Preekarchief

Verkondiging in De Nieuwe Augustinus

                        en in het Korthagenhuis 10/11 februari 2018.

                        Zesde zondag door het jaar[1]

 

Genezen worden, genezer worden

 

GEBED

 

God, Gij hebt gezegd dat Gij verblijf zult houden bij hen die oprecht willen zijn en eerlijk van hart. Genees ons, zodat Gij onder ons kunt wonen, en uw tegenwoordigheid de ziel wordt van ons leven. Door onze Heer Jezus Christus…

 

VERKONDIGING

 

Jezus kon niet meer openlijk in de stad komen.

Waarom eigenlijk niet?

De mensen hadden ruchtbaarheid gegeven aan de zaak, aan zijn contact met de melaatse.

Ja, echt, fysiek contact. Jezus raakt de onaanraakbare, geschonden, besmettelijke man aan. Dat was iets ongehoords, iets dat verboden was, en- nog los van dit religieuze, maatschappelijke verbod- onverantwoord. Jezus zou zelf besmet kunnen worden. Staat er daarom dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen? Hij lijkt in de plaats gekomen van de melaatse. De lepra-patiënt is genezen, de genezer, Christus Medicus heeft zijn ziekte op Zich genomen. Zover kan een mens gaan. Zover gaat deze Mensenzoon, Zoon van God. Wij vinden dat niet verantwoord. Je moet wel veel doen voor je naaste, maar na vijf uur ’s middags moet je je witte jas of je priesterpak wel uit kunnen doen en herademd jouw veilige, brandschone woning kunnen betreden. Soms heb ik dat gevoel eerlijk gezegd ook wel eens na uren van bezoek aan mensen in zieken- of verpleeghuis. Een opluchting. Ik ben nog gezond, ik mag nog vrij uit gaan. Nog. Want ook ik ben kwetsbaar, sterfelijk. Ooit zal ik aan de andere kant van de lijn terecht komen.

 

Jezus gaat onverantwoord ver. Hij neemt het lot van de melaatse op zich. In de eerste lezing uit Leviticus, een van de boeken van de Wet van Mozes, de oude religieuze Wet van het volk van Jezus, lezen we vandaag over het droevige lot van de melaatse. “Onrein, onrein…hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven”, buiten de gemeenschap, geïsoleerd; levende dode. Levenslang, want de ziekte was ongeneeslijk. Ooit -in mijn studententijd- was ik op het Indonesische eiland Irian Jaya, Nieuw Guinea en bezocht ik samen met een plaatselijke priester een leprozerie. Alsof je afdaalt in oud-testamentische tijden. Alsof je afdaalt in het dodenrijk. Werkelijk zwaar geschonden mensen, afgezonderd van de dorpen in de omtrek. Niemand, ook familieleden niet, durfden op bezoek te gaan. ‘Onrein, onrein’. Een gemeenschap van geschonden, misvormde mensen. Maar dat is niet het ergste. Het ergste is het isolement, -levenslang.

 

Jezus durft het aan. Hij zet de stap, overschrijdt de lijn.

“Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan…”

Jezus raakt ons aan in dat meest tere, kwetsbare gebied van onze persoon, dat wij voor iedereen verborgen houden; daar waar een mens, u en ik, volstrekt alleen is; wat je met niemand kunt of durft te delen. Omdat je bang bent dat de ander je uit de weg zal gaan, je zal veroordelen. Als de ander dat van mij weet zal hij mij misschien verwerpen, mij niet meer willen ontmoeten, mij - misschien in stilte - afschrijven. Dat gebied wil Jezus betreden. Hij is bereid u en mij te genezen. Ja, uw en mijn onreinheid, kwetsbaarheid op Zich te nemen.

 

“ik wil, word rein”.

‘Rein’ betekent méér dan schoon. In de taal, in het begrip van de bijbel betekent het: ‘je mag er zijn, je hoeft jezelf niet langer te verbergen. Ik ben bereid je de hand te geven’. Het gaat vandaag dus niet alleen om de wonderlijke genezing van een zwaar besmettelijke zieke. Het gaat erom dat we elkaar zien staan, elkaar aanvaarden, elkaar de hand reiken. “Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit”. Dat we elkaar genezen. Ieder van ons is geroepen in navolging van Jezus genezer te worden, de onreinheid, de onaanraakbaarheid, het alleen-zijn, het isolement van de ander en van onszelf te genezen.

 

Wat is het toch vreselijk en machteloos makend betrokken te zijn in een conflict dat zover is doorgeziekt, dat een mens je niet wil ontmoeten, je niet wilt zien, je niet de hand wil geven. Momenteel ben ik als pastor en als mens in zo’n conflict betrokken geraakt, om te zien of er stappen, woorden, oplossingen gevonden kunnen worden om het op te lossen. Maar het lukt niet. Sommigen weigeren -ook letterlijk- de hand. En ook ik moet oppassen dat ik van binnen de woede, de weigering, de veroordeling niet overneem. Ik moet er elke dag met Jezus voor ogen weer om bidden dat ik door medelijden bewogen blijf, en mijn hand uitsteek. Misschien wilt u met mij meebidden dat dit mag gebeuren. Dat de genezing mag geschieden. Meer kan ik er niet over zeggen. Maar ik vraag dringend uw gebed.

 

Jezus laat ons zien dat het kan. Dat zelfs de diepste kloof kan worden overbrugd. Dat kan enorm veel kosten. Dat heeft Jezus zoveel gekost dat Hij het isolement niet uit de weg is gegaan. Laten wij zijn navolgers worden en elkaar de hand reiken, elkaar aanraken, elkaar raken, en zo gereinigd, door de troost en de zalving van de Heilige Geest genezen worden.

Amen.

 

pastoor Nico van der Peet

 

----------------------------------------------------------

[1] Leviticus 13, 1-2. 45-46; 1 Korintiërs 10, 31-11,1; Marcus 1, 40-45


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 20/21 januari 2018

                        derde zondag door het jaar[1]

 

Gebed.

 

Laat ons bidden.

 

Heer God, in Jezus, uw Dienaar, roept Gij alle mensen op tot bekering en geloof in de blijde boodschap. Geef ons de moed op uw uitnodiging in te gaan en de weg te volgen van Jezus, uw Zoon…

 

Verkondiging

 

Kinderen van Adam

 

“Wij zijn allemaal kinderen van Adam”.

Zo waren de eerste woorden van een toespraak die ik vrijdagmiddag tegen twee uur hoorde.

Een bewogen toespraak, op bescheiden en beheerste wijze uitgesproken door de imam van de Turkse moskee aan Spelderholt, vlak naast onze vroeger Salvatorkerk.

“Wij zijn allemaal kinderen van Adam”.

 

Ik was een beetje verrast door deze zin. In de grote zaal naast de moskee zag ik immers vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap, van christelijke kerken en van verschillende moskeeën. Wij zijn toch allen kinderen van Abraham, overwoog ik bij mijzelf. “Abraham heeft Hij eerst zijn woord gegeven, dat als een zaad ontkiemde in zijn zaad. Om zo de toekomst tegemoet te leven, wanneer de grote oogst te velde staat”. Zo gaat een couplet van het lied dat wij tijdens de offerande zullen zingen. Joden, christenen en moslims zien in Abraham de eerste gelovige in de ene, onzichtbare God.

Maar toen ik nog wat beter om me heen keek zag ik dat er ook mensen waren die zich tot geen van de drie grote monotheïstische godsdiensten bekennen. Of zoals mijn moeder kort door de bocht wel eens kon zeggen: “die mensen zijn niets”. Wat ik vroeger en nog steeds nogal een uitspraak vind. Je zult maar niets zijn, of nog wat meer ingepeperd: ‘niks’ zijn.

 

De imam was eigenlijk heel respectvol, ook voor de mensen zonder geloof in de ene God van Abraham. Hij ging nog verder terug: wij zijn allen kinderen van Adam. Of je nu goedgelovige bent of niet. Want Adam betekent ‘mens’, levend wezen genomen uit de adama, de aarde, -daarop levend, zwoegend, uitziend naar de toekomst. “Mensen wij zijn groepen om te leven! Hoog is de hemel boven ons verstand en onder onze voeten hier beneden de goede grond, het groene moederland: de adama en wij allen kinderen van Adam.

 

Wat heeft een katholiek christen, een priester op vrijdagmiddag te zoeken in een moskee, ook al is dat onze vroeger buurtmoskee, waarmee we als parochie altijd goed bevriend waren. Ook al was er natuurlijk wel eens een irritatie, zoals die tussen buren kan bestaan die van stilte, rust, reinheid en regelmaat houden. Vele bestuursleden kwamen vriendelijk naar me toe. ‘Fijn dat u gekomen bent’. Ik werd meegetroond naar de imam die ik nog niet goed kende. Het was een ontroerend bezoek, voor mij en voor velen.

Ik had er veel te zoeken vrijdagmiddag als christen, als priester. In de nacht van woensdag op donderdag had iemand stiekum, net buiten het zicht van de bewakingscamera, een pop vastgemaakt aan het hek. Een grote knuffel, een pop voor kleine kindertjes, levend in hun onschuldige wereld, waar mensen zijn als levende poppen, die jou voeden, beschermen, knuffelen, liedjes voor je zingen en je af en toe eens streng toespreken. Niet zomaar een pop. Dat zou nog tot daaraantoe zijn. Nee, een pop zonder hoofd, een onthoofde pop. Met een brief: het moest maar eens stoppen die islam in Nederland. Al die moslims Nederland uit.

 

Een onthoofde pop.

Wie verzint zoiets?

Waarschijnlijk iemand die bang is.

Iemand die het land, de stad, de buurt, zijn wereld ziet veranderen en voor wie de wereld niet meer  is te overzien; iemand bij wie een stop is doorgeslagen.

Islamitische vrouwen met hun onschuldige kinderen schrokken zich dood. Een onthoofde pop.

 

Er kwam een mailtje. ‘Kom ook even naar de moskee op vrijdagmiddag’. Ik ging, maar zag er tegenop. Vast weer toespraken dat we allemaal gelijk zijn, vreedzaam moeten samenleven. En dat is ook zo.

En toen die imam, klein van stuk, zachte, bescheiden stem, geen grote, gloedvolle woorden, geen stemverheffing, geen spektakel. Alleen maar die ene boodschap, gebracht met het natuurlijk gezag van de waarheid: “wij zijn allen kinderen van Adam”.

“Ja, wij zijn allen mensen der belofte, kinderen van de dag die komen zal”. Terug naar onze roots, onze bron. Met grote liefde en geduld heeft de Schepper ons uit de aarde geboetseerd. Een hoopvolle boodschap. Een dankbare man, blij dat zovelen de moeite namen hem en zijn gemeenschap te troosten, een hart onder de riem te steken, samen uit te groeien boven zoveel angst en boosheid, boosaardigheid. Een bescheiden profeet.

 

In de eerste lezing horen wij over de profeet Jona. Hij moet naar de wereldstad van zijn dagen, Nineve. Zo groot dat je drie dagreizen nodig had om er doorheen te komen. Hij moest de stad oproepen tot bekering, tot rede te komen, terug te komen van haar heilloze weg. Jona staat model voor de geloofsgemeenschap. Maar die heeft helemaal geen zin in die ingewikkelde stad van de mens. Jona is lui, gemakzuchtig. Zoals sommige gelovigen in hun gelijkhebberij lui kunnen zijn. Hij gaat maar één dagreis ver. En dan roept hij: “Nog veertig dagen en Nineve zal vergaan”. Hij neemt zelfs niet de moeite de mensen te wijzen op de mogelijkheid van bekering, een nieuw begin, vergeving van de barmhartige God. ‘Weg met jullie’, roept Jona eigenlijk. ‘Ik moet jullie niet, jullie deugen niet’. God mag jullie allemaal dan wel beschouwen als kinderen van Adam, als zijn mensen, maar ik heb het gehad met jullie’.

Maar die vreemdelingen van Nineve ontpoppen zich tot zachtmoedige mensen, die hun stem niet verheffen, maar het woord van God geloofden en het boetekleed aandeden.

Wat een weldadige heidenen, wat een weldadig, menselijk antwoord op de hoogmoed van de gelovige Jona, die helemaal vervuld is van zichzelf en niets wil weten van een mogelijkheid van bekering van die bewoners van Nineve.

 

Als tegenbeeld van de onheilsprediking van Jona horen wij de prediking van Jezus: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft de blijde boodschap”.

Jezus doet méér dan oproepen tot bekering.

Hij begint een nieuwe broederschap, een nieuwe zusterschap onder de mensen. Hij roept de broers Simon en Andreas en de broeders Jakobus en Johannes. Hij maakt deze bloers-bloedverwanten nu tot een broederschap van gelovigen. Zij mogen het verleden loslaten, hun netten en boten en onwrikbare familiebanden.

We mogen proberen, met behulp van Gods genade,

te leven als kinderen van Adam,

zusters en broeders van de Nieuwe Adam: Jezus Christus, onze Heer. Amen.

 

N. van der Peet

 

-------------------------------------------

[1] Jona 3, 1-5.10; 1 Kor. 7, 29-31; Marcus 1, 14-20


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 13/14 januari 2018

                      Tweede zondag door het jaar[1]

 

Gebed

 

Laat ons bidden, - stilte

 

God, onze Vader, in uw grenzeloze goedheid hebt U ons geroepen en elk van ons een taak gegeven. Geef ons een hart dat luistert naar uw uitspraken. Leer ons zien waar Gij U ophoudt in deze wereld. Wijs ons de plaats waar U woont opdat wij bij U blijven. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

Verkondiging

 

Hier ben ik

 

De godsdienst is bijna op het nulpunt aangekomen als de camera gericht wordt op de tempel van Silo, vele eeuwen voor Christus, in de tijd dat Jeruzalem nog niet bestond, nog voor koning David. De ark van het verbond, met daarin de twee stenen tafelen met de tien woorden en geboden, waarboven de Heer woonde, een soort tabernakel, bevond zich in die tempel in Silo. Zoals bij ons brandde er altijd een lamp. Een teken, een signaal: de Heer is hier. Dit is niet zomaar een vergaderplaats van gelovigen. Hij woont hier te midden van de mensen.

Heel veelbetekenend staat er: “de lamp van God was nog niet gedoofd”.

Wij hebben dat in Amsterdam-Noord sinds de jaren negentig vijf keer moeten meemaken: dat het tabernakel leeg werd, het heilig Sacrament weggedragen. De lamp gedoofd.

Die lamp, heel mooi  Godslamp geheten, een uiterlijk vuur, een vlam die dag en nacht blijft branden, waaraan je niet zomaar voorbijloopt, brandt ten teken van een innerlijk vuur, de gloed van het geloof, het licht van het geloof waarin wij pogen te leven. Maar gelukkig, hier brandt de lamp, de vlam van geloof in de aanwezigheid van de Heer.

 

In de dagen van de priester Eli was de vlam nog net niet gedoofd. Maar even verder lees je dat de oude priester niet meer zien kon, dat er geen visioenen meer waren, geen perspectieven; dat zijn twee zonen niet wilden deugen. Alleen die ene jongeman was er, Samuël, door zijn moeder Hanna, die hem op gevorderde leeftijd toch nog had gekregen, naar de tempel gebracht. Ook de jonge Samuël heeft geen visioenen en koestert geen grootse perspectieven, maar hij hóórt wel. Hij hoort in de nacht waarin de tempel, het geloof zich bevindt, een stem. Hij weet zich geroepen bij zijn naam.

 

Maar zoals wij allemaal, hij moet leren luisteren. Hij dacht dat de oude, blinde priester hem riep, voor wie hij een hulp was. “Hier ben ik, u hebt mij toch geroepen”.

 

“Hier ben ik”.

In de wijdingsliturgie van onze kerk moet de wijdeling, zodra zijn naam door de dienstdoende diaken is geroepen, een stap naar voren zetten en roepen: “Hier ben ik”. Eigenlijk zijn die drie woorden het antwoord op de naam God: “Ik ben die Ik ben…Ik zal er zijn”.

“Hier ben ik”. Wat een prachtig antwoord. Het zijn woorden die lijken op de huwelijksbelofte. Ik zal er zijn voor jou wat het leven ook brengt aan goede en kwade dagen, aan armoede en rijkdom.

 

Tot tweemaal toe hoort de jonge Samuël zijn naam roepen, klinken door het donkere heiligdom. Stap voor stap leert de oude priester Eli, die eigenlijk geen roeping meer had verwacht, hem te antwoorden. “Spreek, Heer, uw dienaar luistert”. Samuël leert van Eli te luisteren. Luisteren naar de stem die voor jou klinkt.

 

Er zijn bijna geen roepingen meer, zeggen sommigen. Ik geloof daar niets van. Voortdurend worden mensen geroepen, gevraagd om te dienen, te steunen, er te zijn voor een ander. Wel is het voor ons nodig om te leren luisteren. Want God spreekt wellicht ook nu ons aan. Door het woord van het gebed, de Schrift en in de stilte van ons hart.

 

Paus Franciscus geeft momenteel een serie catechese-lessen over de liturgie van de kerk. Hij sprak afgelopen woensdag over het openingsgebed, na het Kyrie of, op zondag, na het Gloria. De priester moet dat beginnen door te zeggen: “laat ons bidden”. Dan hoort een stilte te volgen. zo schrijft het missaal, het gebedenboek van de kerk het voor. Laat ons bidden. En dan moet u, moet ik de gelegenheid hebben even in stilte te luisteren naar ons hart, wat daar leeft en dat voor God te brengen.

Maar, zei de paus, veel priesters slaan die stilte over. In een rush spreken ze meteen het gebed uit en gaan zitten. Misschien, zei hij, is die stilte na dat ‘laat ons bidden’, vlak voor het openingsgebed, wel het belangrijkste.

‘Hier ben ik met alles wat ik ben en zou willen zijn, met alles wat ik meemaak, waar ik mee zit; voor wie ik zorgen heb’. (‘Take me as I am and live in me; Neem mij aan zoals ik ben…en leef in mij,” zullen we na de Communie zingen.)

Wij hoeven hier niet te zijn als perfecte bidders en volmaakte mensen, maar als de mens die wij zijn, met onze gedachten, onze woorden en daden, met ons doen en ons laten. “Hier ben ik”. Wij zijn hier niet om zo netjes mogelijk de liturgie af te werken, maar om ons leven hier voor God te brengen. “Hier ben ik…spreek, Heer, uw dienaar luistert”. Ik weet te wachten op een woord, een inzicht. Als ik het vandaag niet hoor dan volgt er weer een zondag. Dat is ook de kracht van de herhaling, van de viering zondag na zondag, onze oude zondagsplicht. Stap voor stap, zondag na zondag geef je jezelf een kans om te horen waarover het gaat, in jouw leven, in jouw levensopdracht; wat God jou te zeggen heeft, waartoe Hij jou roept.

 

Zoals Samuël het moest leren, steeds beter te luisteren. Zoals wij het luisteren ook moeten leren in onze menselijke verhoudingen. We moeten het wellicht ook tegen elkaar zeggen, als levenspartners, als vrienden, familieleden: ‘spreek tot mij, ik luister’. De ander niet op de eerste plaats als degene die mijn verlangens moet vervullen, mijn noden moet lenigen, maar de ander als gespreksgenoot, medereiziger op mijn levensreis, mijn pelgrimage. In de woorden van de ander jouw roeping vinden, stil worden, luisteren naar het hart van de ander, zoals wij hier na het ‘Laat ons bidden’. Hier ben ik, kun je dan in stilte zeggen bijvoorbeeld, met heel mijn hebben en houden, met mijn dankbaarheid voor alles wat ik de dagen van de week heb ontvangen. Hier ben ik, met mijn teleurstellingen, mijn stomme fouten, mijn verlangen en mijn liefde en met mijn prestaties.

 

Iedere mens is de moeite waard om geroepen te worden. Paulus zegt het prachtig, drastisch en ontroerend: “Gij zijt niet van uzelf. Gij zijt gekocht, vrij gekocht, en de prijs is betaald”.

En het evangelie vertelt het ons. Johannes de Doper wijst op Jezus: “Zie het Lam Gods”.

Twee aan twee gaan de leerlingen Jezus achterna. Zij laten zich door Hem roepen. Zij sluiten vriendschap met Hem en met elkaar. Losse individuen worden een gemeenschap. Hem achterna. Simon ontvangt zelfs een nieuwe naam. Hij zal Kefas heten. Dat betekent ‘rots’. Jezus wil op Hem bouwen. Hij wil op ons bouwen. Met ons, mensen die de Messias, Christus gevonden hebben, wil Hij zijn gemeenschap bouwen. Laten we rotsen zijn waarop gebouwd kan worden, levende stenen die zich laten samenvoegen tot een gebouw waarin velen welkom zijn, waar de lamp niet hoeft te worden gedoofd, omdat wij er trouw samenkomen.

Moge ons antwoord zijn: Spreek, Heer, uw dienaar luistert”.

Amen.

 

 

N. van der Peet

 

---------------------------------------------------------------------

[1] 1Samuël 3, 3b-10.19; psalm 40; 1Korintiërs 6, 13c-15a. 17-20; Johannes 1, 35-42


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, Openbaring des Heren[1]

                        zondag 7 januari 2018.

                      

 

Heeft deze geboorte mijn leven veranderd?

 

Gebed

 

Heer, U hebt uw Zoon geopenbaard aan alle volken, toen Wijzen in de sterren naar een teken zochten om naar hun koning toe te gaan.

Wij hebben U reeds in het geloof gevonden, en vragen dat wij U eens in volle heerlijkheid aanschouwen.

Door onze Heer Jezus Christus…

 

Verkondiging

 

De wijzen gingen niet op zoek omdat zij een ster zagen.

Zij zagen de ster omdat zij zoekers waren.

Om God te kunnen vinden, om Jezus te leren kennen heb je de mentaliteit nodig van een zoeker.

Veel mensen, wellicht u en ik ook soms, hebben een gesloten wereldbeeld. Zij geloven niet in een hemel. Boven de wolken is leegte, eindeloos heelal. Geen god te vinden. Het leven, ons biologische bestaan is wat het is en je kunt er beter maar het beste van maken en alles zo goed mogelijk regelen en afspreken. Het maakbare bestaan, voor alles een wet, een afspraak, een protocol. Van de geboorte tot de manier van sterven. Alles is geregeld. In zo’n gesloten, ja dichtgetimmerde wereld is er geen plaats voor God, geen plaats voor Jezus, geen plaats voor dromen, want dat zijn allemaal stofjes in onze hersenen.

 

Zo’n bestaan hielden Herodes en heel Jeruzalem mét hem erop na. Toen die wijzen, magiërs uit het Oosten in Jeruzalem navraag kwamen doen waar de pasgeboren koning der Joden zich bevond, werd hij dan ook verontrust en heel Jeruzalem met hem. Hun orde, of hun met wetten, regels, militaire macht en hofprotocol dichtgetimmerde leven kwamen in gevaar. Een pasgeboren koning. Ja, een geboren koning? Dus niet één die zichzelf met veel geld en machtsvertoon had laten kronen, maar één die het van nature is, van goddelijke natuur zelfs; één die het in zich heeft; één die geen peperdure entourage nodig heeft om koninklijk te kunnen leven, royaal leven te geven, vorstelijk te kunnen strijden voor de armen, de onderdrukte.

Een koning die het gesloten wereldbeeld van de rijken en bestuurders openbreekt; die dromen aan het woord laat en helpt uitkomen.

 

Eerlijk gezegd, zusters en broeders, kan ik wel een beetje meevoelen met Herodes en heel het gevestigde, bestuurlijke, priesterlijke Jeruzalem met hem. Ook in mij zit het wel, zeker bij het wat ouder worden. ‘Laat het nu maar zo. Laat mijn land, mijn stad, mijn kerk zoals zij is’. Voordat je het goed en wel beseft kan je die mentaliteit van het zoeken, het zien van de ster, het verlangen naar een nieuwe geboorte, het tevoorschijn halen van je innerlijke rijkdommen en zwakheden -goud, wierook en mirre- achter je laten en zelfs onderdrukken in jezelf en bij anderen.

Ja, het kan je zelfs overkomen dat jouw belangrijkste droom erin bestaat het voorbije weer terug te halen, kunstmatig. Weer een samenleving te willen die er ooit was, die ooit functioneerde, maar die nu toch echt voorbij is. Of dat je een kerk, een liturgie wilt die echt niet meer bestaat en niet meer kan beantwoorden aan het verlangen en geloven van nieuwe generaties. Nieuwe generaties, onder wie echt mensen zijn die de mentaliteit, het hart van de zoekers bezitten.

Wij zouden hen meer moeten bieden dan een dichtgetimmerde wereld, een in zichzelf besloten kerk.

 

Matteüs vertelt ons vandaag dat heel de stad Jeruzalem nog geen idee had van wat er even verderop in Bethlehem was gebeurd. De geboorte van Jezus was volkomen aan hen voorbij gegaan.

Herodes in zijn burcht, zwaar beveiligd.

De hogepriesters en schriftgeleerden in het tempelcomplex. Zij komen allemaal voorbij in ons verhaal. Zij hebben geen idee.

Zij houden hun recepties, nippen aan hun witte wijn, verschalken de precieuze hapjes, wisselen hun successen uit en verzwijgen hun mislukkingen en houden alles zoals het was.

Zij hebben geen idee van die geboren koning, zijn moeder en Jozef in hun stal, schuilend onder de sterren, alleen bezocht door de herders op de velden die wél een nieuw lied hebben gehoord.

 

Hebben wij het gehoord?

Heeft deze geboorte mijn leven veranderd? Heb ik Jezus ontmoet, ben ik door de knieën gegaan, letterlijk of figuurlijk? Allebei is mooi.

Heb ik het beste wat in mij is en het minste wat in mij is tevoorschijn gehaald? Mijzelf gegeven met mijn goud, met het beste, mijn grootste talent dat we allemaal hebben. In iedere mens -ik weet het zeker- kan goud gevonden, gedolven worden.

Heb ik het opgesloten in het paleis van mijn zelfbehoud, mijn besloten wereldje of durf ik het royaal -als een koning, een wijze- beschikbaar te stellen?

Heb ik mijn wierook gebrand, mijn diepste verlangen, mijn echte vragen, mijn misschien nog niet uitgesproken hoop, mijn visioen, mijn grootste plan (-niet langer weggestopt, want wat zouden de mensen er wel niet van zeggen)?

Heb ik mijn mirre tevoorschijn gehaald? Mijn moeilijkste geschenk. Mirre, teken van mijn beperkingen, van uw en mijn eindigheid, ja van de dood. Leg ik mijn angst, mijn verdriet bij Hem neer, bied ik het Hem aan en durf ik het met anderen te delen?

Of tob ik, lijd ik alleen, bang om mijn al te zeer gekoesterde zelfstandigheid, autonomie (het hoogste ideaal van onze dagen) te verliezen?

Als wij dat alles, als wij onszelf te voorschijn halen en Hem aanbieden, kwetsbaar onder ogen brengen, bij zijn Hart brengen, -dan zullen wij misschien, zoals de wijzen, andere mensen worden. Lichter, minder egocentrisch, minder van mijzelf vervuld, en daardoor rijker, want in alles delend, -en langs een andere weg naar het land van uw en mijn leven terugkeren. Zo moge het zijn. Amen.

 

----------------------------------------------------------

[1] Jesaja 60, 1 - 6; psalm 72; Efeziërs 3, 2 - 3a. 5 - 6; Matteüs 2, 1 - 12


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, 30/31 december 2017

                      Feest van de Heilige Familie.[1]

 

 

GEBED

 

God, vandaag doet U ons denken aan het gezin van Nazaret, waarin uw Zoon is opgegroeid. Verleen aan elk gezin de kracht om U te dienen en voor elkaar te leven. Dan zullen wij in lengte van dagen de vrede kennen van uw huis, de vreugde ondervinden van uw heerlijkheid.

Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

Heilige Familie. Wij vieren in de zondag onder het octaaf van Kerstmis altijd het feest van het Heilig Huisgezin, Jezus, Maria en Jozef. Elk jaar weer voel ik me een beetje verlegen met dit feest. Zeker, ik heb ervaring met het gezinsleven. De genade is mij gegeven te mogen opgroeien in een over het algemeen harmonieus gezin. Mijn ouders waren toegewijde mensen die leefden en werkten voor hun drie kinderen. Mijn oudere zus en ik zelf leven alleen. Wij hebben geen ervaring van een eigen gezin. Bij mijn zus is het leven zo gelopen, zonder bewuste keuze voor het alleen blijven. In mijn leven was het een keuze, en wel voor het ongehuwde priesterschap. De westerse kerk vraagt haar priesters zich geheel beschikbaar te houden voor de kerkgemeenschap, voor het Rijk Gods.

Van de drie kinderen in ons gezin heeft alleen mijn twee jaar oudere broer een gezin. Hij is volgens mij gelukkig getrouwd en heeft twee zonen, inmiddels volwassen mannen van tegen de dertig. Bezoeken aan het gezin van mijn broer en schoonzus beleef ik altijd als een grote vreugde. Ik knap altijd helemaal op van de verhalen, de ambities en van de humor van mijn oom-zeggers. Zij zijn verantwoordelijke mensen, hebben hun best gedaan op school en in studie, en zij hebben werk. Niet al hun jeugdige ambities zijn gerealiseerd. Maar ze houden van het leven en van hun geliefden. Ze leven in vertrouwen.

 

In de lezingen ontmoeten wij vandaag twee gezinnen: dat van Abraham en Sara en dat van Maria en Jozef. Beide gezinnen zijn heel gewoon en uitzonderlijk tegelijk. Eigenijk zoals de meeste gezinnen. Natuurlijk is er het ideaalbeeld van het gezin zoals je dat ziet in reclameboodschappen. Mooie mensen, altijd een opgeruimde glimlach op het gezicht, in smaakvol ingerichte huizen met welgevulde koelkasten, vol van de producten die de commercial ons poogt te slijten.

Ook de kerk koestert een ideaalbeeld van het gezin. Een stabiele relatie van man en vrouw, een huwelijk ook kerkelijk gesloten, gelovig opgevoede kinderen. Velen spannen zich in voor zo’n gezinsleven. Bijvoorbeeld mijn ouders hebben dat gedaan.

Maar de beide gezinnen die in onze liturgie vandaag belicht worden, voldoen maar in beperkte aan dit ideaalbeeld.

Maria en Jozef hebben het lot gedeeld van talloze gezinnen over de hele wereld, die niet hun kind ter wereld kunnen brengen in een veilige, stabiele omgeving. Maria is ver van huis en haard bevallen, vertelt Lucas. De evangelist Matteüs vertelt dat de Heilige Familie moest vluchten voor de gewelddadige koning Herodes.

 

En dan Abraham, de eerste echte gelovige, nog steeds een voorbeeld van gelovig vertrouwen voor joden, christenen en moslims. En Sara zijn vrouw, die ooit moest lachen om God en zijn belofte van het moederschap. Tot op hoge leeftijd bleven zijn kinderloos. Abraham voelde zich door de Heer overladen met economisch en maatschappelijk succes en rijkdom. Maar waar moest al die rijkdom heen? Naar zijn personeel, naar Eliëzier, een man uit Damascus, van buiten het land, het verbond? Het ideale beeld van zijn leven, een gezinsleven ligt aan scherven. Zoals het bij zovelen kan gebeuren. Abraham had alles zo goed voorbereid, gepland. Nu zat hij met een rijkbeklede en gevulde woning, voorraden te over. Maar hij en Sara moesten wachten, in hoop, in vertrouwen.

Maar hun geloof was niet bestand tegen de lange duur. Het wachten moe bedachten Sara en Abraham een list. Hij zou een kind verwekken bij een jong lid van het huispersoneel, Hagar. Dat kind zou gelden als kind ook van Sara. Hij zou de instant-erfgenaam worden. Hagar, de slavin, is wel vruchtbaar en baart een zoon, Ismaël genoemd. Dat betekent: God heeft gehoord. Dat is een mooie vrome naam. Maar dat is een gebedsverhoring die Abraham en Sara zelf hebben bedacht en afgedwongen.

 

Het wordt hun vergeven. God is barmhartig voor onze levens, waarin we soms niet meer kunnen wachten en hopen en zelf het heft in handen nemen. Maar zij zullen ook de wrange vruchten plukken van hun ongeduld en gebrek aan vertrouwen. Er zal veel onvrede zijn tussen die twee halfbroers. Want uiteindelijk krijgt het oude echtpaar toch een eigen zoon, uit Sara geboren. De gebedsverhoring komt vaak heel anders dan je zelf had bedacht. In elk gezin kan het gebeuren, dat alles anders loopt. Dat het leven in scherven komt te liggen. Dat het geloof, je vertrouwen je in de schoenen zakt. Dat de verhoring heel anders komt en op een ander moment dan je had gepland.

 

De tweede lezing, uit de Hebreeënbrief, voert Abraham op als een geloofsheld. “Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roeping van God”. Gehoor geven aan je roeping. Dat hebben ook Maria en Jozef gedaan. Als gezin hebben zij de reis gemaakt van Nazareth naar Jeruzalem, om alle voorschriften van de Wet van de Heer te vervullen voor hun Kind. Zij geven gehoor aan hun roeping. Als ouders, als gezin. Zij leven uit vertrouwen, zij hebben geduld. Zij zien hun Kind opgroeien, toenemen in krachten, vervuld worden van wijsheid. Genade, charis, liefde van God rustte op Hem. Wat is het heerlijk als je dat je kinderen kunt geven. Want dat is gehoor geven aan onze roeping. Moeder, vader, opa en oma, tante en oom, zij zijn de bemiddelaars van Gods genade en liefde voor de kinderen. Je geloof, je vertrouwen met moeite soms bewaren, ook als je niets van God en zijn planning begrijpt. Pogen te geloven zoals Maria en Jozef deden, zoals Sara deed en Abraham, die uiteindelijk geloofde dat God de macht heeft om de dood te overwinnen. Amen.

 

--------------------------------------------------------------------

[1] Genesis 15, 1-6; 21, 1-3; Hebreeënbrief 11, 8. 11-12. 17-19; Lucas 2, 22. 39-40


Verkondiging in De Nieuwe Augustinus, maandag 25 december 2017

                      Dagmis van Kerstmis[1]

 

Het ware Licht

 

GEBED

 

Almachtige God, in Christus is de nieuwe dageraad aangebroken. Uw mensgeworden Woord stelt ons leven in een geheel nieuw licht.

Geef dat dit mysterie ons vervult en aan de dag treedt in elk werk dat wij verrichten. Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon…

 

VERKONDIGING

 

“Het ware licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld”.

Deze kerstochtend is zo geheel anders dan de kerstavond en -nacht. De zon, zo laag ze ook nog aan de horizon staat, keert terug, het licht  gaat de duisternis stap voor stap verdrijven. Honderden mensen kwamen hier gisteravond. Tot driemaal toe stroomde onze Nieuwe Augustinus vol, onze feestelijk verlichte en versierde kerk. We genoten van het zachte licht van kaarsen en de lampen.

 

“Het ware licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld”.

Mijn oog valt meer dan anders op het ware licht. Kerstmis is het lichtfeest bij uitstek in de meest donkere dagen van het jaar. Het licht, zeker. Maar het evangelie van deze Dagmis spreekt niet zomaar over licht, maar over het ‘ware’  licht.

 

Dan moet er ook on-waar licht zijn, vals licht, leugenachtig licht, schel licht, dat zeer doet aan je ogen. Ongenadig licht als van de lichtbundel van een zaklantaarn die een dief zo vlug mogelijk over zijn buit laat schijnen. Of het licht van een rechercheur die de ogen pijnigt van de verdachte tijdens zijn verhoor.

Of het licht waarin de machtigen van deze wereld graag baden, wanneer zij met veel vertoon verschijnen voor hun aanhangers, de massa’s die hen toejuichen en de tegenstander uitjouwen.

Of het onbarmhartig licht waarin een kind of jongere gepest wordt, geïsoleerd van de rest van de groep, waarin het zich niet kan verweren of verbergen.

 

“Het ware licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld”.

In deze wereld vol vals licht, dat de leugen, de corruptie, het machtsmisbruik, de zelfverrijking, het onrecht verborgen houdt of een schijn van waarheid poogt te geven, schijnt vandaag het ware licht. Dat licht is geen geheimzinnig symbool, dat licht is een mens. “Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet”.

 

Een mens die licht is, die waar is.

Onze bestuurders en volksvertegenwoordigers hebben daarvan hun mond vol:  waar-achtig zijn, transparant zijn, niets verbergen. Dat is toch ons grote ideaal? Maar hoe zwaar valt het hen en misschien ook ons om werkelijk te leven in waar licht, in het licht van de waarheid. In het voorbije jaar is er nog iets anders bij gekomen. Het moedwillig creëren van de leugen, er bijna een sport van maken om nepfeiten, nepnieuws te verspreiden, schaamteloos, - en daarmee de volkeren, de wereld proberen te regeren.

 

Hoe zwaar kan het een mens vallen om de waarheid te doen, om zijn of haar waarheid onder ogen te zien. Hoeveel kan het wel niet van een land, een volk vragen om zich niet alleen de goede en eervolle feiten uit zijn geschiedenis te herinneren, maar ook de duistere kanten van onrecht, overheersing, kolonialisme, slavernij, discriminatie onder ogen te zien. Hoeveel heeft het wel niet van onze kerk gevraagd om de duistere, valse kanten van haar verleden onder ogen te zien. Wat een moeite, wat een nederigheid vraagt het toch om de waarheid te erkennen, je verantwoordelijkheid te aanvaarden, vooral voor de mensen die geleden hebben in dat valse licht van overheersing en misbruik van macht.

 

“Het ware licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld”.

Kerstmis, dit grootse lichtfeest in onze donkerste dagen, is een feest van verwondering. Dat de eeuwige, onzichtbare God een menselijk gezicht krijgt, zich voegt in ons tijdelijk bestaan; dat de Zoon, het eeuwig woord voor alle tijden geboren uit de Vader, geboren wordt uit een vrouw in ons mensenbestaan. Een duizelingwekkende waarheid. “Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen”.

Later wordt uit de mond van Jezus opgetekend: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”.

 

“Ik ben de waarheid”.

De waarheid die Hij was werd niet door iedereen welkom geheten. “Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet”. Zijn waarheid is een opgave. Voor Hem uitkomen. ‘Ik ben een christen, ik ben rooms-katholiek’. Voor veel van onze tijdgenoten is dat iets om je neus voor op te trekken. Wij zijn de erfgenamen van een eeuwenlange godsdienstige traditie, waarin talloze gelovigen heldendaden van liefde hebben verricht, maar waarin niet weinigen ook gefaald hebben. De heldendaden van liefde worden vaak vergeten en de misstanden beklijven in de geheugens.

 

“Het ware licht dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld”.

Hij wil dat iedere mens in het licht zal leven. Dat haar of zijn waarheid, zijn of haar kwetsbaarheid gezien mag worden, aanvaard, beschermd; dat je je niet anders hoeft voor te doen dan je ten diepste bent. Ons geloof is heel hoopvol. Uiteindelijk is het de waarheid die zal overwinnen.

 

We vieren het feest van het ware licht, dat u en mij, dat iedere mens verlicht.

We vieren het feest van de verwondering.

Een parochiane schreef mij: preek op Kerstmis liever niet over politiek , maar over verwondering. Zij heeft natuurlijk gelijk. Wij mogen ons verwonderen met hart en ziel. Dat wij er mogen zijn; dat de eeuwige, onzichtbare God zich heeft uitgesproken, dat Hij als een kind, even weerloos als wij mensen, aan het licht komt; dat u en ik er mogen zijn zonder voorwaarde, met uw en mijn weerloze waarheid. Dat wij dat ware licht toelaten in ons leven; dat wij elkaar met liefde aanvaarden en zo dat kwetsbare Kind een kans geven op te groeien, mens te worden, onze waarheid te laten worden. Amen.

 

 

--------------------------------------------

[1] Jesaja 52, 7-10; Hebreeën 1, 1-6; Johannes 1, 1-18