Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Pinksteren, 9 juni 2019[1]

 

Open-geblazen deuren

 

Zou het ooit nog lukken elkaar te verstaan? Krijgt de heilige Geest de kans om mijn zorgvuldig opgebouwde ego omver te blazen, mijzelf te leren relativeren? Het zal de Geest niet meevallen. Onze ego’s worden in ons sociale media-tijdperk uitvergroot. Wij leven met onze persoonlijke bucket-list. Ik wil mijn ding doen. Maar wat als al die dingen zijn gedaan?

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, de kring van vijftig dagen is voltooid waarin het paasmysterie werd ontsloten. Verleen dat de mensen die elk in eigen taal hun eigen wegen gaan, weer tot elkaar komen in het belijden van uw Naam: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft…

 

 

 

VERKONDIGING

 

“Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op de zelfde plaats”.

Wie zijn die ‘allen’?

Die allen zijn de elf overgebleven apostelen, Maria en de broers van Jezus en de nieuwe apostel, die na de dood van Judas het twaalftal weer vol maakt, Mattias. Daar zitten zij in het huis: de twaalf leerlingen, Maria en overige familieleden. Hoe moet het verder? Na de hemelvaart van Jezus zijn zij aan hun lot overgelaten. Mogelijk herinneren zij zich de belofte van Jezus, gedaan vlak voor zijn hemelvaart, dat zij kracht van boven zullen ontvangen.

Daar zitten zij, min of meer veilig in hun huis, de deur dicht. Zo zag die eerste kerk eruit. Zij lijkt wel een beetje op de onze. Na alles wat is gebeurd, nu wij, zoals die eerste leerlingen, zoveel hebben verloren aan stevige overtuigingen en machtige bezittingen, aan duidelijke theologie waarin alles vast lag, nu blijft de kerk ook liever thuis. Houden wat we nog hebben. De deur zoveel mogelijk op slot. Dat is veiliger. Je weet maar nooit wie er binnen komt.

 

Enkele dagen geleden, de ochtend na de tweede nacht van hevige onweer, regen en wind, liep ik ’s morgens vroeg de kerk in. De sfeer, het gevoel was anders dan normaal. Al gauw zag ik de grote glazen deuren van de kerk openstaan. De avond tevoren had ik het wat weerbarstige slot kennelijk niet goed dichtgedraaid. De wind had zijn kans gegrepen en de zware deuren opengeduwd. Niet veel aan de hand. Het hek was gesloten. Een man, die wel eens bij de staat had gelogeerd, bekende mij laatst dat, hoe mooi hij het hek ook vond, het hem wel aan de gevangenis deed denken. Door de storm bewogen, opengestoten deuren. De aanblik maakte me blij. Die kerk ook met al haar hekken en sloten en geblokkeerde deuren.

 

De heilige Geest laat dat gezelschap in het afgesloten huis geen rust. “Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak, een heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van”. Er was vuur, ze werden vol van Geestkracht, vervuld. Ze namen het woord, zij werden verstaanbaar in alle talen van de wereld.

 

Jezus was geboren en getogen in een godsdienst (waaraan Hij tot het einde trouw gebleven is), die bijzonder op de letter was, de letter van de wet en de uitleg van die wet, de tora. Geen kwaad woord daarover. Maar die trouw aan de letter van wet, woord, voorschrift en uitleg kon zo ver gaan dat die wet en dat woord met meer zorg werden bewaakt dan de mensen voor wie deze wet een hulp moest zijn, een weg naar leven in vrede en vreugde, naar redding, verlossing uit gevangenschap en onderdrukking. Een wet, een woord nauwelijks verstaanbaar voor gewone mensen en nog minder voor buitenstaanders.

 

Ook wij zijn opgegroeid in een kerk met de vele prachtige woorden, woorden van de heilige Schrift en van de eerbiedwaardige traditie van vele eeuwen, woorden ook van een canoniek wetboek dat elk hoekje, elke centimeter van het kerkelijk, gelovig leven beschrijft, regelt, en procedures heeft vastgesteld voor als iets menselijk fout gaat, als een mens ontspoort in de complicaties van zijn levensgeschiedenis. Alles is in regels en procedures gevangen. Er zijn mensen die meteen het juiste wetsartikel met nummer en al weten op te noemen, uit het hoofd. Een kerk, zo goed geregeld, zo goed beschermd tegen het toeval, het onverwachte, dat de storm wel heel hevig moet worden om de afgegrendelde deuren te kunnen openwaaien.

 

Wat geldt voor de kerk geldt ook voor mij en misschien ook voor u. Ook wij leven misschien wel figuurlijk gezien in een afgesloten huis. Ook mijn hart is wellicht stevig afgegrendeld. Wij leven in een tijd waarin de tegenstellingen tussen groepen, culturen, politieke partijen, levensbeschouwingen en godsdiensten steeds groter worden. Mijn uitleg, mijn vertaling is de beste en die zal ik laten horen. Zou het ooit nog lukken elkaar te verstaan? Krijgt de heilige Geest de kans om mijn zorgvuldig opgebouwde ego omver te blazen, mijzelf te leren relativeren? Het zal de Geest niet meevallen. Onze ego’s worden in ons sociale media-tijdperk uitvergroot. Wij leven met onze persoonlijke bucket-list. Ik wil mijn ding doen. Maar wat als al die dingen zijn gedaan?

 

Paulus (in de tweede lezing) is optimistisch. De geest die wij ontvangen hebben zal ons bevrijden van alle slaafsheid aan ons eigen ego, onze zelfzucht. We worden pas echt mens als wij van onszelf bevrijd worden; als we naar buiten gaan, zoals Maria en de apostelen deden, moeite doen verstaanbaar te worden, proberen de anderen te verstaan, ons met de ander te verbinden, je zelf te geven, hoeveel moeite dat ook kost.

 

Bidden we vandaag dat wind van Gods heilige Geest onze deuren openwaait en ons eindelijk vrij maakt. Amen.

 

Nico van der Peet

 

--------------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 2, 1-11; Romeinenbrief 8, 8-17; Johannes 14, 15-16. 23b-26


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 2 juni 2019, zevende zondag van Pasen[1]

 

 

Wij zijn zoekende mensen, om wie God zich bekommert. Die golven van liefde die wij voelen, ondervinden, ontvangen en geven, hebben wij niet zelf kunnen bedenken, die gaan ons biologisch primaten-bestaan verre te boven. Zij zetten voor ons de hemel op een kier, zij zijn de weg naar God.

 

GEBED

 

God, wij belijden dat Christus bij U is in heerlijkheid en de Verlosser is van alle mensen.

Luister naar ons bidden:

dat de Heer bij ons blijft tot in de vervulling van de tijden,

zoals Hij ons heeft toegezegd, Jezus onze Heer. Die met U leeft…

 

 

VERKONDIGING

 

“Wat is uw achtergrond?” vroeg mij de eigenaar van de cartridge-winkel, waar je inkt-vullingen kan kopen voor de printer. Ik kom al tien jaar in zijn zaak, zolang hij er is. Een aardige man met een Maastrichts accent, die graag en boeiend kan spreken over zijn vak, de wereld van de computer, die ik wel met vallen en opstaan kan gebruiken, maar bijna niet doorgronden. Hij weet alles en legt geduldig en nauwgezet uit. Na tien jaar vroeg hij me (er waren geen andere klanten in de winkel, misschien durfde hij het daarom te vragen): “wat is uw achtergrond?” Langzaam leidde ik mijn antwoord in. “Ik zit in een heel andere sector, zeg maar de religieuze”. Maar ja, dan moet je er toch mee voor de draad. En ik zei wat ik doe en wie ik ben. Uiteraard is hij, de Maastrichtenaar ook katholiek…van huis uit. “Dat begrijpt u wel”. Heel goed begreep ik het eerste, maar dat laatste “van huis uit” moest ik dan ook maar begrijpen. In drie woorden maakte hij me duidelijk dat hij geen voet meer in een kerk zet. “Maar ja”, zei hij, “de mensen blijven zoeken tegenwoordig, dat is toch wel apart”. Mijn antwoord: “Ik denk dat dit zoeken bij het mens-zijn hoort”. Met een verre blik beaamde hij het.

 

Mijn computer-steun en -toeverlaat heeft het goed gezien: alle mensen zijn zoekers. Juist als wij denken alles gevonden te hebben, ons leven op orde, alle uithoeken van het internet te kennen en alle mogelijke vakantiebestemmingen te hebben gezien, merken we dat wij innerlijk onvoldaan zijn, verder willen reiken. Is dit alles?

 

Een van de meest deprimerende boeken, romans die ik ooit heb gelezen, over een man die na een korte periode van geluk en liefde in grote eenzaamheid terecht komt en de hardheid en het individualisme van onze westerse cultuur ondervindt, eindigt, tot mijn grote verbazing en vertroosting, met de volgende woorden:

 

“In werkelijkheid bekommert God zich om ons, Hij denkt elk moment aan ons en geeft ons aanwijzigingen, soms heel nauwkeurige. Die golven van liefde die in onze borst opwellen en ons de adem benemen, de ingevingen en extases, waar onze biologische natuur, onze eenvoudige primaten-status geen verklaring voor kan bieden, zijn uitzonderlijk heldere tekenen.

En ik begrijp nu het standpunt van Christus, de ergernis die al die ongevoelige harten steeds bij hem wekken: ze hebben alle tekenen, en ze trekken zich er niets van aan.”[2]

 

Wij zijn zoekende mensen, om wie God zich bekommert. Die golven van liefde die wij voelen, ondervinden, ontvangen en geven, hebben wij niet zelf kunnen bedenken, die gaan ons biologisch bestaan verre te boven. Zij zetten voor ons de hemel op een kier, zij zijn de weg naar God.

 

In de eerste lezing horen wij dat Stephanus de hemel open ziet en Jezus, ten hemel opgevaren, staande aan Gods rechterhand. Deze eerste diaken, deze zoeker, man die alles gaf voor de armen, wiens leven zin had gekregen door de persoon van Jezus, ziet door alle teleurstelling heen. Evenals Jezus deed aan het kruis, bidt hij in doodsnood voor zijn vijanden, zijn beulen.

We horen ook Jezus bidden, in zijn laatste gebed, vlak voordat Hij gearresteerd wordt. Hij sloeg zijn ogen ten hemel. Aan de aarde hebben wij niet genoeg, ook al wil onze westerse cultuur ons dat doen geloven. In die vreselijke laatste avond van zijn aardse leven ziet Jezus toekomst. Mogen allen een zijn, zoals U, Vader in Mij en Ik in U”. Ons aardse, lichamelijke bestaan mag dan broos en kwetsbaar zijn, er is een band, een vriendschap, een liefde die daarboven uit gaat, die sterker is dan het geweld van deze wereld, sterker dan de dood.

 

Deze zondag tussen hemelvaart en Pinksteren wordt ook wel de wezenzondag genoemd. Na de hemelvaart van Jezus blijven wij achter in een vaderloze wereld, moederziel alleen. Wij zijn zoekers, zoals mijn computerman, zoals ik zelf. Wij kunnen het internet tot in zijn uithoeken verkennen. wij kunnen reizen naar de meest afgelegen bestemmingen. Laten we de reis naar ons hart niet vergeten. “Die golven van liefde die in onze borst opwellen en ons de adem benemen, de ingevingen en extases, waar onze biologische natuur, onze eenvoudige primaten-status geen verklaring voor kan bieden, zijn uitzonderlijk heldere tekenen” van God. Om het met sint Augustinus te zeggen: ‘Onrustig, overal zoekend, ongedurig is ons hart totdat we rust hebben gevonden in God’. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 7, 55-60; Apokalyps 22,12-14. 16-17.20; Johannes 17, 20-26

[2] Michel Houellebecq, Serotonine, Amsterdam 2019, pagina 303


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                      26 mei 2019, zesde zondag van Pasen[1]

 

Gelooft u mij, je wordt er soms een beetje moe van: een kerk die almaar bezig is met beleidsstukken, om de toekomst te plannen. Met die stukken worden gemeenschappen de maat genomen. Dat is wel een beetje begrijpelijk, want de kerk moet redelijke besluiten nemen. Maar je kunt ook doorslaan en niet meer openstaan voor het onverwachte, het totaal nieuwe dat je in je stoutste dromen niet had voorzien. Dat heerlijk nieuwe en onverwachte - als een onverdiend geschenk, als pure genade - gebeurde in Antiochië in Syrië.

Nieuwelingen en oude getrouwen

 

De eerste lezing uit het boek Handelingen van de Apostelen verhaalt over een ook voor ons zeer actueel thema: hoe gaan we om met de diversiteit van   de geloofsgemeenschap? Moeten nieuwelingen zich aanpassen aan de oude, geldende regels van de gemeenschap? Moeten zij worden zoals wij of mogen wij allen veranderen? Zoals wij ook hebben gedaan vijf jaar geleden toen alle gemeenschappen in Noord samenkwamen in dit ene huis? Moeten de nieuwelingen zich aanpassen of moet de kerkgemeenschap als geheel, de oude getrouwen en de nieuwelingen samen zich aanpassen?

 

Volgens een groep rechtzinnige gelovigen moesten de mannelijke nieuwelingen, niet-Joden zich laten besnijden. Zo was de leer van Mozes: zonder besnijdenis hoorde je niet bij het volk van het verbond, de vriendschap met God en de medegelovigen. Zo is het nog steeds in het jodendom en ook in de Islam.

 

Maar in de kosmopolitische, grote stad Antiochië in Syrië was iets volkomen onverwachts gebeurd. Ook niet-joden, mensen uit diverse volken en culturen werden lid van de eerste christengemeenschap. Wat moeten we aanvangen met dit onverwachte, wat wij niet hadden voorzien in onze kaski-rapporten en bisschoppelijke beleidsstukken?

Gelooft u mij, je wordt er soms een beetje moe van: een kerk die almaar bezig is met beleidsstukken, om de toekomst te plannen. Met die stukken worden gemeenschappen de maat genomen. Dat is wel een beetje begrijpelijk, want de kerk moet redelijke besluiten nemen. Maar je kunt ook doorslaan en niet meer openstaan voor het onverwachte, het totaal nieuwe dat je in je stoutste dromen niet had voorzien. Dat heerlijk nieuwe en onverwachte - als een onverdiend geschenk, als pure genade - gebeurde in Antiochië in Syrië.

 

De orthodoxen zeiden: ‘Niets mee te maken. We moeten gewoon het oude beleid toepassen. Al die vreemde mannen uit allerlei volken moeten zich aan onze regels houden en zich laten besnijden. Anders horen ze er niet bij. Hoezo de voorzienigheid, het onverwachte ingrijpen van God? Wij, kerkelijke mensen en leiders, bepalen hoe de Geest waait en waar Hij waait.’

 

Barnabas en Paulus, die zelf een letterknecht was geweest en daar heel onuitstaanbaar en ongelukkig van was geworden, wilde deze mentaliteit niet meer en ging de strijd aan. Hij wist een dialoog, een open gesprek mogelijk te maken, ruimte voor de Heilige Geest. Over de strijdvraag gingen zij geduldig in gesprek en bovenal gingen zij naar elkaar luisteren en naar de wil van de Heilige Geest. Dat vraagt tijd, geduld, nederigheid, respect.

 

Hoe ga je met het onverwachte om, in je persoonlijk leven, in de kerk en in de samenleving? Schiet je in verkramping, de letter van de wet of durf je kwetsbaar te worden, je open te stellen voor de Geest?

Toen, aan het begin van de kerkgeschiedenis in Jeruzalem en Antiochië en nu klampen sommigen zich vast aan het staand beleid. Mensen bevriezen tot onbeweeglijkheid en rigorisme. Anderen accepteren de onzekerheid, durven wat hun ooit zekerheid gaf los te laten, gelovig, vertrouwend, bescheiden, nederig.

 

We horen in de eerste lezing het eerste kerkelijke besluit, genomen op het eerste concilie, in Jeruzalem. Let op de prachtige, verrassende woorden die een wereld van vertrouwen en hoop opent: “De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke…”

Natuurlijk, er moeten regels zijn. Maar niet méér dan het strikt noodzakelijke. Regels moeten ons met elkaar verbinden en niet mensen uitsluiten. Regels zijn een uitnodiging tot navolging van Jezus en verbondenheid onder elkaar. Geen juk om anderen te kneden naar jouw beeld en ideaal.

 

De tweede lezing, uit de Apokalyps, de openbaring van Johannes, ziet het ideaal verwezenlijkt, er zijn geen muren meer, God verlicht alle mensen, zelfs de tempel is niet meer nodig. En op de zondag voor hemelvaart horen wij de laatste woorden van Jezus, vlak voordat Hij wordt weggenomen, gearresteerd. In dat uur van opperste verwarring en doodsangst spreekt Jezus over…vrede, slalom.

 

De woorden die de priester altijd bidt vlak voor de vredewens, evenals Jezus aan de tafel van zijn maaltijd, waarin Hij zijn levensoffer viert: “Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u”. Niet de vrede die wij bedenken of anderen opleggen. Niet het soort van beleid dat de wapens laat zwijgen maar de onvrede zo lang mogelijk onder tafel houdt. Een slappe vrede waarvan niemand gelukkig wordt. Maar de vrede, de sjalom die Jezus geeft, waarvoor Hij Zichzelf, zijn lichaam en bloed heeft gegeven. Moge die vrede ons vervullen en bevrijden. Amen.

 

-------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 15, 1-2. 22-29; Apokalyps 21, 10-14. 22-23; Johannes 14, 23-29


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Vierde zondag van Pasen,

                     11/12 mei 2019 Roepingenzondag

 

GEBED

 

Almachtige eeuwige God, leid ons binnen in de gemeenschap waar uw vreugde heerst. Laat de kleine kudde komen tot bij de herder, die met de inzet van zijn leven is voorop gegaan: Jezus Christus onze Heer. Die met U leeft en heerst…

 

VERKONDIGING

 

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem”.

We horen vandaag over Jezus als de herder, die zijn schapen roept, bij elkaar houdt. Een herder doet de hele dag niets anders dan zijn kudde in het oog houden, bijeen houden, roepen.

 

Het valt niet mee de kudde bij elkaar te houden, nu niet en in het begin ook niet. U hoorde de dramatische eerste lezing uit het boek Handelingen der Apostelen, zeg maar het eerste geschiedenisboek van de kerk. De ene geloofsgemeenschap valt in stukken uiteen. Er is onenigheid, jaloezie. Naar de apostelen, zelf joodse mannen, luisteren de mensen gretig. Andere joodse gelovigen worden kwaad en afgunstig. Onenigheid, scheuring zijn het gevolg.

 

Dat gebeurde in het begin en ook nu weer. Meer dan ooit wordt de onenigheid in de kerk hardop uitgesproken. De paus is vastbesloten de kerk te hervormen. Deze week nog nam hij maatregelen om het misbruik hard aan te pakken.

Hij slaat een nieuwe koers in. De leiding van de kerk niet als politieagent, maar als herder op zoek naar de meest kwetsbare schapen. Hoge geestelijken, die hun verheven positie in gevaar zien, bestaan het de paus te beschuldigen van ketterij. Maar hij blijft rustig, doelbewust en incasseert de tegenstand, de oproer.

“De schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven.” Franciscus verdraagt de onrust, de tegenspraak van de krant en tweets en houdt zijn oog en hart gericht op de langere termijn: “Ik ken de schapen en ze volgen mij. Ik geef hun eeuwig leven”. Zo laat hij zien wat het betekent plaatsbekleder van Christus te zijn: geen verheven priester-koning zijn, maar herder die zichzelf op het spel zet en de wolven in het bos laat huilen.

 

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem”.

Het is vandaag roepingen-zondag.

Jezus blijft roepen. De eeuwen door begeleidt Hij zijn kudde, zijn kerk en wacht Hij op mensen die luisteren naar zijn stem.

Hoe kun je zij stem horen?

Hoor je opeens in de stilte van de nacht een stem?

Dat lijkt me nogal beangstigend.

Zeker, er zijn mensen geweest die heel persoonlijk zijn aangesproken, uitzonderlijk. Maar zij getuigen dat er nooit angst was, maar altijd vrede en blijdschap bij zo’n verschijning. Het roepen van Jezus, Maria, heiligen geeft vrede. Als het onrust, angst veroorzaakt moet je het wantrouwen.

 

Maar meestal worden mensen geroepen gewoon in het dagelijks leven, door de stem, het beroep dat andere mensen op hen doen. En dan is het goed bij jezelf na te gaan wat dit bij jou oproept. Word ik er blij van, geeft het me innerlijke rust of juist verwarring, onrust? Om te ontdekken of deze roeping van de de Goede Herder komt, om jouw roeping op het spoor te komen, moet je geduld hebben, de tijd nemen; is er tijd nodig van bezinning, beschouwing, gebed: vragen aan God om verlichting, helderheid, inzicht.

 

Geduld, bezinning, gebed zijn activiteiten die onder druk staan. We leven in een gejaagde tijd, waarin we gewend zijn met behulp van google onmiddellijk een antwoord te krijgen. We haasten ons naar de computer en de smartphone, maar vergeten te kijken naar wat er op het scherm van ons innerlijk, ons hart te lezen valt.

 

Meestal roept de Heer door mensen, soms door hun woorden, vaak door hun voorbeeld. Op deze Moederdag mag je dan op de eerste plaats denken aan het voorbeeld van je ouders, je moeder. Zij riep je al toen je nog in de moederschoot was. Later zijn er anderen die je boeien, die een voorbeeld zijn. Ik herinner me uit mijn kinderjaren een priester in onze parochie in Haarlem-Noord. Te midden van alle beroering van de kerk van de zestiger jaren bleef hij rustig, ging hij gefocust zijn weg, dichtbij de mensen, dichtbij God, een biddend mens. Een voorbeeld dat ik nooit vergeten ben, een voorbeeld dat mijn leven richting heeft gegeven.

 

De tweede lezing van vandaag ziet Jezus niet zozeer als herder maar als Lam. “Het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen”. Jezus is geen afstandelijke herder, die heerst over de kudde. Hij werd ook zo weerloos als een Lam, dat zelfs werd geslacht. Wij bidden het in paastijd in elke prefatie: ‘Want ons paaslam, Christus, is voor ons geslacht.’

Een herder die als een lam de hardheid van anderen kon incasseren. Hij is geworden als het jongste dier van de kudde. Zo roept Hij ons, zoals wij zijn, met onze sterke kanten en onze kwetsbaarheid.

Laten wij: de moeders, en vaders, opa’s en oma’s, de jongeren, de senioren, de pastores en alle gelovigen, onze roeping trouw blijven, verdiepen, verrijken, in navolging van Jezus, goede Herder en weerloos Lam tegelijk. Amen.

 

Nico van der Peet


Verkondiging derde zondag van Pasen, 5 mei 2019[1]

 

 

GEBED

 

God, nieuwe levenskrachten hebt U in uw volk gewekt. U hebt ons in ere hersteld en tot uw kinderen aangenomen. Laat ons U steeds in vreugde hierom loven en doe ons uitzien naar de dag van de verrijzenis, de vervulling van al wat wij verwachten.

Door onze Heer…

 

VERKONDIGING

 

Over het avontuur van de liefde horen wij vandaag. Mensen bouwen in een periode van jaren aan een band met elkaar, een band van verliefdheid, liefde, hechte verbondenheid. Tot een dag van beproeving komt. Is de vriendschap, de liefdesband daartegen bestand?

 

Vandaag horen wij het verhaal, het aangrijpende verhaal van de verschijning van Jezus, de verrezen Heer, aan zijn voornaamste apostel, leerling, vriend: Simon. Zo was de naam die hij van zijn ouders had ontvangen. Simon, zoon van Johannes. Maar Jezus had hem een nieuwe naam gegeven, een nieuwe identiteit. De vriendschap, de liefde van een mens, het vertrouwen dat de ander in jou stelt, geeft je een nieuwe identiteit, gesymboliseerd door die nieuwe naam. Simon Petrus. Voortaan heet Simon Rots, Petrus, man op wie Ik kan bouwen.

 

Wij weten hoe het is afgelopen. In het meest spannende uur uit Jezus’ leven heeft Petrus Hem verloochend, in de steek gelaten: ‘Ik ken hem niet’.

Je ziet dat gebeuren. Mensen die onder vuur liggen, komen alléén te staan. Stap voor stap verwijderen mensen, die eerst vrienden leken, zich van zo iemand, bevreesd voor hun eigen hachje. Straks ben ik ook nog uit de gratie van de bisschop, als ik die priester die onder vuur ligt blijf steunen en voor hem blijf opkomen.

Jezus stond uiteindelijk alleen. Driemaal had Petrus, de Rots, gewankeld en tenslotte was hij gevallen.

 

Wij treffen Petrus na de kruisdood en verrijzenis aan bij zijn oude stiel. Hij is terug thuis, in het Noorden, ver van Jeruzalem, bij het meer van Galilea, waar Jezus hem het eerst had gezien en had geroepen. Hij is terug gegaan naar zijn roots. Zoals wij misschien ook wel doen als wij in crisis zijn. Waar kom ik vandaan, waar sta ik nu, waarheen zal ik gaan? Een mens op zijn kwetsbaarst. Simon Petrus pakt zijn leven weer op. De eerste kerkgemeenschap van Jezus is gehavend. Er zijn niet twaalf apostelen, maar slechts zeven. Komt het ooit nog goed met de kerk? Op paaszondag kreeg ik een app-je van een studievriendin, getrouwd, moeder, wonend in het buitenland. Ze schreef behalve om mij zalig Pasen te wensen, ook om haar meeleven te uiten: 'houd je het nog wel vol? alles loopt terug!’ Ik was verbijsterd. Zeker, de kerk is kleiner geworden. Maar de Heer is er. Hij laat mij, Hij laat ons, zijn kleine, gehavende kerk niet in de steek. Na die lange nacht waarin wij niets gevangen hebben op dat uitgestrekte, aan storm en noodweer blootgestelde bestaan in het kerkschip, staat Jezus, de verrezen Heer aan de oever.

 

Ze herkenden Hem eerst niet. De verrezen Jezus is helemaal anders, helemaal nieuw, op het eerste gezicht onherkenbaar. Hij is er.

Maar wij? Hebben wij wel oog en hart voor zijn aanwezigheid. Hij heeft al een maaltijd, vroeg in de morgen gereed. Ook voor ons. Wij hoeven Hem alleen maar te herkennen bij het breken van het brood. De vangst is onverwacht en gaat alle verwachtingen te boven: 153 stuks. Alle volken en culturen passen in de netten van de kerk, zonder dat zij scheurt.

 

Na de maaltijd is de ondervraging. Mooi is dat. Nog vóór zijn biecht is Petrus welkom bij de Heer. Jezus is een en al barmhartigheid. Maar er moet wel gepraat worden. We moeten het niet wegstoppen. Tot driemaal toe vraagt Jezus aan Simon of hij Hem liefheeft, méér dan de anderen. Twee woorden voor liefhebben gebruikt Jezus: de liefde van het hart en de ziel, en de liefde die zo ver gaat dat die zijn lichaam, zijn leven geeft voor de geliefde. En twee verschillende woorden gebruikt Jezus voor het weiden en hoeden, beschermen van de schapen, de mensen, de gelovigen: herder zijn en redder van het leven van de schapen. Jezelf op het spel zetten, desnoods ten koste van je eigen leven.

Jezus noemt hem niet langer Petrus. Want dat bleek hij niet te zijn. Hij had gewankeld, was gevallen. Hij noemt hem bij zijn vroeger naam, voordat Hij hem had geroepen: “Simon, zoon van Johannes”.

Eerlijk en liefdevol, barmhartig, confronteert Hij zijn eerste leerling met zijn kwetsbaarheid, om hem zo zijn kracht terug te geven, zijn liefde, zijn vergeving.

 

Eindelijk wordt Simon een kwetsbaar mens, zonder grote, overmoedige woorden, zonder harde woorden en leven van krachtdadig handelen. Voortaan zal hij liefhebben, met hart en ziel en heel zijn leven. Zover zal hij gaan dat zij hem zullen brengen waarheen hij niet wil. Aangrijpende woorden: “Toen je jong was, deed je zelf je kleren aan, maar wanneer je oud bent, zul je je handen uitstrekken, een ander zal je omgorden en je brengen waarheen je niet wilt”.

De liefde, het volgen van Jezus, van zijn weg, zijn waarheid, zijn leven, kan je in het ergste geval je leven kosten. Wij gedenken deze dagen talloze mensen die omwille van de waarheid, de liefde voor de humaniteit, gebracht zijn waarheen zij niet wilden. Hun liefde, hun trouw overwint menselijk tekort, ontrouw.

Het laatste woord van Jezus tot Petrus, tot ons, die nu zijn leerlingen zijn. luidt: “Volg Mij”. Mogen we daartoe de kracht vinden en mensen worden op wie anderen kunnen bouwen, mensen die hun bestaan bouwen op de navolging van de verrezen Jezus: “Op U zo wil ik bouwen, verlaat mijn nimmermeer”. Amen.

 

N. van der Peet

 

------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen 5, 27b - 32. 40b - 41; Apokalyps 5, 11 - 14; Johannes 21, 1 - 19


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Paaszondag 21 april 2019[1]

 

Van toeschouwer tot vriend

 

Wat klinkt Petrus stoer, een tijd na dat unieke Paasfeest in Jeruzalem. We horen hem - in onze eerste lezing - preken dat het aard heeft. Hij zegt over Jezus, zijn Heer: “Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord. God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, niet aan het hele volk, maar…aan ons…”

Petrus heeft de aarzeling, het zoekende, tastende geloof van de morgen van Pasen achter zich gelaten.

 

Op deze morgen van Pasen - vertelt ons evangelie - komt de eerste van Jezus’ leerlingen niet verder dan onderzoeken. Hij gedraagt zich als een toeschouwer, een inspecteur van politie. Hij onderzoekt het graf. Daar liggen de zwachtels, even verderop, afzonderlijk opgerold, de zweetdoek die Jezus’ hoofd had bedekt.

 

Jezus heeft alles waarmee zijn gestorven aardse lichaam bedekt was achter gelaten in het graf. Als een nieuwe Adam, zó uit Gods scheppende, verlossende hand, is Hij helemaal nieuw, onbedekt, een nieuwe schepping. De aardse Jezus, zijn gemartelde, zwaar gewonde lichaam is er niet meer.

 

Kan een mens wel een wreder dood moeten sterven dan de kruisdood: doorboord, machteloos, vastgenageld, langzaam geen adem meer kunnen halen, doodgebloed? Als in een politierapport hebben de evangelieverhalen het ons vertaald: Jezus is echt gestorven. “Victimae paschali laudes”. O, wat is dat vroom vertaald in ons boekje: “Laat ons het Lam van Pasen loven”. Maar er staat: Victima, slachtoffer, zoals de paaslammeren in de tempel, die bij gelegenheid van het paasfeest werden geslacht; zoals de slachtoffers in hotels en kerken in Sri Lanka, - onschuldige, Pasen-vierende mensen, - afgeslacht.

Zo is Jezus gedood, ‘vermoord’, zegt Petrus, als een offerdier.

 

Het geloof van de Israëlieten en van de christenen is voor mensen met een sterke maag. Het is geen interessante filosofie, geen min of diepzinnige levensvisie. Nee: ‘Mors en vita duello conflixere mirando’: een conflict is het op leven een dood, een tot bloedens uitgevochten duel.

 

Zo komt Petrus naar het graf, onderzoekend. Hij was het waarschijnlijk helemaal niet meer van plan ooit nog naar die onheilsplek toe te gaan, dichtbij de plaats waar Jezus gekruisigd was. Hij lijkt wel een beetje op niet weinig moderne mensen. Wat heb ik daar te zoeken?

 

Bovendien, Hij heeft nóg een reden niet terug te keren; hij zou die vreselijke donderdag en vrijdag willen vergeten. Hij was immers een loser: in het belangrijkste uur van zijn leven had hij gefaald. ‘Ik ken die man niet, welnee, nooit van gehoord, laat me met rust’. Na het kraaien van de haan had hij bitter gehuild. Géén tranen die het hart lucht geven. Nee, dit waren tranen die de ellende alleen maar erger maakten.

 

In onze eerste lezing is Petrus van verre gekomen. Hij, de loser, de loochenaar, de ontrouwe, is vergeven. Jezus heeft hem door de dood heen de hand gereikt. Dat is voor hem Pasen: dat hij vergeven is, dat hij een nieuw begin mag maken. Pasen is vergeving, barmhartigheid, absolutie, losgemaakt, vrijgesproken van het verleden. Dat is het wonder van Pasen: dat u en ik opnieuw mogen beginnen. Wij kunnen onszelf niet uit het moeras omhoogtrekken. “God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen”. Petrus heeft een nieuwe kans gekregen. Na de drievoudige verloochening heeft Jezus hem driemaal gevraagd naar zijn liefde.

 

Daarna weet Petrus zich weer gezonden. Hij is een man met een opdracht geworden, hij heeft een missie. We horen hem zeggen: “Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken en te getuigen dat Jezus de door God aangestelde rechter is over levenden en doden”.

Van afstandelijke, half ongelovige inspecteur van politie, van toeschouwer, die Maria Magdalena niet kon geloven en Johannes, de geliefde leerling niet kon volgen, is Petrus deelnemer geworden, - geroepen, een man met een doel in zijn leven, voorbij aan alle twijfel, cynisme en verterend schuldbesef.

 

Je zou het ons, moderne mensen met onze vele vragen en reserves, ons tasten en zoeken, van harte toewensen. Velen van onze tijdgenoten kennen het geloof alleen nog van een televisie-mis, de jaarlijkse Passion, een toeristisch vakantiebezoekje aan een kerk, een kathedraal, SInt Pieter, gebouwd boven het graf van onze Petrus, of de Notre Dame in Parijs. Opeens schrok heel Frankrijk en de wereld. Zou die laatste band met God, met Jezus, met zijn Moeder, Notre Dame, nu ook in vlammen opgaan? 

 

De dag van Pasen nodigt ons uit dichterbij te komen, van toeschouwer tot vriend, geliefde, tot mensen een missie om hun geloof te beleven, anderen te vergeven, opnieuw te proberen om te geloven, je toe te vertrouwen aan God, aan elkaar, aan het leven, eeuwig leven.

Een leven, dat door Jezus in een duel, - een conflict op leven en dood -

voor ons uit het vuur is gesleept. Amen.

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Handelingen der Apostelen 10, 34a.37-43; Kolossenzen 3, 1-4; Johannes 20, 1-9


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                       Paaswake, zaterdag 20 april 2019

 

De zwachtels achtergelaten

 

De zon gaat langzaam onder over deze paaszaterdag, stille zaterdag. Een dag die wij geneigd zijn over te slaan. Wij zouden het liefst van de dood van Jezus op Goede Vrijdag overspringen naar zijn leven. Maar wij weten en ervaren het allemaal: dood en leven liggen niet naast elkaar als twee aparte, van elkaar gescheiden compartimenten. Zoals je een gebouw compartimenteert voor het geval er brand uitbreekt, opdat de schade zal meevallen. Juist deze week zijn wij daar weer mee geconfronteerd: hoe verwoestend het vuur kan zijn en hoe dankbaar we moeten zijn voor toegewijde brandweerlieden, die verstand hebben van de oerkracht van het vuur.

 

Dood en leven zijn geen aparte afdelingen van ons leven. Vanaf het moment waarop wij bewust leven hebben wij weet van de dood. Een middeleeuws lied -ontstaan in de 14de eeuw toen de wereld geteisterd werd door de pest- zingt: “midden in het leven zijn wij in de dood”. De dood komt niet pas als mijn hart niet meer klopt. Steeds is die aanwezig. De wereld is er vol van, een dierbare, een familielid ernstig ziek, een neef sterft in de Goede Week, 64 jaar. Midden in het leven zijn wij in de dood.

 

Ook Jezus is echt de dood ingegaan. Hij was niet schijndood, voor de vorm. Nee, Hij was in de avond van de vrijdag door de rijke Jozef van Arimatea in diens nieuwe graf gelegd, in zwachtels gewikkeld, zoals bij een joodse begrafenis gebruikelijk was. Dadelijk belijden wij het ook in de geloofsbelijdenis: “Hij is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle”. Letterlijk staat er: Jezus is afgedaald in het dodenrijk. De Zoon van God is in onze misère afgedaald. Onze God kijkt niet als een vorst in zijn schittering neer op ons aardse tobben, lijden en doodgaan. Hij is er Zelf in afgedaald, verstijfd, in zwachtels gewikkeld, in de verlatenheid van het dodenrijk.

 

Paulus hoorden wij zeggen: “je weet toch dat de doop waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus ons heeft doen delen in zijn dood?” In de doop spelen wij als het ware na, wat Jezus is overkomen: afgedaald is Hij in de diepe wateren van de dood en Hij is er weer uit opgestaan. Hij heeft een nieuw leven gekregen. Wij die gedoopt zijn of worden sterven mét Hem aan dit leven, zoals wij eigelijk allemaal meestal gelukkig ongemerkt al doen. Om het eens eenvoudig te zeggen met woorden van de onvergetelijke Toon Hermans:

“Verder van de wereld weg

elke dag een beetje...

Dichter naar de hemel toe

elke dag een treetje…”

 

De Israëlieten in de Egypte hebben dit wel heel sterk ervaren. Zij leefden wel, maar eigenlijk was dat geen leven, als slaven, zonder vrijheid, alleen maar werken en hun maag vullen. Steeds moeten wij ervoor waken dat ons leven niet ook zo’n slavenbestaan wordt; dat wij nog van het leven houden, ervan genieten, van elkaar, van het licht van de dag en het samenzijn. Het scheppingsverhaal, de eerste lezing, roept ons daartoe op. Alles heeft God goed, ja zeer goed, helemaal tof geschapen. Dat alles is er niet om er zoveel mogelijk van op te maken, maar om er van te houden, het te koesteren, te beschermen, delen met elkaar, dankbaar aan Hem die het ons gunt.

 

Uiteindelijk schept God, de sabbat, de zevende dag. Hij rust uit van al zijn werken en scheppen, bedenken en vormen.

Zo zitten wij hier nu ook, aan het einde van de zevende dag. Ons werk is aan kant, de boodschappen in huis, we zien samen terug op alles wat wij scheppend tot stand hebben gebracht: onze studie, ons werk, ons huwelijk of relatie, de kinderen. Hoe staan we daarin? Ben ik dankbaar, of is alles zoals het is? Heb ik er recht op of is het genade? Ben ik erg bezorgd: voor ziekte, de kwetsbaarheid van mijn geliefde? Kan ik omgaan met de aanwezigheid van tekenen van eindigheid en sterven in mijn leven of ontken ik dat alles, ontvlucht ik het, loop ik ervoor weg?

 

Op dat punt, op die dag gekomen gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij hadden klaargemaakt. Ontroerend. Zij nemen het bederf van de dood serieus, ze nemen iets mee dat lekker ruikt, tegen de geur van de dood, waartegen een mens eigenijk niet bestand is. Wat zij vinden bij het graf zijn boodschappers: “Hij is niet hier, Hij is verrezen". Een helemaal nieuw bestaan. Jezus is echt dood gegaan. Maar nu liggen er alleen nog maar de zwachtels, de doeken waarin zijn Hem gewikkeld hebben. Als pasgeboren kind in de stal van Bethlehem had Maria Hem voor het eerst in doeken gewikkeld. Hij had Zich ont-wikkeld tot een mens van leven en liefde tot het uiterste. Nu zijn de zwachtels, de doeken weer van het afgewikkeld. Hij is een geheel nieuw bestaan ingegaan. Geen gereanimeerd aards bestaan, maar volkomen nieuw. De vrouwen en vooral de zogezegd verstandige, rationele mannen kunnen het nauwelijks geloven. Het leek ze beuzelpraat van die vrouwen. Maar Petrus gaat toch kijken. “Hij bukte zich voorover en zag alleen de zwachtels. Daarop ging Hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was”. Verder kwam Petrus nog niet. Langzaam gaat Hij geloven, stap voor stap, zoals wij. Langzaam worden de zwachtels van ons afgenomen, tot we helemaal vrij staan, ont-wikkeld, verlost, in het licht van Pasen. Amen. Alleluia!


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Witte Donderdag, 18 april 2019[1]

 

Point of no return

 

Vorige week vond in het Vaticaan een bijzondere bijeenkomst plaats. De anglicaanse aartsbisschop van Canterbury gaf een retraite aan de leiders van de republiek Zuid-Sudan. Dat was op zich al een unicum. De hoogste geestelijke van een andere kerk gaf in het zenuwcentrum van de Kerk van Rome een retraite.

 

De heerschappen die zich onderwierpen aan deze tweedaagse geestelijke oefening van gebed, overweging en stilte, hebben jarenlang een gewelddadige burgeroorlog uitgevochten in hun land in de hoorn van Afrika; vele tienduizenden doden zijn er te betreuren.

 

Is in de harten en hoofden van zulke lieden bekering mogelijk?

Christenen geloven van wel.

De aartsbisschop van Canterbury en de bisschop van Rome bedachten: geen politieke onderhandelingen meer, geen eindeloos zich voortslepende gesprekken die moeten leiden tot een zwaar bevochten, bloedeloos compromis, maar een retraite. De beide kerkleiders gedroegen zich als christenen. Zij geloofden in bekering.

 

Na die twee dagen van gebed, overweging en stilte was er een slotontmoeting, met alle betrokkenen. De paus, de aartsbisschop, enkele andere geestelijken, mannen en vrouwen, én die beide voormalige krijgsheren met bloed aan hun handen, keurig in het pak, met blinkende zwarte schoenen. De paus, gastheer, hield een korte toespraak waarin hij beide leiders op het hart drukte de moeizaam bevochten, uitonderhandelde vrede te bewaren, het heil te zoeken van hun volk dat zwaar heeft geleden.

 

Na het laatste amen stond de 82-jarige Franciscus - stram geworden - op, en knielde neer, voor de eerste van de twee politici, knielde neer en boog zijn oude lijf tot de grond en kuste de blinkend zwarte merkschoenen van de eerste leider. Daarna stond de oude, breekbare man weer op, liep naar de andere leider en knielde weer neer, boog zich tot de grond en kuste de al even blinkende schoenen van de tweede voormalige vechtersbaas.

 

Een van de aanwezigen heeft de scene gefilmd met zijn telefoon, een beetje schokkering, duidelijk geschrokken. Zoals duidelijk alle aanwezigen diep geschokt waren door het gebeuren, ontroerd, geraakt. Een paus die zich gedraagt als een smekeling, zich voor de voeten werpt van dubieuze personages en hen smeekt om vrede, om afzien van geweld, om mededogen met het zwaar geteisterde volk van Zuid-Sudan.

 

Zonder twijfel zullen de leiders van dit land zich de retraite gegeven door aartsbisschop Justin Welby van Canterbury herinneren, zijn scherpe, behartenswaardige, hartverwarmende woorden, gebeden, overwegingen. Maar om het slotgebaar van Franciscus kunnen zij niet meer heen. Voor hen, voor hun volk, voor de vrede en gerechtigheid in dat land is dit een point of no return. Het hoofd van de kerk, de paus die zich als een smekeling aan hun voeten werpt.

 

Een gebaar waar je niet omheen kunt, krachtige en onverbiddelijker dan woorden kunnen zeggen.

Zulke ultieme gebaren zien wij Jezus vanavond verrichten. Hij wist dat zijn uur was gekomen. Alles in het Johannesevangelie is voorbereiding op dit uur, dit beslissende uur van Jezus’ leven, dit eerste uur van het paasfeest. Jezus die wist dat zijn uur gekomen was, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe. Hij legt zijn bovenkleding af en knielt neer om zijn leerlingen de voeten te wassen.

 

En dat andere ultieme gebaar waarover Paulus spreekt. In de nacht waarin Hij werd overgeleverd nam Hij brood: dit is mijn lichaam voor u en de beker van het nieuwe verbond in mijn bloed.

Jezus spreekt woorden en stelt zijn gebaren waarom wij niet meer heen kunnen. Zijn woorden veranderen in vlees en bloed. Het Woord is vlees geworden. Brood en wijn worden lichaam en bloed. Hij spreekt geen mooie woorden meer, Hij geeft Zichzelf, zijn lichaam wordt brood en zijn bloed wordt wijn. De Heer wordt smekeling. Hij werpt zich aan onze voeten en smeekt ons om menselijkheid. Hij wast ons niet de oren met strenge voorschriften, Hij wast ons de voeten, opdat wij zijn nederige weg van waarheid, recht en liefde gaan.

De weg die de Israëlieten zijn gegaan, weg uit het Angstland Egypte, weg uit dat leven onder de maat, weg van het geestdodend leven van alleen maar werken en consumeren. Onderweg naar Pasen, uittocht naar leven in waarheid, liefde en gerechtigheid. Mogen wij ons de voeten laten wassen, om Jezus te kunnen navolgen, die voor ons tot het uiterste is gegaan, door de knieën gegaan. Amen.

 

Nico van der Peet

 

-----------------------------------------------------

[1] Exodus 12, 1-8. 11-14; 1 Kor. 11, 23-26; Johannes 13, 1-15