goede woord te spreken, om te kunnen openstaan voor het woord van een ander. Het kan lang duren voordat de stilte, het zwijgen is doorbroken. Maar één woord spreekt Jezus: ‘Effeta’. Het is een woord uit de spreektaal van Jezus, het Aramees. Het evangelie is oorspronkelijk in het Grieks geschreven, de internationale taal van Jezus’ tijd, zoals nu het Engels. Maar Jezus sprak Aramees. Twee woorden zijn overlevert: “Abba”, Vader, laat deze beker aan Mij voorbijgaan en Onze Vader, Abba. En dit woord: “Effeta”. Het moet zeer kenmerkend voor Jezus zijn geweest, anders was niet juist dit woord overgeleverd. ‘Ga open, verbreek jouw zwijgen, hoor, luister naar het woord van de ander. Geef je over, geef je gewonnen, sluit je niet langer op in jezelf, je teleurstelling, boosheid, je eigen gelijk, je verongelijktheid, hoe begrijpelijk ook’.

Zwijg niet om de kool en de geit te sparen. Dat geeft een onechte rust, een valse vrede, de stilte van de angst, de stilte van de dood.

Er is één zwijgen dat goed kan zijn. Het zwijgen van Jezus toen Hij vals beschuldigd werd. Totdat de morgen komt van de verrijzenis, als God het laatste woord heeft, een woord van leven.

 

De man komt weer tot horen, tot spreken. Hij wordt weer mens.

Een wonderlijke genezing? Ja, een wonder dat Jezus alles doet om ons tot menswaardig leven te brengen, aan het woord, welkom in de gemeenschap van de mensen. ‘In het begin was het woord, het woord is vlees geworden’. In navolging van Jezus worden wij gevraagd woorden te spreken die mensen bevrijden, kracht geven, nieuwe moed; de moed op te brengen voor de waarheid uit te komen, ook als je je daarmee niet meteen geliefd maakt, en te durven zwijgen als anderen dwaas en gevaarlijk aan het roepen en schreeuwen zijn.

 

Tenslotte verbood Jezus het aan iemand te zeggen wat er gebeurd was. Hij wil zich niet op het schild laten hijsen. Hij zoekt geen messiaanse status, geen verering door de mensen. Hij zoekt geen volgelingen, maar navolgers. Effeta. Mensen die open gaan, die niemand monddood maken, die spreken tot anderen die de moed verloren hebben. Mogen wij die mensen zijn. Amen.

 

Nico van der Peet

 

 -------------------------------------------

[1] Jesaja 35, 4-7a; Jakobus 2, 1-5; Marcus 7, 31-37


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1/2 september 2018

                      22ste zondag door het jaar.[1]

 

Ontucht, diefstal, moord

 

GEBED

 

Heer onze God, uiterlijke eredienst kan U niet behagen. U wilt dat wij U dienen met het hart, dat onze gaven daden zijn. In Jezus hebt U ons voorgehouden wat liefde kan doen en gerechtigheid. Geef ons kracht, opdat wij eerlijke en geloofwaardige christenen mogen worden. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

“Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord…”

U wist het allang en ook vandaag blijkt het weer waar: de liturgie is altijd uiterst actueel.

Als u en ik de soms ondraaglijke actualiteit al zouden willen ontvluchten op zondagmorgen in de kerk, Jezus maakt het ons onmogelijk. Hij drukt ons op de werkelijkheid, die soms heel mooi is en om van te genieten, en soms ondraaglijk. Vrijdagmiddag heb ik beide kanten - de verrukking en de ondraaglijkheid - weer ervaren binnen enkele uren.

Eerst vroeg in de middag een kerkelijk huwelijk, een kerk vol blijde, mooie, gelukkige mensen, een stralende bruid en een overgelukkige bruidegom.

Enkele uren later bracht ik met de secretaris van de PCI een bezoek aan een groep migranten zonder papieren, die wanhopig op zoek zijn naar een status maar al eindeloos lang wachten, nu neergestreken in de voormalige disco aan het Buikslotermeerplein: een krot, vochtig, onherbergzaam, smerig, een disco waarvan ik me herinner dat er vroeger vechtpartijen waren van jongeren met papieren, - dronken, opgezweept door de keiharde muziek, heavy metal en wat niet al.

 

De liturgie, Jezus spreekt uiterst actueel: “Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord…”

“Van de mensen”, zegt Jezus, uit het hart van de mensen in het algemeen dus. Dus niet alleen uit het hart van mensen van een bepaalde groep, cultuur, sociale klasse: nee, de mensen. Ook uit het hart van mensen van wie je ooit dacht of wilde geloven dat zij tenminste zulke dingen niet zouden doen. Wij weten beter, zeker wij katholieken.

 

Nooit was de reputatie van onze kerkgemeenschap zo beschadigd, ja vrijwel verdwenen. Onze beroemdste misdaadverslaggever omschreef de rooms-katholieke kerk als een criminele organisatie die verboden moet worden. Wij zijn met andere woorden nu wel op het nulpunt aangekomen. Zeker nu ook onder leiding van een voormalige nuntius, een aartsbisschop, openlijk de strijd is aangebonden met de paus. Een ongekende, ongehoorde actie, waardoor de eenheid van de kerk wordt bedreigd. We horen over de verdachtmaking van een paus die vijf jaar lang niets anders doet dan de kerk weer bij het hart van haar opdracht, haar roeping te brengen. Hij probeert haar weg te voeren van haar rijkdom, haar klerikalisme, haar wereldse gedrag. Laten we nog eens luisteren naar het slot van de tweede lezing, uit de brief van Jakobus. “Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en Vader is dit: wezen en weduwen opzoeken in hun nood en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld”.

 

In de namiddag van afgelopen vrijdag voelde ik me op een wonderlijke manier op mijn plaats tussen die mannen uit allerlei landen zonder papieren, in die vochtige, smerige, onderaardse wereld aan het Buikslotermeerplein, waar ik - welvarende burger - een paar keer per week met mijn goedgevulde boodschappentas langsloop. De apostel Jakobus schrijft het ons in Jezus’ Naam: daar hoort de kerk thuis, ver van het wereldse gedoe om macht en aanzien, voorschriften en wetten, rubrieken en rellen.

 

De paus, tegen wie sommige kringen in onze wereldkerk zich nu keren, is daar al vijf jaar mee bezig en als aartsbisschop van Buenos Aires was hij er al tientallen jaren mee bezig. Hij was bijna als enige bisschop niet te vinden bij de recepties van de rijken, maar wel in de sloppen van de armen. Hij wilde toen en nu de uiterlijkheden loslaten en naar de kern gaan, naar het hart van het geloof en van de mensen, van het volk van God. Hij gelooft niet erg dat het zal lukken om de machtigen van gedrag te doen veranderen. Hij probeert het bij de zogenaamde gewone mensen, het volk van God, waaraan hij twee weken geleden een prachtige brief heeft geschreven. Hij vraagt aan heel het volk van God mee te lijden met het grote lichaam van de kerk, want - zo schrijft de paus - als één lid te lijden heeft lijdt het hele lichaam. Meelijden met de slachtoffers van geweld en misbruik. Hij vraagt ons méér te bidden en te vasten dan gebruikelijk. Van onderop moet de kerk genezen. Alsof hij zeggen wil: de bovenlaag, bestaande uit de hedendaagse schriftgeleerden en farizeeën zijn toch niet in beweging te krijgen.

 

Ook Jezus vertilde zich aan farizeeën en hun schriftgeleerden. Zij waren vrome mensen, die trouw waren aan het gebed en aan de godsdienstige tradities. Zij wilden zuiver zijn, zuiver leven, zó zuiver als hun zorgvuldig gewassen vingertoppen, bekers, kruiken en koperen vaatwerk. Dat was en is ook de diepe betekenis van het koosjere eten, wassen en afwassen in de gelovige Joodse gemeenschap. Dat is heel mooi en eerbiedwaardig. Maar vroomheid kan ook buitenkant worden. Wanneer het hart niet geraakt wordt en alleen de buitenkant er maar schoon uitziet dan wordt het huichelarij, schijnheiligheid, een aanfluiting. Jezus waarschuwt er scherp tegen.

 

Wij, christenen, mogen alles eten en drinken. In onze tijd is de dokter en is de diëtiste strenger dan de priester. Dat is maar goed ook. Hoe zinvol het ook in godsdienstig opzicht kan zijn om tijden en dagen te kennen van vasten en onthouding, in de veertigdagentijd vooral en op vrijdag. Maar wat je er ook aan doet, als het maar leeft in je hart, als je er maar blij, opgewekt van wordt; als je de band met God en met Jezus en met je naasten, vooral de wezen, de weduwen, de eenzamen en de armen, er maar levendiger en warmer van wordt. Dan zullen we de storm van deze tijd hopelijk doorstaan en kan de kerkgemeenschap en haar geloof weer geloofwaardig en aantrekkelijk worden.

 

Amen.

 

---------------------------------------------------------------------------

[1] Deuteronomium 4, 1-2. 6-8; Jakobus 1, 17-19. 21b. 22. 27;Marcus 7, 1-8. 14-15. 21-23


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus,

                      Twintigste zondag door het jaar, 18/19 augustus 2018[1]

 

De tijden zijn slecht

 

GEBED

 

God, voor hen die U liefhebben, hebt U het geluk bereid dat geen oog heeft gezien. Raak ons met uw liefde, zodat wij in allen U liefhebben, en het beloofd geluk aanschouwen dat elk verlangen overtreft. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

“Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u”.

Ja, u hoort het goed, in pik net dat ene negatieve zinnetje uit ons evangelie, dat opnieuw een passage vormt uit het zesde hoofdstuk van het evangelie van Johannes: de toespraak van Jezus over het brood, waarin het natuurlijk ook gaat over de eucharistie.

Johannes schrijft deze woorden van Jezus ook op om zijn geloofsgemeenschap bij elkaar te houden. Er waren spanningen in de kerk, ook toen al. Sommigen kwámen niet meer. Zij aten niet meer aan de tafel van de eucharistie, de communie. Zij waren weggelopen, zij hielden het niet meer uit in de kerk.

 

Maar Johannes herinnert zich een woord van Jezus. Als je niet meer eet aan zijn tafel, zijn vlees niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan heb je geen leven in je, dan snijd je jezelf los van het gemeenschappelijk leven. Dan blijf je alleen achter, teleurgesteld, boos, ontgoocheld. Dat ga je niet meer te communie, dan heb je geen communie, geen gemeenschapsbeleving meer met de anderen. Het is ongetwijfeld heel goed voor te stellen dat je wegblijft, je hebt een overvloed van begrijpelijke redenen, maar hoe verdrietig is het wel niet. Johannes, de apostel, de meest geliefde leerling van Jezus zat er vreselijk mee. Twee millennia later zitten wij er nog steeds of opnieuw mee.

 

In Johannes’ tijd waren sommigen weggelopen, zij hielden het niet meer uit. Zij hadden zich geërgerd. We weten niet precies waaraan. Zij hadden vast een goed reden. Maar het gevolg is dat zij ook het contact met Jezus, de opgestane Heer verloren, zijn Communie niet meer ontvingen.

Dat is ook een van de tragische gevolgen van de crisis die wij dezer dagen opnieuw beleven, na 2002 in Boston, na 2010, onze eigen Nederlandse misbruikcrisis en nu na acht jaar in Pennsylvania. En laten we Chili niet vergeten en Ierland. Houdt het dan nooit op? Ik ben bang dat we er de komende jaren nog veel van gaan horen. Na 2002, de eerste grote uitbarsting in Boston, is er keihard beleid gevoerd, zero-tolerance. Na dat jaar zijn er dan ook weinig nieuwe gevallen bijgekomen. Maar we worden nog steeds overspoeld met de verschrikkingen van de tijd vóór 2002. De tallozen die na het misbruik dat hun levens zwaar heeft beschadigd, toen in stilte zijn vertrokken, -miskend, niet gehoord of zelfs extra vernederd-, doen nu hun mond open. Zij zijn gelukkig eindelijk mondig geworden. Zoals ook vrouwen nu mondig zijn geworden. Dat zien wij in de MeToo-beweging, die deze weken de klassieke muziekwereld van Amsterdam in rep en roer heeft gebracht. Wat een geluk dat het langzamerhand onmogelijk wordt dat daders in het geniep hun gang gaan, omdat zij macht bezitten, aanzien, een positie, als priester, als bisschop, als kardinaal, als dirigent, als functionaris in de jeugdzorg, de sport.

 

Langzamerhand beginnen wij als kerkgemeenschap het in te zien. Dat sommigen in de kerkgemeenschap onvoorstelbare misdaden hebben gepleegd. Dat zij en hun oversten bezig waren hun positie te behouden, hun zogenaamde goede naam en reputatie, maar dat zij de kwetsbare mensenkinderen om wie het moet gaan in onze gemeenschap, hebben beschadigd en dat zij Hem, om Wie het gaat in ons gelovig leven, totaal uit het oog verloren hebben en uit hun hart verbannen.

 

Zo is het gegaan in de gemeenschap van mensen, in de gemeenschap van het geloof. Dat wij Christus -zoals 2000 jaar geleden- opnieuw onze samenleving uitzetten, omdat we alleen maar bezig zijn met het in stand houden van onze organisatie, onze belangen, onze opvattingen en verhoudingen. Tot dat dieptepunt was de gemeenschap van de apostel Johannes gekomen, tot zo’n ellende dat velen waren weggelopen. Tot dat dieptepunt is ook onze wereldwijde kerk gekomen.

 

Ook al bedraagt het aantal rotte appels in de mand van de kerk enkele procenten, dan gaat het meteen over honderden personen en duizenden slachtoffers. Onze kerk is de oudste van alle kerken en zij is de grootste van alle kerken. Zij telt dan ook de meeste zondaars, de meeste criminelen. Geve God dat zij ook de meeste heiligen telt, mensen die zonder dat de camera’s het zien en zonder dat de kranten erover schrijven, zichzelf geven, hun hart en ziel, hun vlees en bloed. Zoals Jezus het heeft gedaan.

 

Laten wij zijn levende Brood, Hemzelf, vandaag weer met groot geloof, gevoel en toewijding ontvangen. Om gesterkt, ja getroost te worden. Opdat wij, zoals Paulus zegt in de tweede lezing, erop op letten hoe wij ons gedragen, als verstandige mensen, niet als dwazen, de gunstige tijd benutten, want de tijden zijn slecht.

Dat wij mogen begrijpen wat God van ons wil, van u en van mij.

Dat ieder van ons zijn of haar bijdrage levert en door onze communie met Christus en met elkaar, en door de trouwe beleving van ons geloof, de kerkgemeenschap helpen tot boete te brengen, tot bekering en genezing. Zo moge het zijn. Amen.

 

N. van der Peet

 

-------------------------------------------------------

[1] Spreuken 9, 1-6; psalm 34; Efeziërs 5, 15-20; Johannes 6, 51-58


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      Maria Tenhemelopneming, 15 augustus 2018[1]

 

GEBED

 

Almachtige, eeuwige God, Gij hebt de Moeder van uw Zoon, de onbevlekte Maagd Maria, met ziel en lichaam ten hemel opgenomen. Wij bidden U: geeft dat wij altijd bedacht zijn op wat hierboven is om eens te kunnen delen in haar glorie. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Het Kind is niet veilig, vertelt de  eerste lezing.

Het is nog niet geboren of het werd al ijlings weggevoerd…naar God en zijn troon. Natuurlijk gaat het vandaag, 15 augustus, om de Moeder. Maar zij is er, zij staat in onze aandacht, zij wordt door ons vereerd omwille van haar Kind. Vanaf het begin werd het bedreigd, door een grote vuurrode draak. Wordt hier een sprookje verteld?

 

Nee, de bijbel vertelt geen sprookjes. Integendeel, het boek Openbaring vertelt de keiharde realiteit waarin Maria en haar Kind moesten leven en vele kinderen en evenzovele moeders nog steeds moeten leven. In het boek van de openbaring van de apostel Johannes, waaruit wij vandaag hebben gelezen, wordt met de draak de meedogenloze staatsmacht bedoeld van het toenmalige oppermachtige Romeinse rijk. Het Kind, de Messias, Jezus, zal zijn leven verliezen onder het gewicht van die macht. Wij belijden niet voor niets: “Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus”, de Romeinse gouverneur van het toenmalige Palestina, het Heilig Land, zeggen wij.

 

Het Kind is niet veilig.

Daar stonden wij vandaag mee op, op deze hoogfeestdag. Met alweer een gruwelijk bericht over priesters bij wie kinderen niet veilig waren, deze keer in zes bisdommen in Pennsylvanië. We moeten het maar even noemen deze avond. Want we zitten er allemaal mee, als leden van onze wereldwijde katholieke kerk. Steeds opnieuw blijkt de draak zijn giftige kop op te steken. De Moeder, die wij vandaag vieren en eren, moet machteloos toezien. En ook wij die de Kerk vormen, die het volk van God zijn, zien betrekkelijk machteloos toe.

 

Gisteravond zat ik aan bij een maaltijd aan waarin één van de gasten een verhaal vertelde over zijn levensloop, over zijn familiegeschiedenis. Hij was één van de zes kinderen in een katholiek gezin, vier zonen, twee dochters. Zijn ouders hadden bepaald dat hij na de middelbare school gewoon binnen het familiebedrijf op het land moest gaan werken.

Maar één man in het dorp had gezien en aangevoeld dat de jongeman heel getalenteerd was. Die man was de pastoor van het dorp. Hij besloot in actie te komen en drong er bij de ouders op aan hun kind te laten studeren. Hij sprak net zo lang ten beste voor de jongen tot de ouders uiteindelijk toegaven.

Na afloop van zijn levensverhaal en van de maaltijd vertelde de man mij: zo waren er ook vele priesters, maar daar praat niemand meer over.

 

Dat is de opdracht van de Kerk, waarvan Maria het beeld, de icoon is: het kind ijlings weg te voeren, te redden van machten die het willen dwingen, manipuleren, knechten, voor het eigen karretje spannen of in het ergste geval misbruiken. Zo kennen wij Maria uit het evangelie. Als een Moeder die alle risico’s trotseert om haar Kind te redden, bij Hem te blijven, waar zijn leven, zijn roeping Hem ook brengt.

 

Vandaag, op dit grootste Mariafeest, zoomt de liturgie in op haar glorie: dat zij niet is prijsgegeven aan het bederf van de dood, maar dat zij met lichaam en ziel ten hemel is opgenomen; dat zij de eerste is die haar Zoon mag volgen in de overwinning op de dood; die haar bekroning vindt in de hemel, dat wil zeggen in Gods nabijheid.

Vandaag vieren wij de voltooiing van haar aardse levensweg en de bekroning ervan.

 

Maar het is goed ook stil te staan bij haar aardse leven. De eerste lezing over de draak, de vlucht, het in veiligheid brengen van het kind is heel goed gekozen. Zo was immers het leven van Moeder en Kind vanaf het begin. Kort na de geboorte in schamele omstandigheden moest het jonge gezin vluchten naar Egypte. Geen rustig, gelukkig leven met de pasgeborene, maar een vluchtverhaal. De Moeder moest, samen met Jozef, de toekomst veilig stellen. Zij moest het later aanzien dat haar Zoon een bijzonder keuze maakte, voortgedreven door een unieke roeping. We lezen dat zij Hem niet altijd begreep en Hem er ook over wilde aanspreken. Maar dat zij zich schikte, toen Hij toch zijn eigen weg ging. En wij horen over haar aanwezigheid in de uren van zijn bitter lijden en sterven. Zij heeft zijn weg niet altijd begrepen, maar zij is bij Hem gebleven. De opdracht van het moederschap, het vaderschap. Bij je kind te blijven wat de toekomst ook brengen zal en het te eerbiedigen waar het ook gaan zal, steeds indachtig dat uw kind uit God is geboren. Zo luidt een zin uit de doopliturgie.

 

Vandaag eren wij dankbaar Maria. Zij is het beeld van de Kerk. Dat wil zeggen: zoals zij was zou de kerkgemeenschap moeten zijn. Het wankele evenwicht bewaren. Niet het leven, de toekomst van het kind willen regisseren en in eigen hand houden, het niet dwingen. Anderzijds je kind nabij blijven, in dagen van geluk en vreugde en vooral ook in dagen en tijden van tegenslag, verdriet en lijden. Zo mogen wij Maria navolgen, opdat, zoals het gebeurde in haar leven, Christus in ons hart mag wonen, in ons groeien mag, in ons denken en liefhebben, in ons bidden en in ons werken, bij alles wat wij doen.

Opdat het Kind veilig is.

Amen.

 

-------------------------------------------------------------------

[1] Apokalyps 11, 19a; 12, 1-6a. 10ab; psalm 45; 1 Kor. 15, 20-26; Lucas 1, 39-56


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 21/22 juli 2018,

                     zestiende zondag door het jaar[1]

 

De troost van het onderricht

 

GEBED

 

Heer, wees goed voor allen die U toebehoren en schenk hun uw genadegaven in overvloed: maak hen sterk in geloof, hoop en liefde om steeds, waakzaam en trouw, uw geboden te onderhouden.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

‘Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden één gemaakt heeft’.

Paulus, die wij hoorden in de tweede lezing, gebruikt dramatische woorden. Twee werelden één gemaakt, mensen dichtbij elkaar gebracht, door zijn bloed, zijn lijden en sterven, zijn pijn en afzien. ‘Hij is onze vrede’.

Deze woorden behoren tot het mooiste wat over Jezus is gezegd en geschreven.  Het zijn bijzonder hoopvolle woorden. Het is mogelijk dat mensen bij elkaar gebracht worden, samenleven, samen werken aan deze wereld.

Die slotzin ook:

“En Hij is gekomen en Hij heeft vrede verkondigd aan u die veraf waart en vrede aan hen die dichtbij waren”.

 

Wie bedoelt Paulus?

Met de mensen van dichtbij bedoelt Hij het volk van het verbond, het joodse volk, waartoe Jezus en ook Paulus behoorden.

Met de mensen van veraf bedoelt hij de andere volken, de zogenaamde heidenen, zonder die negatieve bijsmaak die je kunt proeven in dat woord.

Die twee, joden en de andere volken, waren vanouds heel verschillend. De kinderen van Israël leefden vanuit de wet der geboden met haar verordeningen: de wet, de tora van Mozes. Een groot verschil in levenswijze met de andere volken. Joden en heidenen leefden elk in zijn eigen wereld, levenswijze en godsdienstigheid. Jezus heeft ze bij elkaar gebracht. Als een goede herder, die hart heeft voor alle mensen: “Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder en Hij begon uitvoerig te onderrichten”. Een goede herder gaat uitvoerig onderrichten.

Dat is hard werk, met de ander praten, elkaar onderrichten over ons leven, onze kijk op het leven, ons geloven, hopen en liefhebben. Dat vraagt heel veel geduld en tijd, respect en inspanning. 

 

Dat harde werk, dat liefdeswerk van het woord, het gesprek, het onderricht heeft Jezus op Zich genomen; dat heeft enorm veel van Hem gevraagd en heeft Hem uiteindelijk het leven gekost. “Door het bloed van Christus zijt gij echter, die eertijds veraf waart, thans in Christus Jezus dichtbij gekomen”. Jezus’ onderricht, zijn liefdewerk heeft zin gehad. Mensen zijn dichter tot elkaar gekomen.

Paulus schrijft dat aan Efeziërs, inwoners van een prachtige, grote stad in het toenmalige Klein-Azië, dat wij nu West-Turkije noemen. Zij waren mensen uit een totaal andere wereld dan die van Jeruzalem, Palestina, Israël. Totaal andere landen, steden, volken, manieren van leven. De persoon van Jezus heeft ze samengebracht. Zijn geloof, zijn hoop, zijn liefde.

 

De woorden van de tweede lezing gingen deze week maar door mijn hoofd, toen in ons land een storm opstak na de woorden van een dienaar van de kroon, die serieus betoogde dat dit samenbrengen en samenleven van diverse groepen mensen niet mogelijk is, niet werkt; dat iedere cultuur, volk liever apart blijft; dat het nu eenmaal niet anders is. Hij sprak zelfs over dna. Niet weinige mensen noemen die woorden realistisch.

Is dat dan de realiteit waarin wij leven, namelijk dat mensen niet bij dichterbij elkaar kunnen komen; dat de scheidingsmuur niet valt af te breken; dat verschillende culturen, manieren van leven, handelen en geloven nu eenmaal altijd van elkaar gescheiden zullen blijven?

 

Wij leven als Amsterdam-Noordelingen in een stad waar diverse culturen, godsdiensten, vlak naast elkaar wonen. U ervaart het allemaal in uw eigen straat en buurt, de één meer, de ander minder. Op mijn eigen galerij, met uitzicht op de Noordzuid-lijn die de scheidsmuur tussen Centrum en Noord afbreekt, tel ik al zes verschillende culturen.

En wij ervaren het in onze kerk. Regelmatig zijn we hier samen met vertegenwoordigers van vele verschillende bevolkingsgroepen, die elkaar niet altijd goed verstaan. Maar wij zijn hier samengebracht. Niet omdat wij elkaar al helemaal verstaan, begrijpen, aanvoelen en liefhebben.

 

Wij zijn hier samengebracht door Jezus. wij zijn hier bijeen rond zijn Woord, zijn aanwezigheid, zijn sacrament. Als Hij de scheidsmuur niet had afgebroken door in zijn vlees de vijandschap te vernietigen, namelijk de wet der geboden met haar verordeningen, dan zaten wij hier niet.

Daarom is het ook van zo’n beslissend belang dat wij naar de kerk komen; dat wij de muren van ons huis of appartement doorbreken door naar buiten de komen en elkaar op te zoeken en minimaal op zondag het lichaam van Christus te komen vormen, waarin die vijandschap alvast is vernietigd. Het is noodzakelijk zijn lichaam ook werkelijk te ontvangen of op zijn minst mee te vieren in de liturgie, om zelf zijn lichaam te worden, je te laten transformeren tot een mens die niet langer toegeeft aan die vijandschap, die door muren verdeelde wereld en samenleving.

 

Tenslotte, nog eens een keer aandacht voor die bijzondere zin uit het evangelie: “Jezus voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder; en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten”.

Mensen zonder herder, dus zonder iemand die hen begeleidt, iemand die hen een veilige weg wijst, een toekomst en een bestemming biedt.

Vanuit zijn ontroering, zijn medelijden, zijn geraakt zijn door die stuurloze mensen, die bang zijn, hongerig naar veiligheid, naar zin en toekomst, biedt Jezus onderricht.

Hij blijft niet staan bij zijn diagnose: ze zijn als schapen zonder herder, zij zijn richtingloos.

Nee, Hij geeft onderricht, richting. Hij spreekt met de mensen. Hij verdiept Zich, vanuit zijn hart, in hun leven.

Mogen wij de moed en de hoop vinden de Heer daarin na te volgen en met Hem de scheidsmuur tussen buren, volken, culturen en godsdiensten neer te halen en vrede te stichten. Zo moge het zijn. Amen.

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------

[1] Jeremia 23, 1-6; Efeziërs 2, 13-18; Marcus 6, 30-34


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 15 juli 2018,

                      Vijftiende zondag door het jaar.[1]

 

De last van veel verleden. Jezus draagt het mee. Hij heeft nog maar juist het debacle van Nazareth beleefd. De stad van zijn jeugd. Voor het eerst was Hij terug geweest. Hij had Zich verwonderd over hun ongeloof. Zij zagen Hem nog als de jongen uit de timmerwerkplaats. Zij namen Hem niet serieus zoals Hij nu geworden was. Een onthutsende ervaring: niet erkend, gewaardeerd, geacht te worden als de persoon waartoe je je ontwikkeld hebt.

 

De last van veel verleden. Wij - vooral de ouderen- dragen die allemaal met ons mee. De kinderen en jongeren gelukkig nog maar weinig. Maar toch hoor en zie je om je heen dat ook niet weinig jonge mensen de herinnering aan diep ingrijpende, verschrikkelijke gebeurtenissen met zich meedragen en met die last moeten leren omgaan. Dezer dagen denken wij aan al die vele families die een of meerdere geliefden hebben verloren bij de tragedie van de MH-17, deze week vier jaar geleden.

Of we proberen ons in te leven wat kinderen meemaken, door hun ouders meegenomen naar een ander land, op zoek naar meer vrede en een zekerder toekomst dan hun vaderland kon bieden. We zien dat landen van aankomst steeds strenger worden, harder of zelfs hardvochtig en ouders en kinderen uit elkaar halen, opsluiten. Wie bedenkt zoiets?

De last van veel verleden.

Hoe vaak heb ik de afgelopen jaren wel geen mensen gesproken die in hun kinder- of jeugdjaren slachtoffer werden van seksueel misbruik, binnen gezin of familie of binnen de kerkgemeenschap, door priesters of religieuzen. Getekende, beschadigde levens.

De last van veel verleden. Jezus draagt die last mee. Kind van ouders die met Hem op de vlucht sloegen, nog maar pas na zijn geboorte, met de dood bedreigd als Hij werd.

Onbegrip, verwerping, Hij heeft er weet van. Nog maar pas in Nazareth, zijn vaderstad, zijn moederhuis.

 

Maar Hij trekt verder. Hij zal die last omzetten in nieuwe kracht. De harde ervaring maakt Hij vruchtbaar. Hij doet er iets positiefs mee. Er staat dat Hij na de teleurstelling van Nazareth van de ene plaats naar de andere ging, in de omgeving van Nazareth, het dorp waar het misging. Een mens moet langzaam herstellen, cirkelen rond het gebeurde, rond de pijn. Door erover te spreken worden de cirkels geleidelijk wat groter, ook al gaat het nooit helemaal weg.

Maar dan zet Jezus een stap en roept Hij de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij geeft hun leven een zin, een richting, een profiel. De eerste kerkgemeenschap vormt zich. Eindelijk kunnen zij hun roeping gaan uitoefenen. Je wist al wat jouw roeping was, maar nu eindelijk word je gezonden. Apostel betekent letterlijk: gezondene.

 

De eerste gelovigen en de kerkgemeenschap moeten bij de kern blijven, tot het hart van Jezus’ opdracht, zijn missie terugkeren. Jezus wil zo min mogelijk bijzaken: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in the pocket. Alleen een stok en sandalen. Dus alles wat jouw last verzwaart en jouw voortgang vertraagt, mag je achterlaten, loslaten. Heel de last van het verleden. Maar wat je helpt bij het gaan, bij het voortgaan, het verder trekken: de stok waarop je kunt steunen en waarmee je de gevaarlijke dieren of mensen op afstand kunt houden, mag je meenemen, en de sandalen die jouw lopende voeten ondersteunen mag je aantrekken.

 

Twee aan twee heeft Jezus hen uitgezonden. Geen individualisme dus. We hebben juist elkaar nodig. “Hij gaf hun macht over de onreine geesten”. Door ons doopsel en ons vormsel hebben wij die macht ontvangen. Om onze mond open te doen tegen alle onzin, alles wat onrein is, wat niet koosjer is, niet deugt, de harde schreeuw van het materialisme, de verslaving aan het geld, de minachting van de vluchteling, de vreemdeling, de kleine man en vrouw, de armen. Wij hebben de macht en het gezag gekregen om een tegenstem te laten horen, een tegenwicht te bieden. Zoals Amos in onze eerste lezing. Hij was geen officiëel aangestelde profeet, maar hij deed zijn mond toch open. Hij praatte de regering, de koning, het establisment niet naar de mond. Hij zocht niet naar goedkeuring, maar leefde en sprak uit zijn innerlijke overtuiging, zijn hart.  Zo moge het ook bij ons zijn; dat wij leven en spreken bevrijd van de last van het verleden, als mensen die door Jezus gezonden zijn om het evanglie, de blijde boodschap van Gods liefde te verkondigen. Zo moge het zijn. Amen.

 

N. van der Peet

 

-------------------------------------------

[1] Amos 7, 12-15; Efeziërs 1, 3-10; Marcus 6, 7-13


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 1 juli 2018, dertiende zondag door het jaar[1]

 

Het kind is niet gestorven

 

GEBED

 

Barmhartige Vader, uw Zoon Jezus is omwille van ons arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. Geef ons dat wij de liefdedaad die Hij in deze wereld is begonnen voortzetten, door de inspiratie van uw heilige Geest.

Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

De tweede lezing, de apostel Paulus aan de Korintiërs, is een grote troost voor penningmeesters van parochies en voor de pastores die collectes moeten aankondigen en de actie Kerkbalans moeten aanbevelen.

De lezing vormt een deel van een bedelbrief. In meerdere parochies die Paulus zelf gesticht heeft, bedelt hij geld bijeen voor de medegelovigen in Jeruzalem en wijde omgeving. Daar leven vooral arme gelovigen. Sommigen leven zelfs in bittere armoede. Paulus, met zijn wereldwijde netwerk, heeft hen beloofd geld bijeen te brengen, ook als een middel tot onderlinge verbondenheid in geloof, over grenzen heen. De gelovigen uit het Heilig Land zijn straatarm, de christenen van Korinte zijn welgesteld, sommigen zelfs steenrijk. Paulus heeft veel ruzie met de inwoners van de welvarende handelsstad Korinte. Zij zijn eigenwijs, op het arrogante af; ze weten alles beter en komen tegen het apostolisch gezag van Paulus in opstand. Ze willen geen solidariteit met andere gemeenschappen, ze blijven liever geheel op zichzelf. ‘Waarom moeten wij, die zo’n fijn lopende parochie hebben, die wij onze eigen centen onderhouden, dat arme Jeruzalem op sleeptouw nemen?’

 

U hoort het, er is vandaag niets nieuws onder de zon. Ook nu huiveren rijke parochies de arme op de been te houden. ‘Straks gaan we nog met z’n allen de financiële afgrond tegemoet!’

Gelooft u me, soms weet je niet wat je hoort en meemaakt!

 

Paulus gebruikt het armoedeprobleem van de gelovigen in Jeruzalem en de rijkdom van die lastige en op zichzelf gerichte Korintiërs, om enkele werkelijk prachtige en ontroerende zinnen te schrijven over de armoede van Christus. ‘Jezus is om uwentwil arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u rijk zou worden door zijn armoede’. Paulus vraagt een liefdewerk van de Korintiërs, een zak geld voor de armen, met verwijzing naar Jezus, de Zoon van God, die rijk was aan de rechterhand van de Vader, maar die alle eer en rijkdom losgelaten heeft; ‘Hij heeft zichzelf vernederd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan ons gelijk geworden’: zijn liefdedaad, zijn passie voor ons. Hij gaf zijn leven voor ons als losgeld, als verlossing: leven zelfs door de dood heen. Van ons wordt alleen geld gevraagd om de nood van onze medemensen te lenigen.

 

Paulus is ziedend! Wat heeft Jezus’ passie, zijn armoede - waardoor wij verrijkt zijn, bevrijd uit zelfzucht en zonde - eigenlijk voor jullie betekend? Zijn jullie wel veranderd, nieuwe, royale mensen geworden, of verkeren jullie nog in het egoïsme, waarin deze wereld dreigt weg te zinken.

 

De liefdedaad van onze Heer Jezus Christus.

Wij zien die aan het werk, operationeel zoals wij tegenwoordig zeggen, in ons evangelie: twee verlossende liefdedaden kunstig inééngevlochten.

Twee zeer uiteenlopende mensen zoeken Jezus’ nabijheid. Eerst de overste van de synagoge. Een man voor wie ruimte wordt gemaakt. Iedereen gaat voor hem opzij. Hij is een man van aanzien, een man van geloof. Hij beheert de synagoge, het leerhuis, het gebedshuis.

Hij is in grote nood. Zijn dochtertje kan elk ogenblik sterven. ‘Kom toch haar de handen opleggen’.

Wat een drama. Bestaat er wel iets ergers dan de dood van je kind? Ze is nog maar twaalf. Maar ook: al twaalf. Dat is de leeftijd in de geloofsgemeenschap van Israël waarop het kind godsdienstige volwassenheid bereikt: bar mitzwa;

en in onze dagen, in liberaal-joodse kringen, voor de meisjes bath-mitzwa: zelfstandig lezen uit de Wet van Mozes, de Tora.

Dan kan het kind, zoals wij na de genezing van het meisje ook lezen, vrij en rechtop rondlopen, wandelen in de weg van de Heer.

 

En dan de liefdedaad van Jezus voor die vrouw. Die stille, aangrijpende figuur. Voor haar, de vrouw, gaat niemand opzij. Twaalf jaar leed zij aan bloedvloeiing. Verzwakt was ze, geen dokter kon haar helpen. Onrein was zij in de ogen van haar medegelovige. Toch raakt zij Jezus aan. Alsof zij weet en gelooft: deze Man heeft al mijn onreinheid overwonnen, Hij draagt mijn ziekte weg. Hij is daarbovenuit, Hij is het te boven: de verdeling van de mensheid in rein of onrein, man of vrouw, rijk of arm.

 

“Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”. Wellicht doelt de vrouw op de gebedsmantel die orthodoxe gelovigen onder hun gewone kleding droegen en nog steeds dragen. De mantel die vrome joden dragen wanneer zij bidden. Zij vertrouwde op het gebed van Jezus. Zij raakt Hem aan, in zijn band met God, in zijn goddelijkheid.

Daardoor doorbreekt zij in stilte haar isolement, die onverdraaglijke eenzaamheid waartoe zij al twaalf jaar lang veroordeeld was, waartoe mensen, gelovigen ook elkaar kunnen veroordelen. Zij siddert als Jezus vraagt wie Hem heeft aangeraakt. Hij had immers kracht uit Zichzelf voelen wegvloeien. Jezus prijst haar, bevestigt haar in haar gelovige moed Hem -de reine, de enige mens zonder schuld- te durven aanraken.

Hij zegt haar, na haar genezing, niet: ‘Ik heb u genezen’, maar

“Dochter, uw geloof heeft u genezen”, uw vertrouwen, uw durf, uw vastberadenheid.

 

‘Dochter’, noemt Jezus de vrouw. De Zoon van God staat naast deze Dochter. Zij wordt door haar geloof genezen van haar isolement, uit haar in zichzelf opgesloten leven. Zij, de dochter, mag naast de Zoon staan, in zijn gemeenschap.

Ook de andere dochter, die van Jaïrus wordt genezen. De dood had geen macht over haar.

“Het kind is niet gestorven, maar slaapt…”

Doch ze lachten Hem uit.

Hoezo, ‘zij slaapt’.

De mensen zeggen: ’Dood is dood’.

 

“Talita Koemi…Meisje sta op.”

Jezus trekt beide dochters uit hun isolement, uit het gebied van de dood.

Ze worden dochters van God.

Wij kunnen zusters en broeders van elkaar worden. Erin leren geloven dat een nieuw bestaan mogelijk is.

De liefdedaad van Jezus ons eigen maken.

Elkaar raken en het liefdewerk dat Jezus ons heeft voorgedaan in onze tijd voortzetten, van onze rijkdom uitdelen. Dat zal de armoede van onze naasten verlichten en onszelf verrijken. Zo moge het zijn. Amen.

 

 

--------------------------------------------------

[1] Wijsheid 1, 13-15; 2Kor. 8, 7+9+13.+15; Marcus 5, 21-43